Пульс · Документы · Бельгия · Палата представителей Бельгии

Закон Бельгии о различных финансовых положениях

Wetsontwerp houdende diverse financiële bepalingen.

закон / законопроект 2026-09-10 1 062 130 знаков редакций: 2 Персональные данные
Перевода нет Скачать На сайте источника Файл оригинала
Действующая редакция. Последнее изменение зафиксировано 2026-09-17.

Projet de loi

Art. 29, b)

Article 3, 1)

правок: 1

Art. 31

Article 3, 2)

правок: 1

Art. 36

Article 3, 3)

правок: 1

Art. 43

Article 3, 4)

правок: 1

Art. 45

Article 3, 5)

правок: 1

COÖRDINATIE VAN DE ARTIKELEN

BASISTEKST

TEKST AANGEPAST AAN HET WETSONTWERP

Koninklijk besluit nr. 71 van 30 november 1939 betreffende het leuren met roerende waarden en demarchage met roerende waarden en goederen of eetwaren

Art. 2

Is verboden, demarchage met de in vorig artikel bedoelde waarden, zelfs indien zij nog gecreëerd dienen te worden, tenzij ze geschiedt: 1° bij bankiers, wisselagenten of wisselagentencorrespondenten; 2° door ondernemingen voor hypotheekleeningen beheerscht door koninklijk besluit nr 225 van 7 januari 1936, voor het plaatsen van haar eigen titels;

3° door de personen of instellingen daartoe gemachtigd door den Minister van Financiën, wanneer het gaat om het plaatsen van uitgiften gedaan door de door hem te bepalen instellingen van openbaar nut.

De minister van Financiën stelt de voorwaarden vast, waarvan de ten allen tijde herroepelijke sub 3° hierboven bedoelde machtiging afhankelijk gesteld is, zoomede de voorwaarden en de formaliteiten welke dienen vervuld door de demarcheurs die handelen voor rekening van krachtens dit artikel tot demarchage gemachtigde personen, instellingen of ondernemingen. Deze zullen steeds burgerlijk aansprakelijk zijn voor de door hun demarcheurs gepleegde inbreuken op dit besluit.

(…)

Is verboden, demarchage met de in vorig artikel bedoelde waarden, zelfs indien zij nog gecreëerd dienen te worden, tenzij ze geschiedt: 1° bij bankiers, wisselagenten of wisselagentencorrespondenten; 2° door ondernemingen voor hypotheekleeningen beheerscht door koninklijk besluit nr 225 van 7 januari 1936, voor het plaatsen van haar eigen titels;

3° door de personen of instellingen daartoe gemachtigd door den Minister van Financiën, wanneer het gaat om het plaatsen van uitgiften gedaan door de door hem te bepalen instellingen van openbaar nut.

De minister van Financiën stelt de voorwaarden vast, waarvan de ten allen tijde herroepelijke sub 3° hierboven bedoelde machtiging afhankelijk gesteld is, zoomede de voorwaarden en de formaliteiten welke dienen vervuld door de demarcheurs die handelen voor rekening van krachtens dit artikel tot demarchage gemachtigde ondernemingen. Deze zullen steeds burgerlijk aansprakelijk zijn voor de door hun demarcheurs gepleegde inbreuken op dit besluit.

(…)

Wet van 2 april 1962 betreffende de Federale Participatie- en Investeringsmaatschappij en de gewestelijke investeringsmaatschappijen

Art. 1 (…) (…)

§ 2. De FPIM staat onder de controle van de minister van Financiën en van de minister van Economische Zaken. Deze kunnen zich verzetten tegen de uitvoering van elke maatregel die zou indruisen hetzij tegen de wetten en besluiten, de statuten of het beheerscontract, hetzij tegen de prioritaire doeleinden van het financieel beleid van de Staat. Deze controle wordt uitgeoefend

правок: 1

§ 2. De FPIM staat onder de controle van de minister van Financiën, van de minister van

правок: 1

Economische Zaken en van de minister van Begroting. Deze kunnen zich verzetten tegen de uitvoering van elke maatregel die zou indruisen hetzij tegen de wetten en besluiten, de statuten of het beheerscontract, hetzij tegen de prioritaire doeleinden van het financieel beleid door toedoen van twee regeringscommissarissen.

Een van de commissarissen wordt voorgedragen door De minister van Financiën, de andere door de minister van Economische Zaken. Zij worden door de Koning benoemd.

De regeringscommissarissen hebben het recht om kennis te nemen van alle beslissingen van de algemene vergadering, van de raad van bestuur en, desgevallend, van het orgaan belast met het dagelijks bestuur, om alle nodige controles uit te voeren en om zich alle daartoe nuttige inlichtingen en stukken te doen verstrekken. Elke regeringscommissaris woont de vergaderingen van de raad van bestuur bij, waarbij hij voorafgaandelijk op de hoogte werd gesteld van de agenda ervan, wanneer hij dit nuttig acht. Elke regeringscommissaris heeft er een raadgevende stem. Elke regeringscommissaris schorst en brengt zowel De minister van Financiën als de minister van Economische Zaken op de hoogte van elke beslissing van de raad van bestuur die zou indruisen tegen hetzij de wetten en besluiten, de statuten of het beheerscontract, hetzij de prioritaire doeleinden van het financieel beleid van de Staat. Daartoe beschikt elke regeringscommissaris over een termijn van vier vrije dagen; deze termijn gaat in op de dag van de vergadering waarop de beslissing is genomen, voor zover de regeringscommissarissen hiervoor regelmatig werden opgeroepen en, indien dit niet het geval is, vanaf de dag waarop zij kennis hebben gekregen van de beslissing.

Indien de minister van Financiën en de minister van Economische Zaken gezamenlijk geen uitspraak hebben gedaan binnen acht dagen na de schorsing, mag de beslissing ten uitvoer worden gelegd. Wanneer de raad van bestuur evenwel de dringende noodzaak heeft ingeroepen, beschikt elke regeringscommissaris over een termijn van twee vrije dagen om de zaak voor te leggen aan De minister van Financiën en Economische Zaken. De in het zesde lid voorgeschreven termijn wordt in dit geval teruggebracht tot twee vrije dagen.

van de Staat. Deze controle wordt uitgeoefend door toedoen van drie regeringscommissarissen.

Een van de commissarissen wordt voorgedragen door de minister van Financiën, een door de minister van Economische Zaken en een door de minister van Begroting. Zij worden door de Koning benoemd

De regeringscommissarissen hebben het recht om kennis te nemen van alle beslissingen van de algemene vergadering, van de raad van bestuur en, desgevallend, van het orgaan belast met het dagelijks bestuur, om alle nodige controles uit te voeren en om zich alle daartoe nuttige inlichtingen en stukken te doen verstrekken. Elke regeringscommissaris woont de vergaderingen van de raad van bestuur bij, waarbij hij voorafgaandelijk op de hoogte werd gesteld van de agenda ervan, wanneer hij dit nuttig acht. Elke regeringscommissaris heeft er een raadgevende stem. Elke regeringscommissaris schorst en brengt zowel de minister van Financiën, de minister van Economische Zaken als de minister van Begroting op de hoogte van elke beslissing van de raad van bestuur die zou indruisen tegen hetzij de wetten en besluiten, de statuten of het beheerscontract, hetzij de prioritaire doeleinden van het financieel beleid van de Staat. Daartoe beschikt elke regeringscommissaris over een termijn van vier vrije dagen; deze termijn gaat in op de dag van de vergadering waarop de beslissing is genomen, voor zover de regeringscommissarissen hiervoor regelmatig werden opgeroepen en, indien dit niet het geval is, vanaf de dag waarop zij kennis hebben gekregen van de beslissing.

Indien de minister van Financiën, de minister van Economische Zaken en de minister van Begroting gezamenlijk geen uitspraak hebben gedaan binnen acht dagen na de schorsing, mag de beslissing ten uitvoer worden gelegd. Wanneer de raad van bestuur evenwel de dringende noodzaak heeft ingeroepen, beschikt elke regeringscommissaris over een termijn van twee vrije dagen om de zaak voor te leggen aan de minister van Financiën, de minister van en Economische Zaken en de minister van Begroting. De in het zesde lid voorgeschreven termijn wordt in dit geval teruggebracht tot twee vrije dagen.

De vergoeding van de regeringscommissarissen wordt gezamenlijk vastgesteld door De minister van Financiën en de minister van Economische Zaken en uitbetaald door de Staat. Zij wordt gedragen door de vennootschap. Met inachtneming van de regels inzake overheidsopdrachten wijzen De ministers van Financiën en Economische Zaken, elk voor de door hem voorgedragen regeringscommissaris, zo nodig deskundigen aan om de regeringscommissarissen bij te staan. De vergoeding van de deskundigen wordt betaald door de Staat en komt ten laste van de onderneming.

(…)

De vergoeding van de regeringscommissarissen wordt gezamenlijk vastgesteld door de minister van Financiën, de minister van Economische

Zaken en de minister van Begroting en uitbetaald door de Staat. Zij wordt gedragen door de vennootschap. Met inachtneming van de regels inzake overheidsopdrachten wijzen de ministers van

Financiën, Economische Zaken en Begroting, elk voor de door hem voorgedragen regeringscommissaris, zo nodig deskundigen aan om de regeringscommissarissen bij te staan. De vergoeding van de deskundigen wordt betaald door de Staat en komt ten laste van de onderneming.

(…)

Art. 2ter (…)

Wat de andere, niet in de vorige alinea bedoelde, gespecialiseerde dochtervennootschappen betreft, kan de totaliteit of een deel van hun werkingskosten ten laste worden gelegd van de respectieve budgetten van de betrokken ministeriële departementen na een beslissing van De ministers van Financiën en Economische Zaken waarover in Ministerraad of in een in zijn schoot opgericht comité overleg werd gepleegd. Waar het om een deel gaat zal dit onder meer de kosten dekken die verbonden zijn aan een uitbreiding van het personeel onder arbeidsovereenkomst van wie de aanwerving noodzakelijk zou blijken, alsmede betrekking hebben op het ter beschikking stellen van fondsen vereist voor het financieren van de verrichtingen gedaan ter uitvoering van paragrafen 2 en 3 van het artikel 2.

(…)

Wat de andere, niet in de vorige alinea bedoelde, gespecialiseerde dochtervennootschappen betreft, kan de totaliteit of een deel van hun werkingskosten ten laste worden gelegd van de respectieve budgetten van de betrokken ministeriële departementen na een beslissing van de ministers van Financiën, Economische Zaken en Begroting waarover in Ministerraad of in een in zijn schoot opgericht comité overleg werd gepleegd. Waar het om een deel gaat zal dit onder meer de kosten dekken die verbonden zijn aan een uitbreiding van het personeel onder arbeidsovereenkomst van wie de aanwerving noodzakelijk zou blijken, alsmede betrekking hebben op het ter beschikking stellen van fondsen vereist voor het financieren van de verrichtingen gedaan ter uitvoering van paragrafen 2 en 3 van het artikel 2.

