Пульс · Документы · Нидерланды · Суды Нидерландов (Rechtspraak)

Окружной суд Центральных Нидерландов, дело № 16/185997-25: вымогательство криптовалюты у потерпевшего в Утрехте

ECLI:NL:RBMNE:2026:4862 Rechtbank Midden-Nederland , 21-07-2026 / 16/185997-25 Strafrecht

судебное решение 2026-07-21 56 000 знаков Криптоактивы и блокчейн Мессенджеры
Скачать На сайте источника Файл оригинала
Действующая редакция. Последнее изменение зафиксировано 2026-08-20.

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/185997-25

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 21 juli 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats] , ingeschreven op het adres: [adres] , [postcode] in [plaats] , (hierna: de verdachte).

1 Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 25 juni 2026. Het onderzoek is (enkelvoudig) gesloten op 21 juli 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

de verdachte;

de advocaat van de verdachte: mr. A.Y. Bleeker (hierna: de advocaat);

de officier van justitie: mr. R.E. Craenen;

de advocaat van de benadeelde partij [aangever] : mr. S. Vermeulen, die waarneemt voor mr. L. van Gaalen-Van Beuzekom.

2 Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat, op 29 mei 2025 in Utrecht:

feit 1

:

primair: samen met anderen cryptovaluta ter waarde van ongeveer 30.000 dollar heeft afgeperst van [aangever] ;

subsidiair: medeplichtig is geweest aan de hiervoor genoemde afpersing;

feit 2:

primair: samen met anderen heeft geprobeerd om € 100.000,- aan cryptovaluta af te persen van [aangever] ;

subsidiair: medeplichtig is geweest aan de hiervoor genoemde poging tot afpersing.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3 Bewijs

3.1.Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte samen met anderen feit 1 primair en feit 2 primair heeft gepleegd.

Ten aanzien van feit 1 primair vindt de officier van justitie dat de verdachte gedeeltelijk vrijgesproken moet worden van het vierde gedachtestreepje van de beschuldiging (het dreigen met een pistool), omdat daarvoor onvoldoende bewijs in het dossier zit.

De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.

3.2.Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank primair om de verdachte volledig vrij te spreken van feit 1 en feit 2.

Subsidiair stelt de advocaat zich ten aanzien van feit 1 op het standpunt dat de verdachte gedeeltelijk vrijgesproken moet worden voor bedreiging met een vuurwapen/pistool.

De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.

3.3.Oordeel van de rechtbank

3.3.1.Inleiding

De rechtbank stelt op basis van het dossier en wat er tijdens de zitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast, die op de zitting ook niet ter discussie hebben gestaan.

Op 29 mei 2025 ging [aangever] (hierna: aangever) bowlen in Utrecht samen met [A] (hierna: [A] ) en de medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ). Toen zij rond 23:23 uur klaar waren en naar hun auto liepen, werd aangever plots door drie personen benaderd: de verdachte, medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en medeverdachte [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ). Op camerabeelden is te zien dat aangever wordt aangesproken door [medeverdachte 2] , waarna [medeverdachte 2] met aangever wegloopt in de richting van een afgelegen steeg op het bedrijventerrein naast de bowling. Niet veel later voegt ook de verdachte zich bij hen. Met zijn drieën lopen zij steeds verder de steeg in. Ondertussen blijft [medeverdachte 3] staan bij [A] en [medeverdachte 1] , die nog bij de auto op de parkeerplaats staan.

Na ongeveer 25 minuten loopt [medeverdachte 3] naar de verdachte en [medeverdachte 2] , waarna [medeverdachte 3] en de verdachte [A] en [medeverdachte 1] ophalen en naar aangever en [medeverdachte 2] lopen.

Rond 23:56 uur vertrekken de verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] gezamenlijk en een paar minuten later vertrekken ook aangever en zijn gezelschap. Diezelfde nacht belt aangever de politie en start onderzoek 31STRIKE25.

Vaststaat dat de verdachten deze avond contact hebben gehad met aangever en dat aangever ten tijde van dat contact cryptovaluta ter waarde van ongeveer 30.000 dollar heeft overgemaakt. Volgens aangever was dit onder dwang en bedreiging gebeurd zoals in de beschuldiging nader is omschreven (bijlage I), en is daarna door bedreiging met geweld geprobeerd om hem nog veel meer cryptovaluta over te laten maken.

De verdachte wordt verweten dat hij zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan de (poging tot) afpersing, dan wel dat hij daaraan medeplichtig is geweest.

De rechtbank moet eerst de vraag beantwoorden of op 29 mei 2025 sprake is geweest van een (poging tot) afpersing van aangever.

Als sprake is van (poging tot) afpersing moet daarna nog de vraag beantwoord worden hoe de rol van de verdachte juridisch moet worden geduid en of er sprake is van medeplegen of medeplichtigheid.

3.3.2.Bewijsmiddelen feit 1 primair en feit 2 primair

De rechtbank oordeelt dat bewezen is dat de verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan afpersing van [aangever] (feit 1 primair) en aan een poging tot afpersing van [aangever] (feit 2 primair). De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.

De rechtbank legt hieronder uit waarom zij tot dit oordeel komt en gaat daarbij in op de verweren van de verdediging, voor zover die niet al worden weerlegd door de bewijsmiddelen.

3.3.3.Bewijsoverwegingen

Bewezenverklaring (poging tot) afpersing

Aangever heeft meerdere verklaringen afgelegd over de (poging tot) afpersing, waarvan de eerste verklaring (de aangifte) nog diezelfde nacht is afgelegd. In dat kader stelt de rechtbank vast dat aangever uitgebreid en consistent heeft verklaard over wat er is gebeurd op 29 mei 2025, over de betrokken personen en over hun rol. Aangever kende de verdachte en zijn medeverdachten niet, met uitzondering van [medeverdachte 1] , met wie aangever bevriend was. Er is niet gebleken dat aangever een reden had om hen onterecht te beschuldigen van een ernstig misdrijf. Daarnaast wordt de kern van zijn verklaring ondersteund door (objectief) bewijs. Zo bevestigen onder andere de camerabeelden de door aangever geschetste gang van zaken, blijkt uit financieel onderzoek dat aangever daadwerkelijk een grote hoeveelheid cryptovaluta heeft overgemaakt, zijn er op de telefoon van aangever screenshots van een gesprek aangetroffen waaruit blijkt dat aangever onder druk wordt gezet om nog meer geld over te maken en wordt er op de telefoon van de medeverdachte [medeverdachte 2] een afbeelding van een briefje aangetroffen met persoonlijke informatie over (familieleden van) aangever. Dit is precies de informatie waarvan aangever zegt dat dit gebruikt is om hem die avond af te persen.