Art. 11 (…) (…)

§ 3. De ministers van Financiën en van Economische Zaken beslissen per geval over de omvang en de voorwaarden van de Staatswaarborg waarvan sprake in de eerste paragraaf van dit artikel. Deze waarborg die in elk geval beperkt blijft tot de hoofdsom zal evenwel 80 pct. van het bedrag van het te dekken risico niet mogen overtreffen. De uitgaven die uit voormelde waarborg voortvloeien zullen aangerekend worden

§ 3. De ministers van Financiën, Economische

правок: 1

Zaken en van Begroting beslissen gezamenlijk per geval over de omvang en de voorwaarden van de Staatswaarborg waarvan sprake in de eerste paragraaf van dit artikel. Deze waarborg die in elk geval beperkt blijft tot de hoofdsom zal evenwel 80 pct. van het bedrag van het te dekken risico niet mogen overtreffen. De uitgaven die uit voormelde waarborg voortvloeien zullen aangerekend worden naargelang van het geval, hetzij op de nationale begrotingen, hetzij op de regionale begrotingen. Een overeenkomst zal voor elk geval worden opgesteld tussen de twee hogergenoemDe ministers en de betrokken vennootschappen.

naargelang van het geval, hetzij op de nationale begrotingen, hetzij op de regionale begrotingen. Een overeenkomst zal voor elk geval worden opgesteld tussen de drie hogergenoemde ministers en de betrokken vennootschappen.

Art. 18

De minister van Economische Zaken en Energie en de minister van Financiën dienen ieder jaar bij de Wetgevende Kamers een verslag in over de toepassing van deze wet.

De minister van Economische Zaken, de minister van Financiën en de minister van Begroting dienen ieder jaar bij de Wetgevende

Kamers een verslag in over de toepassing van deze wet.

Wet van 11 augustus 1987 houdende waarborg van werken uit edele metalen

Art. 3bis

De in artikel 3, eerste lid, bedoelde erkenning als keuringsinstelling wordt verleend op voorwaarde dat de instelling geaccrediteerd is voor de sector van de edele metalen met toepassing van artikel 2. van de wet van 20 juli betreffende de accreditatie van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling of beschikt over een accreditatie die als gelijkwaardig wordt beschouwd met toepassing van artikel 11 van het koninklijk besluit van 31 januari 2006 tot oprichting van het BELAC accreditatiesysteem van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling.

De in artikel 3, eerste lid, bedoelde erkenning als keuringsinstelling wordt verleend op voorwaarde dat de instelling geaccrediteerd is voor de sector van de edele metalen met toepassing van artikel VIII.30 van het Wetboek van economisch recht of beschikt over een accreditatie die als gelijkwaardig wordt beschouwd met toepassing van artikel 11 van het koninklijk besluit van 31 januari 2006 tot oprichting van het BELAC accreditatiesysteem van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling.

(…) (…)

Art. 15

§ 1. Iedere fabrikant van werken uit edel metaal is verplicht bij het waarborgkantoor bij de Koninklijke Munt van België, waar hij het bewijs zal voorleggen van zijn identiteit en van zijn inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen, een afdruk neer te leggen van zijn stempel-handtekening op een daartoe bestemde koperen plaat, alsmede drie reproducties van die afdruk.

§ 1. Iedere fabrikant van werken uit edel metaal is verplicht bij het waarborgkantoor bij de Koninklijke Munt van België, waar hij het bewijs zal voorleggen van zijn identiteit en van zijn inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen, een afdruk neer te leggen van zijn stempel-handtekening op een koperen plaat, waarop de stempelhandtekening driemaal afgedrukt is.

(…) (…)

Art. 17

Iedere persoon die geen onderdaan is van een Lid-Staat van de Europese Economische Gemeenschap moet bij het neerleggen van het Iedere persoon die geen onderdaan is van een

Lid-Staat van de Europese Unie moet bij het neerleggen van het merk van zijn stempelmerk van zijn stempel-handtekening een door de Koning bepaalde borgsom storten.

handtekening een door de Koning bepaalde borgsom storten.

Art. 21

Onverminderd de toepassing van strengere bepalingen, inzonderheid van de artikelen 184 en 498 van het Strafwetboek, wordt hij die de bepalingen van deze wet overtreedt, gestraft met en administratieve of strafrechtelijke geldboete van 50 EUR tot 5.000 EUR.

Onverminderd de toepassing van strengere bepalingen, inzonderheid van de artikelen 427,

445 en 482 van het Strafwetboek, wordt hij die de bepalingen van deze wet overtreedt, gestraft met een administratieve geldboete van 400 tot

40.000 euro of een straf van niveau 1 bedoeld in de artikelen 36 en 38 van het Strafwetboek, waarbij in afwijking van deze artikelen, de maximale geldboete 40.000 euro bedraagt.

In geval van herhaling kan een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden worden opgelegd en wordt steeds het verbod uitgesproken om werken te waarborgen door het aanbrengen van een stempel-handtekening.

In geval van herhaling kan een straf van niveau

2 worden opgelegd en wordt steeds het verbod uitgesproken om werken te waarborgen door het aanbrengen van een stempel-handtekening.

(…) (…)

Art. 22

Het te koop bieden van produkten met een nagemaakte stempel-handtekening wordt gestraft met hetzij een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van 26 EUR tot 2.000 EUR, of met één van die straffen alleen , hetzij een administratieve geldboete van 26 tot 2.000 EUR.

Het te koop bieden van produkten met een nagemaakte stempel-handtekening wordt gestraft met hetzij een straf van niveau 1, hetzij een administratieve geldboete van 200 tot

16.000 euro.

Art. 24

Boek I van het Strafwetboek, hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, is van toepassing op de in deze wet bepaalde overtredingen.

Opgeheven

Wet van 17 december 1998 tot oprichting van een beschermingsfonds voor deposito's en financiële instrumenten en tot reorganisatie van de beschermingsregelingen voor deposito's en financiële instrumenten

Art. 13 (…) (…)

Overtredingen van dit artikel worden bestraft met de straffen bedoeld in artikel 458 van het Strafwetboek.

Overtredingen van dit artikel worden bestraft met de straffen bedoeld in artikel 352 van het Strafwetboek.

De voorschriften van Boek van het Strafwetboek, hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn van toepassing op elke overtreding van dit artikel.

De voorschriften van Boek van het

Strafwetboek, met inbegrip van de artikelen 19 en 36, zijn van toepassing op elke overtreding van dit artikel.

Wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten

Art. 2

Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder : Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :

(…) (…)

87° duurzaamheidsinformatie: de informatie over duurzaamheidsaspecten die de vennootschappen moeten publiceren overeenkomstig de artikelen 3:6/3, 3:6/4 of 3:6/5, naargelang het geval, 3:6/8 en 3:6/9 of 3:32/2, 3:32/3 et 3:32/6 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, of overeenkomstig de bepalingen van hun nationale wetgeving tot omzetting van de artikelen 19bis, 29bis en 29quinquies van Richtlijn 2013/34/EU;

87° duurzaamheidsinformatie: de informatie over duurzaamheidsaspecten die de vennootschappen moeten publiceren overeenkomstig de artikelen 3:6/3 en 3:6/8 of

3:32/2 en 3:32/6 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, naargelang het geval, of overeenkomstig de bepalingen van hun nationale wetgeving tot omzetting van de artikelen 19bis, 29bis en 29quinquies van Richtlijn 2013/34/EU;

(…) (…)

Art. 74

De FSMA, de voorzitter van het directiecomité, de leden van het directiecomité, de leden van de raad van toezicht, de leden van de sanctiecommissie en de personeelsleden van de FSMA, alsook de personen die de voornoemde functies voorheen hebben uitgeoefend, zijn gebonden door het beroepsgeheim en mogen de vertrouwelijke informatie waarvan zij kennis hebben gekregen bij de uitoefening van hun taken, niet onthullen, aan welke persoon of autoriteit ook.

De FSMA, de voorzitter van het directiecomité, de leden van het directiecomité, de leden van de raad van toezicht, de leden van de sanctiecommissie en de personeelsleden van de FSMA, alsook de personen die de voornoemde functies voorheen hebben uitgeoefend, zijn gebonden door het beroepsgeheim en mogen de vertrouwelijke informatie waarvan zij kennis hebben gekregen bij de uitoefening van hun taken, niet onthullen, aan welke persoon of autoriteit ook. Onverminderd het eerste lid, en onverminderd de toepassing van meer restrictieve bepalingen van het recht van de Europese Unie die rechtstreeks van toepassing zijn mag de FSMA vertrouwelijke informatie meedelen:

Onverminderd het eerste lid, en onverminderd de toepassing van meer restrictieve bepalingen van het recht van de Europese Unie die rechtstreeks van toepassing zijn mag de FSMA vertrouwelijke informatie meedelen: 1° ingeval de mededeling van dergelijke informatie wordt voorgeschreven of toegestaan door of krachtens deze wet en de wetten die de opdrachten van de FSMA regelen;

1° ingeval de mededeling van dergelijke informatie wordt voorgeschreven of toegestaan door of krachtens deze wet en de wetten die de opdrachten van de FSMA regelen;

2° tijdens een getuigenis in rechte in strafzaken; 2° tijdens een getuigenis in rechte in strafzaken;

3° voor de aangifte van strafrechtelijke misdrijven bij de gerechtelijke autoriteiten, met dien verstande dat artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering niet van toepassing is op de personen bedoeld in het eerste lid;

3° voor de aangifte van strafrechtelijke misdrijven bij de gerechtelijke autoriteiten, met dien verstande dat artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering niet van toepassing is op de personen bedoeld in het eerste lid; 4° in het kader van administratieve of gerechtelijke beroepsprocedures tegen de handelingen of beslissingen van de FSMA en in elk ander rechtsgeding waarbij de FSMA partij is;

4° in het kader van administratieve of gerechtelijke beroepsprocedures tegen de handelingen of beslissingen van de FSMA en in elk ander rechtsgeding waarbij de FSMA partij is; 5° in beknopte of samengevoegde vorm zodat individuele natuurlijke of rechtspersonen niet kunnen worden geïdentificeerd.

5° in beknopte of samengevoegde vorm zodat individuele natuurlijke of rechtspersonen niet kunnen worden geïdentificeerd. De FSMA kan de beslissing om bij de gerechtelijke overheden aangifte te doen van strafrechtelijke misdrijven, openbaar maken.

De FSMA kan de beslissing om bij de gerechtelijke overheden aangifte te doen van strafrechtelijke misdrijven, openbaar maken.

Naast de getuigenissen voor de vonnisgerechten, kan de in het tweede lid, 2°, bedoelde getuigenis in rechte in strafzaken worden afgelegd op basis van een vordering van een onderzoeksrechter. Daarnaast kunnen de procureur des Konings en de federale procureur bij het opsporen van misdrijven wanneer er ernstige aanwijzingen zijn dat deze een straf van niveau 2 of een zwaardere straf tot gevolg kunnen hebben, bij een specifiek, met redenen omkleed en schriftelijk verzoek bij de FSMA, vertrouwelijke informatie die zij heeft ontvangen in het kader van de uitvoering van haar in artikel 45, §1 bedoelde opdrachten opvragen. In zijn verzoek omschrijft de procureur des Konings of de federale procureur nauwkeurig de inlichtingen die hij opvraagt en de vorm waarin deze hem worden meegedeeld.

Art. 75

1. In afwijking van artikel 74, eerste lid, en binnen de grenzen van het recht van de Europese Unie mag de FSMA vertrouwelijke informatie meedelen:

правок: 1

1. In afwijking van artikel 74, eerste lid, en binnen de grenzen van het recht van de Europese Unie mag de FSMA vertrouwelijke informatie meedelen:

правок: 1

(…) (…)

12° aan het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren en aan de autoriteiten van lidstaten of derde landen die toezicht houden op de personen die belast zijn met de wettelijke controle op de jaarrekening van de ondernemingen die onder het toezicht van de FSMA staan;

12° aan het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren en aan de autoriteiten van lidstaten of derde landen die toezicht houden op de personen die belast zijn met de wettelijke controle op de jaarrekening van de ondernemingen die onder het toezicht van de FSMA staan, andere financiële instellingen naar Belgisch recht of soortgelijke instellingen naar buitenlands recht”;

(…) (…)

29° aan de autoriteiten of instellingen van lidstaten of derde landen die belast zijn met de vereffenings- of faillissementsprocedures of met soortgelijke procedures, met betrekking tot ondernemingen die onder het toezicht van de FSMA staan of waarvan de verrichtingen onder haar toezicht staan, of die zijn belast met het toezicht op de instellingen die betrokken zijn bij dergelijke procedures. § 2. De FSMA mag enkel vertrouwelijke informatie overeenkomstig § 1 meedelen op voorwaarde dat de autoriteiten of instellingen die er de geadresseerde van zijn, die informatie gebruiken voor de uitvoering van hun opdrachten, en dat zij, wat die informatie betreft, aan een gelijkwaardig beroepsgeheim gebonden zijn als bedoeld in artikel 74. Bovendien mag de volgende informatie enkel met de uitdrukkelijke instemming van de autoriteit van wie ze afkomstig is worden doorgegeven en, in voorkomend geval, enkel voor de doeleinden waarmee die autoriteit heeft ingestemd:

§ 2. De FSMA mag enkel vertrouwelijke informatie overeenkomstig § 1 meedelen op voorwaarde dat de autoriteiten of instellingen die er de geadresseerde van zijn, die informatie gebruiken voor de uitvoering van hun opdrachten, en dat zij, wat die informatie betreft, aan een gelijkwaardig beroepsgeheim gebonden zijn als bedoeld in artikel 74. Bovendien mag de volgende informatie enkel met de uitdrukkelijke instemming van de autoriteit van wie ze afkomstig is worden doorgegeven en, in voorkomend geval, enkel voor de doeleinden waarmee die autoriteit heeft ingestemd: 1° de informatie afkomstig van een autoriteit van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, in de gevallen als bedoeld in 7°, 9°, 10°, 12°, en 17 van § 1;

1° de informatie afkomstig van een autoriteit van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, in de gevallen als bedoeld in 7°, 9°, 10°, 12°, en 17 van § 1; 2° de informatie afkomstig van een autoriteit van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte en doorgegeven aan de autoriteiten of organismen van derde Staten in de gevallen als bedoeld in de bepalingen onder 4° en 13° van § 1;

2° de informatie afkomstig van een autoriteit van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte en doorgegeven aan de autoriteiten of organismen van derde Staten in de gevallen als bedoeld in de bepalingen onder 4° en 13° van § 1; 3° de informatie doorgegeven door de FSMA in het kader van haar bevoegdheden, als bedoeld in artikel 45, § 1, eerste lid, 2°, g), afkomstig van autoriteiten en personen bedoeld in 3°, 9°, 10°, 12° en 17°, in de gevallen bedoeld in 1bis, 13° en 19° van paragraaf 1. Bovendien mag de FSMA informatie welke is verkregen naar aanleiding van een verificatie ter plaatse in een andere lidstaat in het kader van haar bevoegdheden als bedoeld in artikel 45, § 1, eerste lid, 2°, g),, alleen worden doorgegeven met de uitdrukkelijke instemming van de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de verificatie ter plaatse is verricht en, in voorkomend geval, enkel voor de doeleinden waarmee die autoriteit heeft ingestemd.

3° de informatie doorgegeven door de FSMA in het kader van haar bevoegdheden, als bedoeld in artikel 45, § 1, eerste lid, 2°, g), afkomstig van autoriteiten en personen bedoeld in 3°, 9°, 10°, 12° en 17°, in de gevallen bedoeld in 1bis, 13° en 19° van paragraaf 1. Bovendien mag de FSMA informatie welke is verkregen naar aanleiding van een verificatie ter plaatse in een andere lidstaat in het kader van haar bevoegdheden als bedoeld in artikel 45, § 1, eerste lid, 2°, g),, alleen worden doorgegeven met de uitdrukkelijke instemming van de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de verificatie ter plaatse is verricht en, in voorkomend geval, enkel voor de doeleinden waarmee die autoriteit heeft ingestemd.

In alle gevallen waarin zij vertrouwelijke informatie meedeelt met toepassing van paragraaf 1, kan de FSMA bepalen hoe de informatie moet worden behandelen en verduidelijken dat die informatie uitsluitend openbaar mag worden gemaakt met haar uitdrukkelijke toestemming of voor de doelstellingen waarmee zij heeft ingestemd.

De vertrouwelijke informatie die de FSMA bij de uitoefening van haar toezichtsbevoegdheden op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies als bedoeld in artikel 45, § 1, eerste lid, 2°, meedeelt aan andere personen of instellingen dan die waarvan sprake is in paragraaf 1, 1°bis of 3°, mag uitsluitend worden doorgegeven met haar uitdrukkelijke toestemming en, in voorkomend geval, uitsluitend voor de doelstellingen waarmee zij heeft ingestemd.

§ 3. De FSMA mag de vertrouwelijke informatie als bedoeld in artikel 74, eerste lid, of de vertrouwelijke informatie die zij van de in § 1 bedoelde autoriteiten en instellingen heeft ontvangen, gebruiken voor de uitvoering van al haar wettelijke opdrachten.

§ 3. De FSMA mag de vertrouwelijke informatie als bedoeld in artikel 74, eerste lid, of de vertrouwelijke informatie die zij van de in § 1 bedoelde autoriteiten en instellingen heeft ontvangen, gebruiken voor de uitvoering van al haar wettelijke opdrachten. De FSMA moet zich daarbij houden aan de eventuele beperkingen of restricties die haar door een autoriteit zouden worden meegedeeld met betrekking tot de mogelijkheid om de aldus ontvangen informatie te gebruiken en/of mee te delen.

(…) (…)

Art. 77

Onverminderd de artikelen 74 tot 76 en de bepalingen in bijzondere wetten of Europese verordeningen werkt de FSMA samen met de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte en van derde Staten die één of meer bevoegdheden uitoefenen die vergelijkbaar zijn met deze bedoeld in artikel 45, alsook met de ESMA, de EBA , de EIOPA en het Europees Comité voor systeemrisico's binnen de grenzen van de Europese verordeningen en richtlijnen. Als zij samenwerkingsovereenkomsten afsluit met andere bevoegde autoriteiten, stelt zij de ESMA, de EBA en de EIOPA, naargelang het geval, hiervan in kennis.

Onverminderd de artikelen 74 tot 76 en de bepalingen in bijzondere wetten of Europese verordeningen werkt de FSMA samen met de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte en van derde Staten die één of meer bevoegdheden uitoefenen die vergelijkbaar zijn met deze bedoeld in artikel 45, alsook met de ESMA, de EBA , de EIOPA en het Europees Comité voor systeemrisico's binnen de grenzen van de Europese verordeningen en richtlijnen. Als zij samenwerkingsovereenkomsten afsluit met andere bevoegde autoriteiten, stelt zij de ESMA, de EBA en de EIOPA, naargelang het geval, hiervan in kennis.

Zo ook werkt de FSMA, voor de toepassing van Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees

Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen

2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU, samen met de bevoegde autoriteiten, als partijen bij het Europees

Systeem voor financieel toezicht, met vertrouwen en met het volste wederzijdse respect, met name door te zorgen voor een gepaste, betrouwbare en uitputtende uitwisseling van informatie tussen haar en de andere partijen bij het Europees Systeem voor financieel toezicht. Voor doeleinden van de samenwerking met de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte en van derde Staten en met de ESMA, de EBA, de EIOPA en het Europees Comité voor systeemrisico's, beschikt de FSMA over de bevoegdheden die haar bij wet of krachtens een wet zijn toegekend, zelfs indien de betreffende handelingen of praktijken geen schending van de Belgische regelgeving inhouden.

Voor doeleinden van de samenwerking met de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte en van derde Staten en met de ESMA, de EBA, de EIOPA en het Europees Comité voor systeemrisico's, beschikt de FSMA over de bevoegdheden die haar bij wet of krachtens een wet zijn toegekend, zelfs indien de betreffende handelingen of praktijken geen schending van de Belgische regelgeving inhouden.

Art. 128/2

De dienst voor bemiddeling in financiële aangelegenheden heeft de volgende opdrachten:

De dienst voor bemiddeling in financiële aangelegenheden heeft de volgende opdrachten:

1° klachten behandelen over een geschil tussen de klager en een financiële instelling, door middel van bemiddeling of door de verstrekking van een advies om het geschil op te lossen.

1° klachten behandelen over een geschil tussen de klager en een financiële instelling, door middel van bemiddeling of door de verstrekking van een advies om het geschil op te lossen. De klachten kunnen worden ingediend door elke consument, elke rechtspersoon die een belangeloos doel nastreeft, of elke vennootschap, die belang heeft bij de oplossing van een geschil met een financiële instelling dat is ontstaan in het kader van de uitoefening van haar activiteiten in verband met haar gereglementeerd statuut als bedoeld in artikel 128/1, § 2.