De rechtbank gaat dan ook uit van de juistheid van dat wat aangever heeft verklaard en vindt zijn verklaringen in het geheel betrouwbaar.

De rechtbank komt op basis van de bewijsmiddelen tot een bewezenverklaring van de afpersing (feit 1) en de poging tot afpersing (feit 2). Met de verdediging en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat de medeverdachte tijdens de afpersing aangever met een pistool heeft bedreigd. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van (het medeplegen van) dat deel van de beschuldiging.

Betrokkenheid van verdachte bij de (poging tot) afpersing

De verdachte heeft zowel bij de politie als op de zitting verklaard dat hij meeging naar een afspraak, maar niet wist wat voor afspraak het was of wat zij daar gingen doen. Hij zou geld krijgen om mee te gaan. Hij verklaart dat hij ter plekke weliswaar meeliep met [medeverdachte 2] en aangever en dat hij erbij stond, maar dat hij niets heeft meegekregen van wat er werd besproken tussen hen. Hij heeft zelf in ieder geval geen geweld gebruikt of bedreigd met geweld en heeft dit ook niet bij [medeverdachte 2] gezien.

De rechtbank vindt de verklaring van de verdachte onaannemelijk en ongeloofwaardig.

Op de camerabeelden is te zien dat de verdachte zich aansloot bij [medeverdachte 2] en aangever en dat zij met zijn drieën de steeg in liepen in de richting van de plek waar de afpersing heeft plaatsgevonden. De verdachte was voortdurend in de directe nabijheid van aangever en [medeverdachte 2] en stond ook op korte afstand van hen. Op de camerabeelden is bovendien te zien dat de verdachte op bepaalde momenten meekeek op de telefoon van aangever. Het kan dan ook niet anders dan dat de verdachte wist wat daar op dat moment gebeurde. De rechtbank wordt hierin gesterkt door de Snapchatberichten die de verdachte de dag na de afpersing heeft verstuurd naar [medeverdachte 2] via het account [accountnaam 1] waarvan de verdachte op zitting heeft verklaard dat dit zijn account is -. In deze berichten wordt onder andere gesproken over het omwisselen van de cryptovaluta naar cash en wordt door de verdachte een walletadres gedeeld waar volgens het financiële onderzoek de afgeperste cryptovaluta van aangever naartoe is overgemaakt. Verdachte zegt in die chat dat hij gewoon snel cash wil hebben. Ook klaagt hij over het ‘crypto gezeik’ en dat hij met anderen zou zijn opgelicht door het ‘mannetje’ in Utrecht. Dat lijkt te gaan over deze afpersing. De verdachte heeft op zitting geen alternatieve uitleg gegeven over deze berichten, maar zich beroepen op zijn zwijgrecht.

Medeplegen of medeplichtigheid?

Voor de kwalificatie van medeplegen is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezen verklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Het kernverwijt bij medeplichtigheid is het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf, terwijl bij medeplegen de samenwerking centraal staat.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het handelen van de verdachte naar uiterlijke verschijningsvorm kan worden gekwalificeerd als medeplegen van de afpersing en poging tot afpersing. De rechtbank legt hieronder uit waarom.

Uit het dossier blijkt duidelijk dat de verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] met zijn drieën zijn opgetrokken en samen met de auto vanuit Eindhoven naar Utrecht zijn gereden, samen aangever anderhalf uur in de auto hebben opgewacht tot hij klaar was met bowlen, samen richting aangever zijn gelopen en uiteindelijk samen zijn weggereden. Het langdurig samen optrekken met de medeverdachten voorafgaand aan de afpersing, duidt op een gewichtige bijdrage van de verdachte aan de voorbereiding daarvan.

Ter plaatse was er sprake van een duidelijke onderlinge taakverdeling. De verdachten wisten, soms na alleen een handgebaar van de (mede)verdachte, wat zij moesten doen en waar zij moesten staan. Daaruit kan worden afgeleid dat er ook sprake was van een vooropgezet plan. [medeverdachte 2] was degene die aangever aansprak, hem naar de steeg liet meelopen en de bedreigende uitlatingen deed. [medeverdachte 3] bleef ondertussen staan op de parkeerplaats bij [A] en [medeverdachte 1] (het gezelschap van aangever) en voorkwam dat zij hulp zouden kunnen inschakelen. Zoals eerder overwogen liep de verdachte met aangever en [medeverdachte 2] mee naar de plek waar de afpersing plaatsvond. Daar stond de verdachte steeds dicht bij aangever en [medeverdachte 2] . Op verschillende momenten kijkt hij op de telefoon van aangever mee. Wanneer [medeverdachte 2] wegliep, bleef de verdachte dicht bij aangever staan en stond hij consequent tussen aangever en de ‘vluchtroute’ voor aangever (de route naar de parkeerplaats) in. De verdachte heeft met zijn aanwezigheid – waardoor aangever in de minderheid was – er mede voor gezorgd dat aangever dus niet zou kunnen vluchten of hulp zou kunnen inschakelen. Daarnaast versterkte de verdachte met zijn aanwezigheid de dreiging die van de medeverdachte [medeverdachte 2] uitging. Dit geldt ook voor de bedreiging die [medeverdachte 2] heeft geuit in het kader van de poging tot afpersing. Daar heeft de verdachte bovendien aan bijgedragen door te zeggen dat aangever “gewoon moest doen wat ze vroegen”. Als aangever zou meewerken zou hem niks overkomen.