De klachten kunnen worden ingediend door elke consument, elke rechtspersoon die een belangeloos doel nastreeft, of elke onderneming in de zin van artikel I. 19, 6° van het Wetboek van economisch recht, die belang heeft bij de oplossing van een geschil met een financiële instelling dat is ontstaan in het kader van de uitoefening van haar activiteiten in verband met haar gereglementeerd statuut als bedoeld in artikel 128/1, § 2.

(…) (…)

Wet van 28 december 2011 op het Afwikkelingsfonds

Art. 4 (…) (…)

Overtredingen van dit artikel worden bestraft met de straffen bedoeld in artikel 458 van het Strafwetboek.

Overtredingen van dit artikel worden bestraft met de straffen bedoeld in artikel 352 van het Strafwetboek.

De voorschriften van Boek van het Strafwetboek, hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn van toepassing op elke overtreding van dit artikel.

De voorschriften van Boek van het

Strafwetboek, met inbegrip van de artikelen 19 en 36, zijn van toepassing op elke overtreding van dit artikel.

Wet van 17 juli 2013 betreffende de bescherming tegen valsemunterij en de handhaving van de kwaliteit van de geldomloop

Art. 3 (…) (…)

3° "vermoedelijk geneutraliseerde biljetten": de eurobiljetten waarvan men voldoende redenen heeft om te veronderstellen dat zij onbruikbaar gemaakt zijn ingevolge de inwerkingstelling van een neutralisatiesysteem zoals bedoeld in artikel 5, § 2, van het koninklijk besluit van 7 april 2003 houdende regeling van bepaalde methodes bij het toezicht op en de bescherming bij het vervoer van waarden en betreffende de technische kenmerken van de voertuigen voor waardevervoer".

3° "vermoedelijk geneutraliseerde biljetten": de eurobiljetten waarvan men voldoende redenen heeft om te veronderstellen dat zij onbruikbaar gemaakt zijn ingevolge de inwerkingstelling van een neutralisatiesysteem zoals bedoeld in artikel 5, §2, van het koninklijk besluit van 20 mei 2022 houdende regeling van bepaalde methodes bij het toezicht op en de bescherming bij het vervoer van waarden en betreffende de technische kenmerken van de voertuigen voor waardevervoer.

Art. 8 (…) (…)

De geldboete wordt geïnd ten gunste van de Schatkist door de Administratie van de btw, registratie en domeinen.

De geldboete wordt geïnd ten gunste van de

Schatkist door de administratie van de Federale

Overheidsdienst Financiën die belast is met de inning en invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, overeenkomstig de artikelen 3 en volgende van de domeinwet van 22 december 1949.

Wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders

Art. 322

§ 2/1. De ombudsdienst inzake verzekeringen stelt zijn procedurereglement vast conform de bepalingen van Titel 4 van Boek XVI van het Wetboek van Economisch Recht.

§ 2/1. De ombudsdienst inzake verzekeringen stelt zijn procedurereglement vast conform de bepalingen van Titel 4 van Boek XVI van het Wetboek van Economisch Recht.

Met uitzondering van geschillen met Datassur, waarvoor de ombudsdienst inzake verzekeringen optreedt als beroepsinstantie, mogen enkel de motieven voor weigering bedoeld in artikel XVI.25, § 1, 7°, b) tot h), van het Wetboek van economisch recht door de dienst voor bemiddeling in financiële

Met uitzondering van geschillen met Datassur, waarvoor de ombudsdienst inzake verzekeringen optreedt als beroepsinstantie, mogen enkel de motieven voor weigering bedoeld in artikel XVI.25, § 1, 7°, b) tot h), van het Wetboek van economisch recht door de aangelegenheden in zijn procedurereglement bepaald worden.

ombudsdienst inzake verzekeringen in zijn procedurereglement bepaald worden.

Wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders

Art. 336

Onverminderd de artikelen 291 en 305 is dit deel van toepassing met betrekking tot:

Onverminderd de artikelen 291 en 305 is dit deel van toepassing met betrekking tot: 1° de bepalingen van deel I, deel II, boeken I en I/1 van deel III, deel IV, deel VIII en deel IX alsook de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen;

1° de bepalingen van deel I, deel II, boeken I en

I/1 van deel III, deel IV, deel V, deel VIII en deel

IX alsook de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen; (…) (…)

Art. 339

De AICB's leggen de FSMA periodiek een gedetailleerde financiële staat voor. Die staat wordt opgemaakt overeenkomstig de regels vastgesteld bij een conform artikel 64 van de wet van 2 augustus 2002 genomen reglement van de FSMA dat de rapporteringsinhoud, -frequentie en -wijze bepaalt. Bovendien kan de FSMA voorschrijven dat haar geregeld andere cijfergegevens of uitleg wordt verstrekt om te kunnen nagaan of de voorschriften als bedoeld in artikel 336 zijn nageleefd.

De openbare AICB's leggen de FSMA periodiek een gedetailleerde financiële staat voor. De

FSMA kan bij een conform artikel 64 van de wet van 2 augustus 2002 genomen reglement deze rapporteringsverplichting uitbreiden tot alle of een deel van de niet-openbare AICB’s en van de in artikel 281, tweede lid bedoelde entiteiten. Die staat wordt opgemaakt overeenkomstig de regels vastgesteld bij een conform artikel 64 van de wet van 2 augustus 2002 genomen reglement van de FSMA dat de rapporteringsinhoud, frequentie en -wijze bepaalt. Bovendien kan de FSMA voorschrijven dat haar geregeld andere cijfergegevens of uitleg wordt verstrekt om te kunnen nagaan of de voorschriften als bedoeld in artikel 336 zijn nageleefd.

(...) (...)

Wet van 25 oktober 2016 houdende oprichting van het Federaal Agentschap van de Schuld en opheffing van het Rentefonds

Art. 3 (…) (…)

§3. In het kader van de opdrachten bepaald in paragrafen 1 en 2, draagt het Agentschap bij aan het voorkomen van het witwassen van geld, van de financiering van terrorisme en van fiscale fraude.

Het Agentschap kan, om bij te dragen aan het voorkomen van het witwassen van geld, van de financiering van terrorisme en van fiscale fraude:

1° de personen identificeren waarmee zij een concrete zakelijke of professionele relatie onderhoudt of overweegt en hun identiteit verifiëren;

2° de lasthebber(s) identificeren van de in 1° bedoelde personen en hun identiteit en bevoegdheid om op te treden in naam van die personen verifiëren;

3° de uiteindelijke begunstigde(n) identificeren van de personen bedoeld in 1°;

4° de kenmerken van de in 1° bedoelde personen en het doel en de beoogde aard van de zakelijke of professionele relatie of occasionele verrichting beoordelen en analyseren en daartoe in voorkomend geval bijkomende informatie inwinnen;

5° occasionele verrichtingen en verrichtingen die gedurende een zakelijke of professionele relatie worden uitgevoerd, analyseren;

6° meldingen verrichten aan de CFI, wanneer het Agentschap weet, vermoedt of redelijke gronden heeft om te vermoeden dat geldmiddelen, verrichtingen of pogingen tot verrichtingen, of andere feiten waarvan het kennis heeft, verband houden met het witwassen van geld of de financiering van terrorisme, en gevolg geven aan de verzoeken tot bijkomende inlichtingen van de CFI; 7° meldingen verrichten aan de FOD Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, wanneer het Agentschap weet, vermoedt of redelijke gronden heeft om te vermoeden dat geldmiddelen, verrichtingen of pogingen tot verrichtingen, of andere feiten waarvan het kennis heeft, verband houden met fiscale fraude, en gevolg geven aan de verzoeken tot bijkomende inlichtingen van de Algemene

Administratie van de Fiscaliteit;

8° een zakelijke relatie, professionele relatie of verrichting weigeren of schorsen wanneer het Agentschap weet, vermoedt of redelijke gronden heeft om te vermoeden dat geldmiddelen, verrichtingen of pogingen tot verrichtingen, of andere feiten waarvan het kennis heeft, verband houden met het witwassen van geld, de financiering van terrorisme of fiscale fraude.

Het

Agentschap, zijn bestuurders, personeelsleden en lasthebbers, delen niet mee aan de betrokken personen dat informatie of inlichtingen zijn, zullen worden of werden verstrekt aan de CFI of de Algemene

Administratie van de Fiscaliteit, of dat een analyse naar het witwassen van geld, de financiering van terrorisme of fiscale fraude aan de gang is of zou kunnen worden geopend.

De verstrekking te goeder trouw van informatie aan de CFI of de Algemene Administratie van de Fiscaliteit door het Agentschap, zijn bestuurders, personeelsleden of lasthebbers, vormt geen inbreuk op ongeacht welke op grond van een contract of van een wettelijke, reglementaire of bestuursrechtelijke bepaling opgelegde beperking inzake de openbaarmaking van informatie en leidt voor het Agentschap, zijn bestuurders, personeelsleden of lasthebbers, tot geen enkele vorm van aansprakelijkheid op burgerrechtelijk, strafrechtelijk en tuchtrechtelijk vlak, noch tot nadelig of discriminatoir optreden van de werkgever, zelfs indien deze niet precies op de hoogte waren van de onderliggende criminele activiteit, en ongeacht of enige illegale activiteit daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.”.

Art. 9/1

§ 1.

Het

Agentschap verwerkt persoonsgegevens zoals bedoeld in artikel 4, 1) van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG.

Het

Agentschap verwerkt de volgende categorieën van persoonsgegevens, met het oog op het vervullen van de volgende opdrachten, zoals bedoeld in artikel 3, §1:

1° de financiële verrichtingen uitvoeren verbonden aan de uitgifte van alle soorten leningen: met betrekking tot de personen, hun lasthebbers en hun uiteindelijke begunstigden, die optreden, of concreet overwegen om op te treden, als tegenpartij van het Agentschap met betrekking tot deze leningen, en met betrekking tot de natuurlijke personen die in naam en voor rekening van deze personen deze leningen goedkeuren :

a) de naam en voornaam;

b) de geboortedatum en -plaats;

c) de nationaliteit;

d) het geslacht;

e) het rijksregisternummer;

f) het adres, telefoonnummer en e-mailadres;

g) de handtekening;

h) de kopie van de identiteitskaart, i) het bankrekeningnummer en de naam van de bankrekeninghouder; en j) de financiële transacties met het Agentschap.