Ook heeft de verdachte samen met [medeverdachte 3] de telefoons van het gezelschap van aangever ingenomen en weggelegd, mogelijk om te voorkomen dat zij de verdachten en zijn medeverdachten zouden filmen of alarm zouden slaan. Na het feit heeft de verdachte met de medeverdachte berichten gewisseld over de gezamenlijke financiële afwikkeling. Ook dit handelen van de verdachte duidt op een nauwe en bewuste samenwerking.

De verdachte heeft door zijn directe aanwezigheid en de hiervoor genoemde gedragingen en uitlatingen, een significante bijdrage geleverd aan de (poging tot) afpersing en ervoor gezorgd dat de (poging tot) afpersing kon plaatsvinden zoals die heeft plaatsgevonden. Hij heeft meer gedaan dan het enkel getalsmatig versterken van de groep en de verdachte is dus meer geweest dan slechts een ‘meeloper’. De verdachte heeft zich bovendien op geen enkel moment gedistantieerd van het gebeuren.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de verdachte bij de (poging tot) afpersing nauw en bewust heeft samengewerkt met de medeverdachten en dat zijn bijdrage van wezenlijk belang was, zodat hij als medepleger moet worden aangemerkt. Dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte zelf een van de ten laste gelegde feitelijke handelingen heeft verricht, staat aan bewezenverklaring van medeplegen niet in de weg.

3.4.Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

Feit 1, primair:

op 29 mei 2025 te Utrecht tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van cryptovaluta ter waarde van ongeveer 30.000 dollar, dat geheel aan die [aangever] toebehoorde door

- die [aangever] mee te laten lopen naar een steeg en een bedrijventerrein,

- tegen [aangever] te zeggen: “ik moet je omleggen in de naam van je broer”, en

- aan die [aangever] blijk te geven van kennis over zijn privé-gegevens, zoals de namen en adresgegevens van die [aangever] en diens vriendin, en diens ouders en diens schoonouders en de adresgegevens van de vakantiewoning van die [aangever] in Mexico;

- tegen die [aangever] te zeggen dat dat hij geld moest overmaken en de app Metamask en/of Telegram moest openen en (vervolgens) cryptovaluta moest overboeken, Feit 2, primair:

op 29 mei 2025 te Utrecht tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangever] te dwingen tot de afgifte van cryptovaluta ter waarde van ongeveer 100.000 euro, dat geheel aan die [aangever] toebehoorde,

- tegen die [aangever] heeft gezegd (nog) minimaal 100.000 euro te willen zien en dat die [aangever] een uur heeft om dit te regelen en

- tegen die [aangever] heeft gezegd dat hij niet naar de politie mag gaan, er mensen bij zijn woning staan en dat hij wordt omgelegd als hij niet meewerkt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4 Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

Feit 1, primair: afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Feit 2, primair: poging tot afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

4.2.Strafbaarheid feiten en verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5 Straf en maatregel

5.1.Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest.

De officier van justitie eist daarnaast dat aan de verdachte een contactverbod als vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd voor de duur van vijf jaar, te vervangen door twee weken hechtenis voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet. De officier van justitie eist dat deze maatregel direct na de uitspraak ingaat (dadelijk uitvoerbaar is).

5.2.Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt om bij een bewezenverklaring overeenkomstig het advies van de reclassering geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die langer is dan de tijd dat de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Een taakstraf zou wel passend kunnen zijn met eventueel een voorwaardelijke gevangenisstraf.

De advocaat voert hiertoe aan dat de verdachte nog jong is, geen relevante documentatie heeft, slechts een beperkte rol heeft gespeeld bij de feiten en een gevangenisstraf zijn werkzaamheden en kickbokscarrière zal doorkruisen. Daarnaast moet volgens de advocaat meer aangesloten worden bij de eis van de officier van justitie in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte 3] , omdat zij een inwisselbare rol hadden.

5.3.Oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf en maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd

De verdachte heeft zich samen met anderen op 29 mei 2025 schuldig gemaakt aan afpersing en een poging tot afpersing. De afpersing heeft ruim een half uur geduurd. De verdachte heeft aangever, die nietsvermoedend aan het bowlen was, samen met de medeverdachten opgewacht. Aangever moest vervolgens meelopen naar een afgelegen steeg op een bedrijventerrein. Daar is hij onder bedreiging met geweld gedwongen tot afgifte van cryptovaluta. De bedreiging werd kracht bijgezet doordat de medeverdachte [medeverdachte 2] onder andere persoonlijke gegevens over aangever en zijn familie noemde, zoals namen en adressen. Ondertussen liep de verdachte steeds met [medeverdachte 2] en aangever mee en bleef medeverdachte [medeverdachte 3] bij het gezelschap van aangever staan bij de auto.

Aangever heeft uit angst cryptovaluta ter waarde van ongeveer 30.000 dollar overgemaakt. Aangever moest daarvoor allerlei handelingen in zijn telefoon verrichten en op die manier zijn belagers actief meehelpen om zijn geld af te pakken. Daarna is onder bedreiging met geweld geprobeerd om aangever nog meer cryptovaluta ter waarde van € 100.000,- over te laten maken. Dat dit uiteindelijk niet gebeurd is, is niet aan de verdachte(n) te danken. De poging tot afpersing is gestopt doordat aangever, na aandringen van zijn naasten, zelf de politie heeft ingeschakeld.

Dat was een moeilijke beslissing omdat het kon dat hij zichzelf en zijn naasten daarmee verder in gevaar bracht. Verdachten hebben aangever dus niet alleen veel geld afhandig gemaakt maar hem ook langere tijd onder grote psychische druk gezet. Uit de verklaringen van aangever en het verzoek tot schadevergoeding blijkt dat aangever doodsangsten heeft uitgestaan, zowel tijdens als na de afpersing. Hij was bang dat hem of zijn familieleden iets zou overkomen door alle privégegevens die bij de verdachten bekend waren. De verdachten zijn koel en berekenend te werk gegaan. Ze hebben alleen maar gedacht aan hun eigen voordeel en niet hoe dit voor aangever moet zijn geweest.