2° tussenkomen op de markt van de afgeleide producten: met betrekking tot de personen, hun lasthebbers en hun uiteindelijke begunstigden, die optreden, of concreet overwegen om op te treden, als tegenpartij van het Agentschap met betrekking tot deze afgeleide producten, en met betrekking tot de natuurlijke personen die in naam en voor rekening van deze personen deze afgeleide producten goedkeuren :

a) de naam en voornaam;

b) de geboortedatum en -plaats;

c) de nationaliteit;

d) het geslacht;

e) het rijksregisternummer;

f) het adres, telefoonnummer en e-mailadres;

g) de handtekening;

h) de kopie van de identiteitskaart, i) het bankrekeningnummer en de naam van de bankrekeninghouder; en j) de financiële transacties met het Agentschap.

Het

Agentschap verwerkt de volgende categorieën van persoonsgegevens, met het oog op het vervullen van de opdracht zoals bedoeld in artikel 3, §2:

1° met betrekking tot de personen, hun lasthebbers en hun uiteindelijke begunstigden, die optreden, of concreet overwegen om op te treden, als tegenpartij van het Agentschap of van Hedera met betrekking tot het beheer van de financiële activa van Hedera, en met betrekking tot de natuurlijke personen die in naam en voor rekening van deze personen transacties met betrekking tot deze financiële activa goedkeuren:

a) de naam en voornaam;

b) de geboortedatum en -plaats;

c) de nationaliteit;

d) het geslacht;

e) het rijksregisternummer;

f) het adres, telefoonnummer en e-mailadres;

g) de handtekening;

h) de kopie van de identiteitskaart, i) het bankrekeningnummer en de naam van de bankrekeninghouder; en j) de financiële transacties met het Agentschap of Hedera.

Het

Agentschap verwerkt de volgende categorieën van persoonsgegevens, met het oog op het vervullen van de opdrachten zoals bedoeld in artikel 3, §3, tweede lid, 1° tot 8° en met het oog op het respecteren van de bindende bepalingen inzake financiële embargo’s als gedefinieerd in artikel 4, 6°, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten:

1° met betrekking tot de personen, hun lasthebbers en hun uiteindelijke begunstigden, die optreden, of concreet overwegen om op te treden, als tegenpartij van het Agentschap of van Hedera, en met betrekking tot de natuurlijke personen die in naam en voor rekening van deze personen transacties met het

Agentschap of Hedera goedkeuren:

a) de naam en voornaam;

b) de geboortedatum en -plaats;

c) de nationaliteit;

d) het geslacht;

e) het rijksregisternummer;

f) het adres, telefoonnummer en e-mailadres;

g) de handtekening;

h) de kopie van de identiteitskaart, i) het bankrekeningnummer en de naam van de bankrekeninghouder;

j) de financiële transacties met het Agentschap of Hedera;

k) de gegevens met betrekking tot vermoedens en interne analyse; en l) de gegevens met betrekking tot de meldingen aan de CFI en de Algemene Administratie van de Fiscaliteit. § 2.

Het

Agentschap is de verwerkingsverantwoordelijke van de persoonsgegevens die zij krachtens deze wet verzamelt voor de in paragraaf 1 bedoelde doeleinden.

§3. De persoonsgegevens waarvan sprake in paragraaf 1 worden bewaard gedurende maximum tien jaar vanaf het einde van de zakelijke of professionele relatie of vanaf de datum van de occasionele verrichting.

In het geval van een gerechtelijke procedure wordt de in het tweede lid bedoelde maximale bewaartermijn van tien jaar verlengd, in voorkomend geval, tot de definitieve beëindiging van die procedure. § 4. Het Agentschap kan, voor de in artikel 3, §3, tweede lid, 1° tot 8° bedoelde doeleinden, informatie inzake de persoonsgegevens vermeld in paragraaf 1, vierde lid, uitwisselen met: de diensten van de FOD Financiën, andere federale overheidsdiensten (met inbegrip van de FOD Justitie in het kader van gerechtelijke onderzoeken en gerechtelijke procedures), de administratieve diensten van de Staat, de

FSMA, de Nationale Bank van België, de uitbater van de 679-rekeningen, de Cel voor Financiële Informatieverwerking, de entiteiten onderworpen aan de wet van 18 september

2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, en elke andere persoon die wettelijk gemachtigd is om deze gegevens te ontvangen van het Agentschap.

§ 5. Naast de uitzonderingen als bedoeld in de artikelen 14, lid 5, onder c) en d), 17, lid 3, onder b), 18, lid 2, en 20, lid 3, van Verordening (EU)

2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van

Richtlijn

95/46/EG wordt, teneinde de doelstellingen te waarborgen van artikel 23, lid

1, onder d) en e), van de voornoemde verordening, de uitoefening van de rechten als bedoeld in de artikelen 12 (transparante informatie, communicatie en nadere regels voor de uitoefening van de rechten van de betrokkene), 13 (te verstrekken informatie wanneer persoonsgegevens bij de betrokkene worden verzameld), 15 (recht van inzage), 16 (recht op rectificatie), 19 (kennisgevingsplicht inzake rectificatie of wissing van persoonsgegevens of verwerkingsbeperking), 21 (recht van bezwaar), 22 (recht inzake profilering) en 34 (mededeling van een inbreuk in verband met persoonsgegevens aan de betrokkene) van deze verordening beperkt voor verwerkingen van persoonsgegevens zoals bedoeld in artikel 4, 1) van dezelfde verordening, die worden uitgevoerd, voor de in artikel 3, §3, tweede lid, 1° tot 8°bedoelde doeleinden, door het

Agentschap als verwerkingsverantwoordelijke die belast is met een taak van algemeen belang, teneinde :

1° het Agentschap in staat te stellen om bij te dragen aan het voorkomen van het witwassen van geld, van de financiering van terrorisme en van fiscale fraude en om de bindende bepalingen inzake financiële embargo’s te respecteren; of

2° ervoor te zorgen dat het voorkomen, opsporen en onderzoeken van het witwassen van geld, de financiering van terrorisme en fiscale fraude niet in gevaar worden gebracht, en het belemmeren van officiële of gerechtelijke informatieverzoeken, analyses, onderzoeken of procedures te voorkomen.

In afwijking van paragraaf 5, eerste lid, heeft de betrokken persoon steeds het recht om geïnformeerd te worden over de beperking van zijn rechten.

Voorgenoemde rechten worden louter beperkt voor zover en voor zo lang de uitoefening van die rechten afbreuk zou doen aan voorgenoemde legitieme doeleinden. In elk geval wordt de beperking opgeheven na het definitief afsluiten van een onderzoek dat niet gegrond blijkt te zijn en na het definitief afsluiten van een juridische procedure inzake het witwassen van gelden, de financiering van terrorisme of fiscale fraude.

De beperking van voorgenoemde rechten heeft louter betrekking op de persoonsgegevens zoals vermeld in paragraaf 1, vierde lid.

Bovendien heeft de beperking louter betrekking op de persoonsgegevens die noodzakelijk zijn om de voorgenoemde legitieme doeleinden te verwezenlijken. De beperking heeft minstens betrekking op de volgende categorieën van persoonsgegevens:

1° de gegevens met betrekking tot vermoedens en interne analyse; en 2° de gegevens met betrekking tot de meldingen aan de CFI en de Algemene

Administratie van de Fiscaliteit.

Het Agentschap voorziet de nodige waarborgen om misbruiken te voorkomen.

Deze waarborgen omvatten minstens de volgende maatregelen:

1° het Agentschap informeert de betrokken personen over de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit; 2° de menselijke controle van resultaten;

3° de hiërarchische controle;

4° het bestaan van de interne of externe audit.

Wet van 25 oktober 2016 betreffende de toegang tot het beleggingsdienstenbedrijf en betreffende het statuut van en het toezicht op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies

Art. 2

Voor de toepassing van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder:

Voor de toepassing van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder:

(…) (…)

52°/1 autoriteit die verantwoordelijk is voor het toezicht op de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering: een autoriteit die een of meer toezichtsbevoegdheden uitoefent ten aanzien van onderworpen entiteiten als bedoeld in artikel 2, lid 1, punt 1) en 2) van

Richtlijn 2015/849/EU met het oog op de naleving van de wet van 18 september 2017 of van de wetgeving van een andere lidstaat tot omzetting van deze Richtlijn;

(…) (…)

88°

“centrale tegenpartij” een centrale tegenpartij in de zin van artikel 2, punt 1), van Verordening nr. 648/2012, hierna ook “CTP”

genoemd;

89° “gekwalificeerde centrale tegenpartij”: een gekwalificeerde centrale tegenpartij zoals gedefinieerd in artikel 4, §1, punt 88), van Verordening (EU) nr. 575/2013 ;

(…) (…)

Art. 23

§ 1. De leden van het bestuursorgaan van de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, de personen belast met de effectieve leiding, in voorkomend geval de leden van het directiecomité, evenals de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties, zijn uitsluitend natuurlijke personen.

§ 1. De leden van het bestuursorgaan van de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, de personen belast met de effectieve leiding, in voorkomend geval de leden van het directiecomité, evenals de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties, zijn uitsluitend natuurlijke personen. De in het eerste lid bedoelde personen moeten permanent over de voor de uitoefening van hun functie vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken, en genoeg tijd besteden aan de vervulling van hun taken.

De in het eerste lid bedoelde personen moeten permanent over de voor de uitoefening van hun functie vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken, en genoeg tijd besteden aan de vervulling van hun taken. Het ontbreken van een strafrechtelijke veroordeling of van een lopende vervolging voor een strafbaar feit volstaat op zichzelf niet om te voldoen aan het vereiste om als betrouwbaar bekend te staan en eerlijk en integer te handelen. Teneinde na te gaan of is voldaan aan de vereisten waarin dit artikel voorziet, voldoen de gegevens die worden meegedeeld aan de FSMA, aan de technische reguleringsnormen die door de Europese Commissie zijn goedgekeurd. De leden van het bestuursorgaan beschikken gezamenlijk over voldoende kennis, De leden van het bestuursorgaan beschikken gezamenlijk over voldoende kennis, vaardigheden en ervaring om inzicht te hebben in de bedrijfsactiviteiten van de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, met inbegrip van de voornaamste risico's die zij loopt.

vaardigheden en ervaring om inzicht te hebben in de bedrijfsactiviteiten van de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, met inbegrip van de daaraan verbonden risico’s die zij loopt, en om de effecten die door de bedrijfsactiviteiten ontstaan op korte, middellange en lange termijn te begrijpen, rekening houdend met de ecologische, sociale en governancefactoren (ESG-factoren). Daartoe is de algemene samenstelling van deze organen voldoende gediversifieerd om een voldoende brede waaier van kenmerken, vaardigheden en ervaringen te weerspiegelen, en bevordert de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, evenredig en conform het diversiteitsbeleid bedoeld in artikel 25/2, § 5, tweede lid, 1°, tweede lid, de diversiteit en het genderevenwicht in deze organen.

De FSMA zal in het bijzonder nagaan of voldaan is aan de vereisten van het tweede en derde lid wanneer zij redelijke gronden heeft om te vermoeden dat er sprake is of is geweest van witwassen of terrorismefinanciering, of dat dit gepoogd wordt of werd, dan wel of er een verhoogd risico daarop bestaat in verband met de betrokken vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies. Met het oog op de naleving van dit lid, kan de FSMA de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering verzoeken om, in het kader van haar verificaties en in functie van haar beoordeling van de risico’s, relevante informatie te raadplegen over de personen als bedoeld in paragraaf 1, eerste lid. De FSMA kan ook verzoeken om toegang tot de centrale

AML/CFT-databank, bedoeld in Verordening

(EU) 2024/1620 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2024 tot oprichting van de Autoriteit voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 1094/2010 en (EU) nr. 1095/2010. De FSMA kan, bij reglement genomen ter uitvoering van de artikelen 49, § 3, en 64, van de wet van 2 augustus 2002, de minimale voorwaarden verduidelijken waaraan moet worden voldaan met betrekking tot het vereiste inzake de passende deskundigheid, inclusief de modaliteiten van de beoordelingsprocedure van dat vereiste.

De FSMA kan, bij reglement genomen ter uitvoering van de artikelen 49, § 3, en 64, van de wet van 2 augustus 2002, de minimale voorwaarden verduidelijken waaraan moet worden voldaan met betrekking tot het vereiste inzake de passende deskundigheid, inclusief de modaliteiten van de beoordelingsprocedure van dat vereiste.

(…) (…)

Art. 25

1. De vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies moeten beschikken over een solide en passende regeling voor de bedrijfsorganisatie, waaronder toezichtsmaatregelen, om een efficiënt, gezond en voorzichtig beleid van de vennootschap te garanderen en de integriteit van de markt en de belangen van de cliënten te bevorderen, die met name berust op:

правок: 1

1° een passende beleidsstructuur die op het hoogste niveau gebaseerd is op een duidelijk onderscheid tussen, enerzijds, de effectieve leiding van de vennootschap en, anderzijds, het toezicht op die leiding en die binnen de vennootschap voorziet in een passende functiescheiding en in een duidelijk omschreven, transparante en coherente regeling voor de toewijzing van verantwoordelijkheden;

1. De vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies moeten beschikken over een solide en passende regeling voor de bedrijfsorganisatie, waaronder toezichtsmaatregelen, om een efficiënt, gezond en voorzichtig beleid van de vennootschap te garanderen en de integriteit van de markt en de belangen van de cliënten te bevorderen, die met name berust op:

правок: 1

1° een passende beleidsstructuur die op het hoogste niveau gebaseerd is op een duidelijk onderscheid tussen, enerzijds, de effectieve leiding van de vennootschap en, anderzijds, het toezicht op die leiding en die binnen de vennootschap voorziet in een passende functiescheiding en in een duidelijk omschreven, transparante en coherente regeling voor de toewijzing van verantwoordelijkheden; 2° een passende administratieve en boekhoudkundige organisatie en interne controle, waarvan de werking minstens jaarlijks dient te worden beoordeeld, wat met name de organisatie van een controlesysteem impliceert dat een redelijke mate van zekerheid verschaft over de betrouwbaarheid van het financiële verslaggevingsproces, zodat de jaarrekening in overeenstemming is met de geldende boekhoudreglementering;

2° een passende administratieve en boekhoudkundige organisatie en interne controle, waarvan de werking minstens jaarlijks dient te worden beoordeeld, wat met name de organisatie van een controlesysteem impliceert dat een redelijke mate van zekerheid verschaft over de betrouwbaarheid van het financiële verslaggevingsproces, zodat de jaarrekening in overeenstemming is met de geldende boekhoudreglementering; 3° doeltreffende procedures voor de identificatie, de meting, het beheer en de opvolging van en de interne verslaggeving over de belangrijke risico's die de vennootschap mogelijk loopt, inclusief de voorkoming van belangenconflicten en, behalve voor de kleine niet-verweven vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, de voorkoming van de risico's die zij kan inhouden voor derden ;

3° doeltreffende procedures voor de identificatie, de meting, het beheer en de opvolging van en de interne verslaggeving over de belangrijke risico's die de vennootschap mogelijk loopt, waaronder het concentratierisico dat voortvloeit uit blootstellingen aan centrale tegenpartijen, rekening houdend met de voorwaarden van artikel 7 bis van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters, inclusief de voorkoming van belangenconflicten en, behalve voor de kleine niet-verweven vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, de voorkoming van de risico's die zij kan inhouden voor derden ;

4° een passende onafhankelijke interneauditfunctie, risicobeheerfunctie en compliancefunctie;

4° een passende onafhankelijke interneauditfunctie, risicobeheerfunctie en compliancefunctie; 5° een passend integriteitsbeleid, dat geregeld wordt geactualiseerd;

5° een passend integriteitsbeleid, dat geregeld wordt geactualiseerd; 6° een beloningsbeleid dat een gezond en doeltreffend risicobeheer garandeert, en dat, behalve bij de kleine niet-verweven vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, voorkomt dat de mate waarin er risico's worden genomen, het door de vennootschap vastgestelde tolerantieniveau te boven gaat, alsook een beloningsbeleid voor de personen die bij de dienstverlening aan cliënten betrokken zijn, dat verantwoord ondernemerschap en een billijke behandeling van cliënten aanmoedigt en belangenconflicten in de betrekkingen met de cliënten voorkomt. Behalve bij de kleine niet-verweven vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, moeten de beleidslijnen en praktijken op het gebied van beloning genderneutraal zijn;

6° een beloningsbeleid dat een gezond en doeltreffend risicobeheer garandeert, en dat, behalve bij de kleine niet-verweven vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, voorkomt dat de mate waarin er risico's worden genomen, het door de vennootschap vastgestelde tolerantieniveau te boven gaat, alsook een beloningsbeleid voor de personen die bij de dienstverlening aan cliënten betrokken zijn, dat verantwoord ondernemerschap en een billijke behandeling van cliënten aanmoedigt en belangenconflicten in de betrekkingen met de cliënten voorkomt. Behalve bij de kleine niet-verweven vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, moeten de beleidslijnen en praktijken op het gebied van beloning genderneutraal zijn; 7° voor de werkzaamheden van de vennootschap passende controleen beveiligingsmaatregelen op informaticagebied, inclusief deugdelijke beveiligingsmechanismen om de beveiliging en authentificatie van de middelen voor de informatieoverdracht [5 overeenkomstig de vereisten van Verordening (EU) 2022/2554]5 te garanderen, het risico op datacorruptie en ongeoorloofde toegang tot een minimum te beperken, en te voorkomen dat informatie uitlekt door de vertrouwelijkheid van de gegevens te allen tijde te bewaren;

7° voor de werkzaamheden van de vennootschap passende controleen beveiligingsmaatregelen op informaticagebied, inclusief deugdelijke beveiligingsmechanismen om de beveiliging en authentificatie van de middelen voor de informatieoverdracht [5 overeenkomstig de vereisten van Verordening (EU) 2022/2554]5 te garanderen, het risico op datacorruptie en ongeoorloofde toegang tot een minimum te beperken, en te voorkomen dat informatie uitlekt door de vertrouwelijkheid van de gegevens te allen tijde te bewaren; 8° een passend intern waarschuwingssysteem conform de wetgeving die is aangenomen voor de omzetting van Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden dat met name voorziet in een specifieke, onafhankelijke en autonome melding van inbreuken op de normen en de gedragscodes van de vennootschap;

8° een passend intern waarschuwingssysteem conform de wetgeving die is aangenomen voor de omzetting van Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden dat met name voorziet in een specifieke, onafhankelijke en autonome melding van inbreuken op de normen en de gedragscodes van de vennootschap; 9° de invoering van passende maatregelen om de continuïteit en regelmatigheid van hun beleggingsdiensten en beleggingsactiviteiten te garanderen. Daartoe maakt de beleggingsonderneming gebruik van passende en proportionele systemen, met inbegrip van ICT-systemen die zijn opgericht en worden

9° de invoering van passende maatregelen om de continuïteit en regelmatigheid van hun beleggingsdiensten en beleggingsactiviteiten te garanderen. Daartoe maakt de beleggingsonderneming gebruik van passende en proportionele systemen, met inbegrip van ICT-systemen die zijn opgericht en worden beheerd overeenkomstig artikel van Verordening (EU) 2022/2554, evenals van passende en evenredige middelen en procedures;

beheerd overeenkomstig artikel van Verordening (EU) 2022/2554, evenals van passende en evenredige middelen en procedures; 10° een beleid op het gebied van diensten, activiteiten, producten en verrichtingen die worden aangeboden of verstrekt, in overeenstemming met de risicotolerantie van de vennootschap en de kenmerken en behoeften van de cliënten van de vennootschap aan wie deze worden aangeboden of verstrekt, in voorkomend geval, met inbegrip van de uitvoering van passende stresstests.

10° een beleid op het gebied van diensten, activiteiten, producten en verrichtingen die worden aangeboden of verstrekt, in overeenstemming met de risicotolerantie van de vennootschap en de kenmerken en behoeften van de cliënten van de vennootschap aan wie deze worden aangeboden of verstrekt, in voorkomend geval, met inbegrip van de uitvoering van passende stresstests. De bepalingen onder 6° en 10° zijn ook van toepassing op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies wanneer zij aan cliënten verkopen verrichten of advies verstrekken in verband met gestructureerde deposito's.

De bepalingen onder 6° en 10° zijn ook van toepassing op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies wanneer zij aan cliënten verkopen verrichten of advies verstrekken in verband met gestructureerde deposito's.

(…) (…)

Art. 25/1 (…) (…)

§ 2/2. Op de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies rust de primaire verantwoordelijkheid om erop toe te zien dat de vereisten van de artikelen 23, § 1,

24, 34, § 2, tweede lid en 36 te allen tijde worden nageleefd.

Daartoe wordt de geschiktheid van de personen als bedoeld in artikel 23 beoordeeld, voordat zij in functie treden en vervolgens periodiek, waarbij rekening wordt gehouden met de toezichtverwachtingen en -vereisten, zoals vastgelegd door of krachtens deze wet, de technische normen en richtsnoeren vastgelegd door de Europese toezichthouders, in het bijzonder door de Europese Autoriteit voor

Effecten en

Markten en de

Europese

Bankautoriteit, en het interne geschiktheidsbeleid. De vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies zorgen ervoor dat de informatie over de geschiktheid van de personen als bedoeld in artikel 23 actueel blijft.

De vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies herbeoordeelt met name de naleving van de vereisten als bedoeld in artikel

23 wanneer zich feiten of elementen voordoen waardoor de informatie die verstrekt werd bij de benoeming is veranderd en die verandering van invloed kan zijn op de professionele betrouwbaarheid of passende ervaring die vereist is voor de uitoefening van de betrokken functie.

Indien de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, met toepassing van de voorgaande leden, concludeert dat een persoon als bedoeld in artikel 23, ongeacht of deze kandidaat is voor een functie of reeds in functie is, niet of niet meer voldoet aan de vereisten van artikel 23, §

1, 24, 34, § 2, tweede lid en 36, zorgt ze ervoor dat:

1° de betrokken kandidaat niet in de betrokken functie treedt;

2° de betrokken persoon tijdig uit die functie wordt verwijderd of ontslagen; of 3° te gepasten tijde, voor zover mogelijk, extra maatregelen worden genomen die nodig zijn om te waarborgen dat de betrokken persoon geschikt is om zijn functies uit te oefenen.

§ 3. De voorzitter van het bestuursorgaan in zijn toezichtsfunctie mag geen effectief leider zijn van de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, tenzij dat door de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies wordt verantwoord en door de FSMA wordt goedgekeurd op grond van de omvang en het risicoprofiel van de vennootschap.

§ 3. De voorzitter van het bestuursorgaan in zijn toezichtsfunctie mag geen effectief leider zijn van de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies. […]

Art. 25/2 (…) (…)

§ 5. Het benoemingscomité is zodanig samengesteld dat het een gedegen en onafhankelijk oordeel kan geven over de samenstelling en de werking van de bestuurs- en beleidsorganen van de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, in het bijzonder over de individuele en collectieve deskundigheid van hun leden, en over hun integriteit, reputatie, onafhankelijkheid van geest en beschikbaarheid.

§ 5. Het benoemingscomité is zodanig samengesteld dat het een gedegen en onafhankelijk oordeel kan geven over de samenstelling en de werking van de bestuurs- en beleidsorganen van de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, in het bijzonder over de individuele en collectieve deskundigheid van hun leden, en over hun integriteit, reputatie, onafhankelijkheid van geest en beschikbaarheid. Het benoemingscomité is belast met: Het benoemingscomité is belast met:

1° het aanwijzen en aanbevelen, voor goedkeuring door de algemene vergadering, of, in voorkomend geval, door het bestuursorgaan, van kandidaten voor het invullen van vacatures in het bestuursorgaan, het nagaan hoe de

1° het aanwijzen en aanbevelen, voor goedkeuring door de algemene vergadering, of, in voorkomend geval, door het bestuursorgaan, van kandidaten voor het invullen van vacatures in het bestuursorgaan, het nagaan hoe de kennis, vaardigheden, diversiteit en ervaring in het bestuursorgaan zijn verdeeld, het opstellen van een beschrijving van de taken en bekwaamheden die voor een bepaalde benoeming zijn vereist, en het beoordelen hoeveel tijd er aan die taken moet worden besteed.

kennis, vaardigheden, diversiteit en ervaring in het bestuursorgaan zijn verdeeld, het opstellen van een beschrijving van de taken en bekwaamheden die voor een bepaalde benoeming zijn vereist, en het beoordelen hoeveel tijd er aan die taken moet worden besteed. Verder stelt het benoemingscomité een streefcijfer vast voor de vertegenwoordiging van het ondervertegenwoordigde geslacht in het wettelijk bestuursorgaan en stippelt het een beleid uit om het aantal vertegenwoordigers van dit geslacht in het bestuursorgaan te vergroten en op die manier het streefcijfer te halen. Het streefcijfer, de beleidslijn en de tenuitvoerlegging ervan worden bekendgemaakt overeenkomstig artikel 435, lid 2, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

Verder stelt het benoemingscomité een streefcijfer vast voor de vertegenwoordiging van het ondervertegenwoordigde geslacht in het wettelijk bestuursorgaan en stippelt het een beleid uit om het aantal vertegenwoordigers van dit geslacht in het bestuursorgaan te vergroten en op die manier het streefcijfer te halen. Het streefcijfer, de beleidslijn en de tenuitvoerlegging ervan worden bekendgemaakt overeenkomstig artikel 435, lid 2, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013; 2° het periodiek, en minimaal jaarlijks, evalueren van de structuur, omvang, samenstelling en prestaties van het bestuursorgaan en het formuleren van aanbevelingen aan het bestuursorgaan met betrekking tot eventuele wijzigingen;

2° het periodiek, en minimaal jaarlijks, evalueren van de structuur, omvang, samenstelling en prestaties van het bestuursorgaan en het formuleren van aanbevelingen aan het bestuursorgaan met betrekking tot eventuele wijzigingen; 3° het periodiek, en minimaal jaarlijks, beoordelen van de kennis, vaardigheden, ervaring, mate van betrokkenheid, met name de regelmatige aanwezigheid, van de individuele leden van het bestuursorgaan en van het bestuursorgaan als geheel, en daar verslag over uitbrengen aan dit orgaan;

3° het periodiek, en minimaal jaarlijks, beoordelen van de kennis, vaardigheden, ervaring, mate van betrokkenheid, met name de regelmatige aanwezigheid, van de individuele leden van het bestuursorgaan en van het bestuursorgaan als geheel, en daar verslag over uitbrengen aan dit orgaan; 4° het periodiek toetsen van het beleid van het bestuursorgaan voor de selectie en benoeming van de uitvoerende leden ervan, en het formuleren van aanbevelingen aan het bestuursorgaan.

4° het periodiek toetsen van het beleid van het bestuursorgaan voor de selectie en benoeming van de uitvoerende leden ervan, en het formuleren van aanbevelingen aan het bestuursorgaan. Met het oog op de naleving van artikel 23, § 1, derde lid, zorgt het benoemingscomité voor een breed scala van kenmerken en vaardigheden bij de aanwerving van leden, en bevordert het, op evenredige wijze, de diversiteit en het genderevenwicht in het wettelijk bestuursorgaan.

Derhalve voert de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies een beleid ter bevordering van diversiteit binnen het wettelijk bestuursorgaan en de personen die deel uitmaken van de effectieve leiding, in voorkomend geval van het directiecomité. Bij de uitoefening van zijn bevoegdheden ziet het benoemingscomité erop toe dat één persoon of een kleine groep van personen de Bij de uitoefening van zijn bevoegdheden ziet het benoemingscomité erop toe dat één persoon of een kleine groep van personen de besluitvorming van het wettelijk bestuursorgaan niet domineren op een wijze die de belangen van de instelling in haar geheel schade berokkent.

besluitvorming van het wettelijk bestuursorgaan niet domineren op een wijze die de belangen van de instelling in haar geheel schade berokkent. Het benoemingscomité kan gebruik maken van alle vormen van hulpmiddelen die het geschikt acht voor de uitvoering van zijn opdracht, zoals het inwinnen van extern advies, en ontvangt hiertoe toereikende financiële middelen.

Het benoemingscomité kan in het bijzonder gebruik maken van alle vormen van hulpmiddelen die het geschikt acht voor de uitvoering van zijn opdracht, zoals het inwinnen van extern advies, en ontvangt hiertoe toereikende financiële middelen.

Art. 25/3 (…) (…)

§ 3/1. De vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies beschikken over een passende risicobeheerfunctie die onafhankelijk is van de operationele functies en die voldoende gezag, status en middelen heeft en rechtstreeks toegang heeft tot het bestuursorgaan.

§ 3/1. De vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies beschikken over een passende risicobeheerfunctie die onafhankelijk is van de operationele functies en die voldoende gezag, status en middelen heeft en rechtstreeks toegang heeft tot het bestuursorgaan. De personen die belast zijn met de risicobeheerfunctie zorgen ervoor dat alle significante risico's worden gedetecteerd en gemeten en naar behoren worden gemeld. Zij zijn actief betrokken bij de uitstippeling van de risicostrategie van de vennootschap en bij alle beleidsbeslissingen die een significante invloed hebben op de risico's en zijn in staat een volledig beeld te geven van het hele scala van risico's die de vennootschap loopt.

De personen die belast zijn met de risicobeheerfunctie zorgen ervoor dat alle significante risico's worden gedetecteerd en gemeten en naar behoren worden gemeld. Zij zijn actief betrokken bij de uitstippeling van de risicostrategie van de vennootschap en bij alle beleidsbeslissingen die een significante invloed hebben op de risico's en zijn in staat een volledig beeld te geven van het hele scala van risico's die de vennootschap loopt. Het hoofd van de risicobeheerfunctie is een persoon belast met de effectieve leiding, in voorkomend geval een van het directiecomité, waarvoor de risicobeheerfunctie de enige functie is waarvoor hij individueel verantwoordelijk is. De FSMA kan toestaan dat een lid van het hoger kaderpersoneel binnen de vennootschap deze functie vervult, mits er in hoofde van deze persoon geen belangenconflict bestaat.

[…]

In afwijking van het derde lid, eerste zin kan de FSMA, met het oog op de versterking van de autonomie en de onafhankelijkheid van de risicobeheerfunctie en de compliancefunctie als bedoeld in paragraaf 3, toestaan dat de persoon belast met de effectieve leiding, in voorkomend geval het lid van het directiecomité, die verantwoordelijk is voor de risicobeheerfunctie, ook verantwoordelijk is voor de compliancefunctie, op voorwaarde dat de twee betrokken functies los van elkaar worden uitgeoefend.

[…]

(…) (…)

Art. 25/4

Onverminderd de algemene collectieve verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan, zorgen de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies voor het opstellen, bijhouden en actualiseren van individuele verklaringen waarin de taken en plichten worden beschreven van alle personen die deel uitmaken van de effectieve leiding, inclusief in voorkomend geval de leden van het directiecomité en alle medewerkers met een sleutelfunctie, evenals een overzicht van de taken, met inbegrip van bijzonderheden over de rapportagelijnen, over de verantwoordelijkheden en over de personen die deel uitmaken van de in artikel 25, § 1 bedoelde governanceregeling, alsook over de taken van deze personen.

Onverminderd artikel 35, § 3 worden deze individuele taakomschrijvingen en het overzicht van de taken te allen tijde tijdig ter beschikking gesteld van de FSMA, en worden haar overigens overgemaakt ingeval van wijzigingen of op haar verzoek.