De verdachte heeft enerzijds eerlijk verklaard dat hij is meegegaan naar ‘een afspraak’ omdat hij wat geld wilde bijverdienen. Hij heeft verklaard dat hij geld zou krijgen door erbij te zijn, dat hij dit uit vrije wil heeft gedaan en dat niemand hem daartoe heeft gedwongen. De verdachte legt daarmee de verantwoordelijkheid bij zichzelf.

Tegelijkertijd laat de verdachte nog steeds niet het achterste van zijn tong zien. De verdachte blijft verklaren dat hij niets strafbaars heeft gezien of gedaan en niets heeft meegekregen van een (poging tot) afpersing. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank echter af dat de rol van de verdachte groter is geweest dan hij zelf doet voorkomen en dat de verdachte juist nauw en bewust heeft samengewerkt met de medeverdachten bij de (poging tot) afpersing.

In die zin toont de verdachte nog steeds geen volledige verantwoordelijkheid voor zijn handelen. De rechtbank vindt het daarnaast zorgelijk dat de verdachte blijkbaar makkelijk bereid was om tegen een financiële vergoeding strafbare feiten te plegen.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank gekeken naar het strafblad van de verdachte van 19 juni 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank weegt het strafblad daarom niet in strafverzwarende zin mee.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 18 juni 2026. Daarin staat dat er vermoedelijk een financieel motief speelde bij de verdachte om de feiten te plegen. Omdat er sprake is van medeverdachten vindt de reclassering het sociaal netwerk, in ieder geval in die periode, zorgelijk. Beschermende factoren worden gezien in het feit dat de verdachte maatschappelijk geaccepteerd doelen, zoals het hebben van dagbesteding in de vorm van werk, nastreeft. Daarnaast heeft hij de steun van zijn ouders, wat ook als beschermende factor wordt gezien, en heeft hij zich tijdens het schorsingstoezicht gehouden aan de afspraken met de reclassering. Daarbij heeft de verdachte gereflecteerd op de consequenties die bepaalde keuzes met zich meebrengen. Alles bij elkaar schat de reclassering de kans op herhaling in als laag-gemiddeld en wordt reclasseringstoezicht niet noodzakelijk gevonden.

Toepassing volwassenstrafrecht (geen jeugdstrafrecht)

De verdachte was 21 jaar ten tijde van het plegen van de feiten. Dat maakt dat in beginsel het volwassenstrafrecht op hem van toepassing is, tenzij de rechtbank in de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan aanleiding ziet om het jeugdstrafrecht toe te passen.

De rechtbank ziet daartoe geen aanleiding. De reclassering schrijft dat de handelingsvaardigheden van de verdachte voldoende lijken, dat hij in staat is zijn eigen gedrag te organiseren, niet bovenmatig impulsief lijkt te handelen en gedisciplineerd is. Daarnaast zijn er geen aanwijzingen voor LVB-problematiek. Een gezinsgerichte aanpak of interventie vanuit het jeugdstrafrecht is dan ook niet noodzakelijk of geadviseerd. De rechtbank zal daarom het volwassenenstrafrecht toepassen. Wel houdt de rechtbank bij het bepalen van de hoogte en de soort straf rekening met de jeugdige leeftijd van de verdachte.

Strafkader

Bij de aard en ernst van deze feiten past een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, ook al is de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank gekeken naar opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken.

Dat de (poging tot) afpersing samen met anderen is gepleegd en de hoogte van het bedrag dat is afgeperst, en is geprobeerd af te persen, weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee.

Hoewel de rol van de verdachte bij de (poging tot) afpersing groter is dan hij zelf heeft doen voorkomen, blijkt uit het dossier dat de medeverdachte [medeverdachte 2] een meer leidende rol in het geheel heeft gehad. De rechtbank ziet hierin, maar ook in de relatief jonge leeftijd van de verdachte, aanleiding om aan de verdachte een lagere straf op te leggen dan aan de medeverdachte [medeverdachte 2] .

Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op van 15 maanden, met aftrek van het voorarrest.

De rechtbank wijkt hiermee in het voordeel van de verdachte af van de eis van de officier van justitie, omdat zij meer rekening houdt met de leeftijd van de verdachte, het gegeven dat hij geen relevante documentatie heeft en zijn rol in het geheel.

De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

Vrijheidsbeperkende maatregel (38v Sr)

De rechtbank ziet daarnaast aanleiding om aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen in de zin van artikel 38v Sr. De rechtbank zal voor het voorkomen van strafbare feiten bevelen dat de verdachte:

- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met [aangever] .

De rechtbank legt deze vrijheidsbeperkende maatregel op voor de duur van 5 jaar. Gedurende die periode zal hier per overtreding 14 dagen hechtenis tegenover staan met een maximum van zes maanden.

Gelet op de aard van de feiten en de ontkennende houding van de verdachte, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte zich belastend zal gedragen tegenover [aangever] . Daarom zal zij bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

De voorlopige hechtenis

De rechtbank zal geen beslissing nemen over de voorlopige hechtenis, zodat de huidige schorsing (en schorsingskader) blijft doorlopen.

6 Vordering benadeelde partij

6.1.Vordering van de benadeelde partij

[aangever] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 37.500,- voor feit 1 en 2, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 32.500,- voor vergoeding van materiële schade (feit 1) en € 5.000,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld) van feit 1 en 2. . De materiële schade bestaat uit de totale waarde van de overgeboekte cryptovaluta, waarbij de bedragen door de benadeelde partij naar beneden zijn afgerond. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

6.2.Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering in zijn geheel kan worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

6.3.Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt primair de vordering niet-ontvankelijk te verklaren vanwege de bepleite vrijspraak.

Subsidiair moet de materiele schade niet-ontvankelijk verklaard worden, omdat er geen nadeel is. De overgemaakte cryptovaluta op een wallet is bevroren en kan dus weer terug naar de aangever. Daarnaast moet de immateriële schade gematigd worden tot een bedrag van maximaal € 3.000,-.

6.4.Oordeel van de rechtbank

Materiele schade

De vordering tot vergoeding materiële schade van € 32.500,- is voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. Dit betreft namelijk de cryptovaluta die door de aangever onder dwang zijn overgemaakt. De aangever is de cryptovaluta kwijt en het is ook uit zijn macht. Hij kan hier dus niet meer over beschikken. Teruggave is afhankelijk van de medewerking van derde partijen. Dat de wallets waar de cryptovaluta door de verdachten naartoe zijn overgeboekt zijn bevroren, doet hier niet aan af. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.

Immateriële schade

Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.

In dit geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake van zo’n uitzonderlijke situatie, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade. Er was sprake van een planmatige afpersing door meerdere daders, waarbij aangever naar een afgelegen steeg op een bedrijventerrein is meegenomen en waar hij onder dreiging met geweld werd gedwongen om cryptovaluta over te boeken. Bij de bedreiging werd gedetailleerde (kennis over) privé gegevens over hem en zijn naasten gedeeld, waaronder adresgegevens. Zowel tijdens als na de afpersing heeft aangever doodsangsten uitgestaan Aangever is hierdoor noodgedwongen verhuisd omdat hij zich niet langer veilig voelde in zijn eigen huis.

Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding kijkt de rechtbank onder meer naar de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding. De rechtbank kijkt naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging. De benadeelde partij heeft aangevoerd dat aansluiting gezocht zou moeten worden bij categorie 19.1 a)

(met een bandbreedte tussen € 3.000,- en € 8.000,-). De rechtbank gaat uit van categorie 19.1 b) ( tot een bedrag van € 3.000,-) nu niet is bewezen dat er een vuurwapen is gebruikt door de daders, de afpersing niet langer dan een half uur heeft geduurd en de benadeelde partij niet fysiek is aangepakt. De rechtbank ziet in genoemde omstandigheden aanleiding om dit bedrag naar beneden bij te stellen.

Nu de aard en omvang van het geestelijk letsel niet nader is onderbouwd zal de rechtbank niet méér toewijzen dan het bedrag dat op basis van wat de benadeelde partij is overkomen in ieder geval billijk wordt geacht. Dat bedrag stelt de rechtbank naar billijkheid vast op € 1.500,-.

De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij voor het meer gevorderde niet-ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Wettelijke rente

De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 29 mei 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

Proceskosten

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding grotendeels wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 34.000,- aan de Staat moet betalen.

Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2025 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.

Gijzeling

Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 171 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

Hoofdelijkheid

Omdat de verdachte de strafbare feiten waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij of aan de Staat te betalen.

7 Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en maatregel zijn gebaseerd op de wetsartikelen: 36f, 38v, 38w, 45, 47, 57 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring verklaart bewezen dat de verdachte feit 1 primair en feit 2 primair heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;

verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden ;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

38v-maatregel legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van vijf (5) jaar ;

beveelt dat verdachte

 op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met [aangever] , geboren op [geboortedatum] 1998;

beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van twee weken (14 dagen) voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden ;

beveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [aangever]

wijst de vordering van [aangever] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 34.000,-, bestaande uit € 32.500,- aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [aangever] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2025 tot de dag van volledige betaling;

verklaart [aangever] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [aangever] aan de Staat € 34.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 171 dagen gijzeling;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. O. Böhmer, voorzitter, mr. C.S.K. Fung Fen Chung en mr. S.E. Garvelink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S.M. van Duinkerken als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:

1hij op of omstreeks 29 mei 2025 te Utrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van cryptovaluta ter waarde van ongeveer 30.000 dollar, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever] en/of een derde toebehoorde(n) door

- die [aangever] mee te laten lopen naar een steeg en/of een bedrijventerrein,

- tegen [aangever] te zeggen: “ik moet je omleggen in de naam van je broer”, althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of

- aan die [aangever] blijk te geven van kennis over zijn privé-gegevens, zoals de namen en/of adresgegevens van die [aangever] en/of diens vriendin, en/of diens ouders en/of diens schoonouders en/of de adresgegevens van de vakantiewoning van die [aangever] in Mexico;

- een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd, althans het lichaam van die [aangever] te zetten en/of te richten en/of

- tegen die [aangever] te zeggen dat dat hij geld moest overmaken en/of de app Metamask en/of Telegram moest openen en/of (vervolgens) cryptovaluta moest overboeken, subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en/of een of meer (onbekend gebleven) personen op of omstreeks 29 mei 2025 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van cryptovaluta ter waarde van ongeveer 30.000 dollar, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever] en/of een derde toebehoorde(n), door

- die [aangever] mee te laten lopen naar een steeg en/of een bedrijventerrein,

- tegen [aangever] te zeggen: “ik moet je omleggen in de naam van je broer”, althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of

- aan die [aangever] blijk te geven van kennis over zijn privé-gegevens, zoals de namen en/of adresgegevens van die [aangever] en/of diens vriendin, en/of diens ouders en/of diens schoonouders en/of de adresgegevens van de vakantiewoning van die [aangever] in Mexico;

- een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd, althans het lichaam van die [aangever] te zetten en/of te richten en/of

- tegen die [aangever] te zeggen dat dat hij geld moest overmaken en/of de app Metamask en/of Telegram moest openen en/of (vervolgens) cryptovaluta moest overboeken, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 29 mei 2025 te Utrecht, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door

- met die [medeverdachte 2] en die [aangever] mee te lopen naar voornoemde steeg en/of bedrijventerrein en/of aldaar bij die [aangever] te blijven staan en/of aldus te zorgen voor een getalsmatig overwicht en (daarmee) te beletten dat die [aangever] zich uit de voeten kon maken, en/of zijn telefoon zou gebruiken om alarm te slaan, en/of (vervolgens)

- tegen die [aangever] te zeggen dat hij gewoon moest doen wat ze vroegen en dat hem dan niets zou overkomen en/of dat ze ervaren jongens waren en dit wel vaker deden, althans woorden en/of gedragingen van gelijke aard of strekking, en/of (vervolgens)

- een of meer telefoon(s) van [A] en/of [medeverdachte 1] (zijnde de metgezellen van die [aangever] ) in te nemen en deze op een auto te leggen, waarbij tegen die [A] en [medeverdachte 1] werd gezegd dat zij tien minuten moesten wachten, en daarmee te beletten dat die [A] en/of [medeverdachte 1] de politie kon(den) alarmeren;

2hij op of omstreeks 29 mei 2025 te Utrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever] te dwingen tot de afgifte van cryptovaluta ter waarde van ongeveer 100.000 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever] en/of een derde toebehoorde(n),

- tegen die [aangever] heeft gezegd (nog) minimaal 100.000 euro te willen zien en/of dat die [aangever] een uur heeft om dit te regelen en/of

- tegen die [aangever] heeft gezegd dat hij niet naar de politie mag gaan, er mensen bij zijn woning staan en/of dat hij wordt omgelegd als hij niet meewerkt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [A] en/of een of meer (onbekend gebleven) personen, op of omstreeks 29 mei 2025 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever] te dwingen tot de afgifte van cryptovaluta ter waarde van ongeveer 100.000 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever] en/of een derde toebehoorde(n),

- tegen die [aangever] heeft gezegd (nog) minimaal 100.000 euro te willen zien en/of dat die [aangever] een uur heeft om dit te regelen en/of

- tegen die [aangever] heeft gezegd dat hij niet naar de politie mag gaan, er mensen bij zijn woning staan en/of dat hij wordt omgelegd als hij niet meewerkt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 29 mei 2025 te Utrecht, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door

- met die [medeverdachte 2] en die [aangever] mee te lopen naar voornoemde steeg en/of bedrijventerrein en/of aldaar bij die [aangever] te blijven staan en/of aldus te zorgen voor een getalsmatig overwicht en (daarmee) te beletten dat die [aangever] zich uit de voeten kon maken, en/of zijn telefoon zou gebruiken om alarm te slaan, en/of (vervolgens)

- tegen die [aangever] te zeggen dat hij gewoon moest doen wat ze vroegen en dat hem dan niets zou overkomen en/of dat ze ervaren jongens waren en dit wel vaker deden, althans woorden en/of gedragingen van gelijke aard of strekking, en/of (vervolgens)

- een of meer telefoon(s) van [A] en/of [medeverdachte 1] (zijnde de metgezellen van die [aangever] ) in te nemen en deze op een auto te leggen, waarbij tegen die [A] en [medeverdachte 1] werd gezegd dat zij tien minuten moesten wachten, en daarmee te beletten dat die [A] en/of [medeverdachte 1] de politie kon(den) alarmeren.

Bijlage II: Bewijsmiddelen

Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.

Een proces-verbaal van aangifte door [aangever] , voor zover inhoudende:

Op 29 mei 2025 was ik in Utrecht met [medeverdachte 1] ( de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1] ) en [A] ( de rechtbank begrijpt: [A] ) om te bowlen. Toen ik om 23:22 uur naar de auto liep hoorde ik dat iemand mijn naam riep en zag ik drie personen.

Ik hoorde dat NN1 zei dat ik met hem mee moest lopen. Ik hoorde dat NN1 zei dat NN2 moest meelopen en NN3 bij mijn vrienden moest blijven staan. Ik zag dat NN2 meeliep met mij. Ik liep richting een steeg. Ik hoorde dat NN1 zei dat ik met hem dingen moest bespreken. Dit had te maken met mijn broer en dat dit [B] was. Ik liep samen met NN1 en NN2 het bedrijventerrein op. Ik hoorde dat NN1 zei: “ik moet je omleggen in de naam van je broer”. Ik hoorde dat NN1 zei dat hij heel veel informatie had over mijn privéleven: de namen, geboortedatums en adresgegevens van mijn ouders, voor- en achternaam van mijn vriendin, mijn adresgegevens in Nederland en de adresgegevens van mijn vakantiewoning in Mexico.

Tijdens dit gesprek had hij een telefoon vast. Ik zag dat hij uit deze telefoon veel informatie aan het oplezen was. Gedurende dit gesprek liepen we steeds het bedrijventerrein op. NN1 en NN2 liepen gedurende deze tijd met mij mee.

Ik hoorde dat NN1 zei dat hij geld wilde zien. Ik hoorde dat hij zei dat ik de app 'Metamask' moest openen. Ik zei tegen NN1 dat ik op het platform Telegram meer vermogen had dan dat ik had op de app Metamask. Ik startte de app Telegram op. Ik had op Telegram ongeveer voor 30.000 dollar aan waarde staan. Ik gaf mijn telefoon aan NN1. NNl moest adresgegevens hebben om het geld naar hem toe te sturen. Ik moest transacties opmaken en versturen naar de Trust wallet van NN1. NN1 had net Telegram aangemaakt.

Ik hoorde dat NN1 zei dat dit niet genoeg was. Ik hoorde dat NN1 minimaal nog 100.000 euro wilde zien. Ik hoorde NN1 zeggen dat ik dit binnen een uur moest gaan regelen. Ik hoorde NN1 zeggen dat ik geen gekke dingen in me hoofd moest halen en dat ik geen politie moest bellen. Ik hoorde dat NN1 zei dat hij mensen bij mijn huis zou staan en dat hij mij zou omleggen als ik de politie erbij haal.

Gedurende dit gesprek zei ik tegen NN2 dat als ik het geld zou overmaken dat zei mij alsnog om konden leggen. Ik hoorde NN2 zeggen dat ik gewoon moest doen wat ze vroegen. Ik hoorde dat NN2 zei dat als ik gewoon meewerkte dat mij niks zou overkomen.

Ik hoorde dat NN1 tegen NN2 zei dat hij NN3 en [medeverdachte 1] en [A] moest halen. Ik hoorde dat NNl zei dat [medeverdachte 1] en [A] hun mobiele telefoons moest inleveren en dat NN1 NN2 en NN3 wegliepen met de telefoons. Ik ben na 5 minuten met [medeverdachte 1] en [A] naar onze voertuigen gelopen. Ik zag dat de telefoons van [medeverdachte 1] en [A] op [A] auto lagen.

Een proces-verbaal van uitkijken van de camerabeelden, voor zover inhoudende:

Naar aanleiding van de aangifte van [aangever] werden camerabeelden van de plaats delict gevorderd. Alle in dit proces-verbaal opgenomen beelden werden vastgelegd op 29 mei 2025.

23:23:35: ik zag dat drie personen het pand van [horeca gelegenheid] uit kwamen lopen.

23:23:30: ik zag dat [medeverdachte 2] uit zijn voertuig stapte en in een rechte lijn naar [aangever] liep. [aangever] loopt met [medeverdachte 2] mee. Terwijl [medeverdachte 2] loopt lijkt hij een handgebaar te maken in de richting van [verdachte] en [medeverdachte 3] . [verdachte] en [medeverdachte 3] blijven bij [A] en [medeverdachte 1] staan.

23:24:40: ik zag dat [medeverdachte 2] een handgebaar maakte dat [aangever] tot meelopen aanzette.

23:25:45: ik zag dat [verdachte] een handgebaar maakte en dat [medeverdachte 3] vervolgens zijn kant op liep. Beiden liepen ze in de richting van [medeverdachte 2] en [aangever] . Tijdens het lopen zag ik dat [verdachte] zijn capuchon opzette.

23:25:37: Ik zag dat [verdachte] zich bij [aangever] en [medeverdachte 2] voegde. Ik zag dat [aangever] naar achteren bewoog terwijl [verdachte] en [medeverdachte 2] richting [aangever] liepen.

Opmerking verbalisant: Ik merkte op dat, door de snelheid waarmee [verdachte] op [aangever] inliep, [aangever] niet veel keus leek te hebben dan mee te bewegen.

23:26:20: ik zag dat [verdachte] een gebaar maakte met zijn arm in de richting van [medeverdachte 3] . Hierna liep [medeverdachte 3] terug naar [A] en [medeverdachte 1] .

23:26:39: Ik zag dat [medeverdachte 2] , [aangever] en [verdachte] met zijn drieën liepen.

23:26:46: [aangever] stond in het midden tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] in. Duidelijk zichtbaar was dat [medeverdachte 2] en [verdachte] bijna tegen [aangever] aanstonden.

23:32:10: Ik zag dat [verdachte] , [medeverdachte 2] en [aangever] in beeld kwamen. Zichtbaar was dat [medeverdachte 2] in iedere hand één telefoon vasthield. Ik zag dat [aangever] ook een telefoon in zijn hand hield.

23:32:29: Ik zag dat [medeverdachte 2] wegliep en [aangever] bij [verdachte] stond.

23:41:55: Ik zag dat [medeverdachte 2] naast [aangever] stond. [aangever] had een telefoon in zijn hand.

23:42:20: Ik zag dat zowel [medeverdachte 2] als [verdachte] mee keken op de telefoon die [aangever] in zijn handen had.

23:42:53: [verdachte] ging bijna tegen [aangever] aanstaan.

23:50:59: Ik zag dat [medeverdachte 2] liep in de richting van [A] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] .

23:51:05: ik zag dat [medeverdachte 2] even bleef staan. Opmerking verbalisant: Mogelijk dat hij iets roept/zegt of een gebaar maakt. Want terwijl hij daar stond, zag ik op Ch2 dat [medeverdachte 3] begon te lopen in zijn richting.

23:51:56: Ik zag dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in de richting van [aangever] en [verdachte] liepen.

23:52:43: Ik zag dat [verdachte] en [medeverdachte 3] beiden sychroon gebarende signalen maken met hun armen. Ook liepen ze in de richting van [A] en [medeverdachte 1] .

23:55:51: Ik zag dat [A] en [medeverdachte 1] naar [aangever] liepen.

23:56:02: Ik zag dat [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 2] naar [aangever] , [A] en [medeverdachte 1] toeliepen.

23:56:10: ik zag dat zowel [A] als [medeverdachte 1] iets aan [verdachte] en [medeverdachte 3] gaven.

23:56:57: ik zag dat [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] naar het voertuig van [medeverdachte 2] liepen en iets op het dak van de auto van [A] leggen.

23:59:18: [aangever] , [A] en [medeverdachte 1] liepen richting hun voertuigen.

Proces-verbaal van de transactie-hashes en adressen van de crypto overboekingen van de afpersing door aangever, voor zover inhoudende:

Uit analyse van de transacties bleek dat er op 29 mei 2025 tussen 23:43 en 23:47 (UTC+2) in totaal 10,4 Ether, ter waarde van $27.505,44 USD, werd overgemaakt van vijf adressen naar het adres van de afperser: [adrescode 1] op de Ethereum-blockchain.

Ook werd er op 29 mei 2025 tussen 23:49 uur en 23:50 uur (UTC+2) in totaal 17 Binance Coin (BNB), ter waarde van $11.540,25 (USD) overgemaakt naar het adres van de afperser: [adrescode 1] op de Binance Smart Chain blockchain.

In totaal werd er op 29 mei 2025 tussen 23:43 uur en 23:50 uur (UTC+2) in acht transacties voor $39.045,69 (USD) aan crypto currency overgemaakt naar het adres

[adrescode 1] .

Een proces-verbaal van de crypto transacties, voor zover inhoudende:

De aangever moest crypto overmaken naar een wallet van de verdachte met walletadres: [adrescode 1] .

Nadat het geld van de aangever is overgemaakt wordt dit gebundeld en in een keer verzonden naar een volgende wallet, dit is [adrescode 2] .

Het volledige bedrag wordt overmaakt naar [accountnaam 2] . Waar de ETH omgewisseld wordt naar Tether. Op de wallet gaat het bedrag in ETH er dus af en komt het er weer bij in Tether.

Vervolgens wordt het bedrag opgesplitst en overgemaakt naar

- [adrescode 3] en

- [adrescode 4] .

Nadat bleek dat het geld van de aangever was omgewisseld in Tether, is er vanuit het onderzoeksteam direct contact opgenomen met het bedrijf achter Tether en verzocht om deze tegoeden te bevriezen. Tether heeft gehoor gegeven aan dit verzoek.

Een proces-verbaal van screenshots Telegram-chats op de telefoon van aangever, voor zover inhoudende:

Tijdens de afpersing had de afperser het wallet-adres waarnaar hij de gelden moest overmaken per Telegram-bericht gestuurd. Van deze berichten maakte [aangever] screenshots. Ik zag dat de tijdstippen van de berichten aansloten bij de verklaring van [aangever] . Ik zag het gedeelde wallet-adres overeenkwam met het wallet-adres dat gebruikt werd door de afperser. Ik zag dat [aangever] in zijn berichten alleen zei ermee bezig te zijn en dat [accountnaam 3] doorlopend druk uitoefende omdat er schijnbaar niets gebeurde.

Datum en tijd

Gebruiker

Bericht

29 mei 2025

23:42 uur

[accountnaam 3]

[adrescode 1]

29 mei 2025

23:48 uur

[accountnaam 3]

[adrescode 1]

30 mei 2025 00:12 uur

[accountnaam 3]

Waar blijf die bro

30 mei 2025 00:17 uur

[accountnaam 4]

Ben er mee Bezig

Stuur je solana wallet

30 mei 2025 00:20 uur

[accountnaam 3]

[adrescode 5]

SNEL BRO

30 mei 2025 00:23 uur

[accountnaam 4]

Bro ik ben er mee bezig

30 mei 2025 00:23 uur

[accountnaam 3]

Tempo

30 mei 2025 00:27 uur

[accountnaam 3]

Bro

Schiet op Ik zie niks

30 mei 2025 00:31 uur

[accountnaam 3]

Bro ik geef je letterlijk 3 min Je speelt kk spelletjes

30 mei 2025 00:33 uur

[accountnaam 3]

Bro je maakt grapjes Begin te sturem want ik zie niks

30 mei 2025 00:36 uur

[accountnaam 3]

Je moet echt beginnen nu

30 mei 2025 00:36 uur

[accountnaam 4]

Doe ik

30 mei 2025 00:36 uur

[accountnaam 3]

Nu

Een proces-verbaal van onderzoek aan de telefoon van de medeverdachte [medeverdachte 2] , voor zover inhoudende:

Ik trof op de iphone 12 mini, die bij [medeverdachte 2] werd aangetroffen tijdens zijn aanhouding, een afbeelding van een briefje aan en zag dat bovenaan het briefje de naam van aangever stond. Ik zag dat er op het briefje verschillende namen van familieleden van [aangever] stonden, namelijk: naam van de vader, broer, vader vriendin, broer vriendin, moeder vriendin, stiefzus vriendin en de naam van de vriendin van [aangever] .

Ook zag ik dat het adres van de ouders van [aangever] , schoonouders van [aangever] en het woonadres van [aangever] op het briefje stonden.

De verklaring van de verdachte op de zitting van 25 juni 2026, voor zover inhoudende:

Ik was op 29 mei 2025 vanuit Eindhoven naar het bowlingcentrum in Utrecht gegaan, omdat daar een afspraak was. Er is aan mij gevraagd om mee te gaan en daar zou ik voor betaald worden. Ik weet niet waarom ik met medeverdachte [medeverdachte 2] en aangever ben meegelopen naar het bedrijventerrein. Ik stond daar en er werd gepraat.

Het klopt dat het account [accountnaam 1] van mij is en dat ik die gesprekken heb gevoerd.

Een proces-verbaal van een Snapchatgesprek tussen de medeverdachte en verdachte, voor zover inhoudende:

Van

Datum en tijd

Inhoud

[accountnaam 1]

30-5-202509:14:44

Hoeveel procent die wisselaar van jouw bro

[accountnaam 5]

30-5-2025 09:34:20

Tussen de 3 en 5%

[accountnaam 5]

30-5-2025 09:44:55

Ik kan op 3% uitcashe broertje

[accountnaam 1]

30-5-2025 09:47:31

Hlt zou dat kunnen

[accountnaam 5]

30-5-2025 09:53:30

Hoeveel heb je er nu opstaan broertje precies want ik even berekenen

[accountnaam 1]

30-5-202509:54:21

13672 bro

[accountnaam 1]

30-5-202513:53:11

Hit gaan wij daarheen bro denk

[accountnaam 1]

30-5-202513:58:15

Ik wil die gw snel cash hebben

[accountnaam 5]

30-5-202516:00:22

Geld ligt al wel klaar

[accountnaam 1]

30-5-202519:43:58

[adrescode 6]

[accountnaam 1]

31-5-2025 12:02:32

Maat die crypto kkr gezeik

[accountnaam 1]

31-5-2025 12:02:51

Ik ga pap halen bij die mannetje in Utrecht hij heeft ons geschetst

Bedreigende situaties die gepaard gaan met diefstal (art. 312 Sr) en/of afpersing (art. 317 Sr).

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2025177246, doorgenummerd pagina 1 tot en met 757. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Alle opgenomen bewijsmiddelen zijn zakelijk weergegeven.

Pagina 52.

Pagina 53.

Pagina 54.

Pagina 135.

Pagina 143.

Pagina 144.

Pagina 144.

Pagina 147.

Pagina 148.

Pagina 149.

Pagina 150.

Pagina 152.

Pagina 153.

Pagina 155.

Pagina 156.

Pagina 160.

Pagina 161.

Pagina 162.

Pagina 166.

Pagina 167.

Pagina 296.

Pagina 297.

Pagina 301.

Pagina 302.

Pagina 208.

Pagina 209.

Pagina 240.

Pagina 249.

Pagina 250.

Pagina 252.

Перевод на русский: GigaChat-3-Ultra, 17.09.2026. Машинный перевод, вычитывается редакцией.