(…) (…)

Art. 26/3

§ 1. Iedere vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies beschikt over passende processen en systemen om de volgende aspecten te identificeren, meten, beheren en monitoren:

§ 1. Iedere vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies beschikt over passende processen en systemen om de volgende aspecten te identificeren, meten, beheren en monitoren: 1° de wezenlijke oorzaken en effecten van de risico's voor de cliënten, alsmede elke wezenlijke invloed op het niveau van het eigen vermogen van de vennootschap;

1° de wezenlijke oorzaken en effecten van de risico's voor de cliënten, alsmede elke wezenlijke invloed op het niveau van het eigen vermogen van de vennootschap; 2° de wezenlijke oorzaken en effecten van de risico's voor de markt, alsmede elke wezenlijke invloed op het niveau van het eigen vermogen van de vennootschap;

2° de wezenlijke oorzaken en effecten van de risico's voor de markt, alsmede elke wezenlijke invloed op het niveau van het eigen vermogen van de vennootschap; 3° de wezenlijke oorzaken en effecten van de risico's voor de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, in het bijzonder de risico's die het niveau van het beschikbaar eigen vermogen kunnen verminderen;

3° de wezenlijke oorzaken en effecten van de risico's voor de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, in het bijzonder de risico's die het niveau van het beschikbaar eigen vermogen kunnen verminderen; 4° het liquiditeitsrisico over relevante periodes, waaronder intradayperiodes, om te garanderen

4° het liquiditeitsrisico over relevante periodes, waaronder intradayperiodes, om te garanderen dat toereikende niveaus van liquiditeit in stand worden gehouden, met name voor het aanpakken van de wezenlijke oorzaken van risico's als bedoeld in 1° en 2°.

dat toereikende niveaus van liquiditeit in stand worden gehouden, met name voor het aanpakken van de wezenlijke oorzaken van risico's als bedoeld in 1° tot 3°.

5° de wezenlijke oorzaken en effecten van het concentratierisico dat voortvloeit uit blootstellingen aan centrale tegenpartijen, en elke wezenlijke invloed op het eigen vermogen. Voor de toepassing van de bepaling onder 3° omvatten wezenlijke oorzaken van risico's voor de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies in voorkomend geval: materiële wijzigingen in de boekwaarde van activa, met inbegrip van schuldvorderingen op verbonden agenten en het faillissement van cliënten of tegenpartijen, posities in financiële instrumenten, buitenlandse valuta en grondstoffen, en verplichtingen ten aanzien van pensioenregelingen met een gegarandeerde toezegging.

Voor de toepassing van de bepaling onder 3° omvatten wezenlijke oorzaken van risico's voor de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies in voorkomend geval: materiële wijzigingen in de boekwaarde van activa, met inbegrip van schuldvorderingen op verbonden agenten en het faillissement van cliënten of tegenpartijen, posities in financiële instrumenten, buitenlandse valuta en grondstoffen, en verplichtingen ten aanzien van pensioenregelingen met een gegarandeerde toezegging.

Voor de toepassing van de bepaling onder

5°ontwikkelt het wettelijk bestuursorgaan specifieke plannen en kwantificeerbare streefdoelen in overeenstemming met de in artikel 7bis van Verordening nr. 648/2012 vastgestelde vereisten om het concentratierisico dat voortvloeit uit blootstellingen aan centrale tegenpartijen die diensten van wezenlijk systemisch belang voor de Unie of een of meer van haar lidstaten aanbieden, te monitoren en aan te pakken. Het eerste lid, 2° is niet van toepassing op de kleine niet-verweven vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies in de zin van artikel 2/2, § 1.

Het eerste lid, 2° is niet van toepassing op de kleine niet-verweven vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies in de zin van artikel 2/2, § 1.

(…) (…)

Art. 34 (…) (…)

§ 9. De vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies wijden voldoende personele en financiële middelen aan de introductie en opleiding van de leden van het wettelijk bestuursorgaan en van de personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval, de leden van het directiecomité, mede wat de ESG-risico’s en effecten en het ICT-risico betreft zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 52 quater), van Verordening nr. 575/2013.

Art. 35

1. De vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies brengen de FSMA voorafgaandelijk op de hoogte van het voorstel tot benoeming van de leden van het bestuursorgaan en van de leden van het directiecomité of, bij ontstentenis van een directiecomité, van de personen belast met de effectieve leiding, evenals van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties.

правок: 1

1. De vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies brengen de FSMA voorafgaandelijk op de hoogte volgens de modaliteiten die zij bepaalt van het voorstel tot benoeming van de leden van het bestuursorgaan en van de leden van het directiecomité of, bij ontstentenis van een directiecomité, van de personen belast met de effectieve leiding, evenals van de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties. In het kader van de krachtens het eerste lid vereiste informatieverstrekking delen de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies aan de FSMA alle documenten en informatie mee die haar toelaten te beoordelen of de personen waarvan de benoeming wordt voorgesteld, overeenkomstig artikel 23 over de voor de uitoefening van hun functie vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken.

правок: 1

In het kader van de krachtens het eerste lid vereiste informatieverstrekking delen de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies aan de FSMA alle documenten en informatie mee die haar toelaten te beoordelen of de personen waarvan de benoeming wordt voorgesteld, overeenkomstig artikel 23 over de voor de uitoefening van hun functie vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikken, en of de voorgestelde benoemingen kaderen in het beleid en de doelstelling vastgesteld door het benoemingscomité met toepassing van artikel 25/2, § 5, derde lid, met name inzake diversiteit en vertegenwoordiging van personen van verschillend geslacht.

De in artikel 36 bedoelde vereisten worden nageleefd door de personen van wie de benoeming wordt voorgesteld. Het eerste lid is eveneens van toepassing op het voorstel tot hernieuwing van de benoeming van de in het eerste lid bedoelde personen, evenals op de niet-hernieuwing van hun benoeming, hun afzetting of hun ontslag.

Het eerste lid is eveneens van toepassing op het voorstel tot hernieuwing van de benoeming van de in het eerste lid bedoelde personen, evenals op de niet-hernieuwing van hun benoeming, hun afzetting of hun ontslag.

§ 2. De benoeming van de in paragraaf 1 bedoelde personen wordt voorafgaandelijk ter goedkeuring voorgelegd aan de FSMA.

§2. De benoeming van de in paragraaf 1 bedoelde personen wordt vooraf ter goedkeuring voorgelegd aan de FSMA. De

FSMA beraadt zich terdege op het meedelen van de verwachtte termijn voor zijn beslissing.

In voorkomend geval, kan die termijn worden verlengd. De goedkeuring door de FSMA wordt enkel verleend als de betrokken benoeming de naleving van de artikelen 23 en 36 door de betrokken persoon en van artikel 23 door de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies garandeert.

Bij de goedkeuring wordt ook rekening gehouden met de naleving van het beleid en de doelstelling die het benoemingscomité heeft vastgesteld met toepassing van artikel 25/2, § 5, derde lid, met name inzake diversiteit en vertegenwoordiging van personen van verschillend geslacht. Wanneer het de benoeming betreft van een persoon die voor het eerst voor een functie als bedoeld in paragraaf 1 wordt voorgedragen bij een instelling die onder het toezicht staat van de FSMA overeenkomstig artikel 45, § 1, 2°, van de wet van 2 augustus 2002, raadpleegt de FSMA eerst de Bank.

Wanneer het de benoeming betreft van een persoon die voor het eerst voor een functie als bedoeld in paragraaf 1 wordt voorgedragen bij een instelling die onder het toezicht staat van de FSMA overeenkomstig artikel 45, § 1, 2°, van de wet van 2 augustus 2002, raadpleegt de FSMA eerst de Bank. De Bank deelt haar advies mee aan de FSMA binnen een termijn van een week na ontvangst van het verzoek om advies.

De Bank deelt haar advies mee aan de FSMA binnen een termijn van een week na ontvangst van het verzoek om advies. § 3. De vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies informeren de FSMA over de eventuele taakverdeling tussen de leden van het bestuursorgaan en tussen de personen belast met de effectieve leiding, in voorkomend geval tussen de leden van het directiecomité.

§ 3. De vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies informeren de FSMA over de eventuele taakverdeling tussen de leden van het bestuursorgaan en tussen de personen belast met de effectieve leiding, in voorkomend geval tussen de leden van het directiecomité, en de personen die deelnemen aan de effectieve leiding, in voorkomend geval, de leden van het directiecomité, mede wat de ESG-risico’s en effecten en het ICT-risico betreft zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 52 quater), van Verordening nr. 575/2013. Belangrijke wijzigingen in de taakverdeling als bedoeld in het eerste lid, geven aanleiding tot de toepassing van de paragrafen 1 en 2.

Belangrijke wijzigingen in de taakverdeling als bedoeld in het eerste lid, geven aanleiding tot de toepassing van de paragrafen 1 en 2.

§ 3/1. Naast de bepalingen van paragraaf 1 brengen de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies en de in

§ 1 bedoelde personen de FSMA onverwijld op de hoogte wanneer zich feiten of elementen voordoen die de bij de benoeming verstrekte informatie veranderen, en die verandering van invloed kan zijn op de vereiste professionele betrouwbaarheid of passende ervaring voor de uitoefening van de betrokken functie. In dat geval gaat de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies over tot een nieuwe beoordeling als bedoeld in artikel

25/1, § 2/2, derde lid.

Conform de artikelen 45 en 56, wanneer de FSMA, bij de uitvoering van haar toezichtsopdracht, kennis heeft van een dergelijk feit of element, dat al dan niet met toepassing van het eerste lid is verkregen, herbeoordeelt zij de naleving van de in artikel

23, § 1, tweede lid, bedoelde vereisten. Bij de controle of artikel 23, § 1, tweede lid, permanent wordt nageleefd, gebruikt de FSMA de in artikel 23, § 1, derde lid, bedoelde informatie.

(…) (…)

Art. 36 (…) (…)

§ 2. Onverminderd paragraaf 1 en de artikelen

25 tot 26 mogen de leden van de organen van een vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies en alle personen die, onder welke benaming of in welke hoedanigheid ook, deelnemen aan het bestuur of het beleid van de onderneming, al dan niet ter vertegenwoordiging van de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, op de voorwaarden en binnen de grenzen vastgesteld in dit artikel, mandaten als bestuurder of zaakvoerder waarnemen in dan wel deelnemen aan het bestuur of het beleid van een vennootschap, een onderneming met een andere Belgische of buitenlandse rechtsvorm, of een Belgische of buitenlandse openbare instelling met industriële, commerciële of financiële werkzaamheden.

§ 2. Onverminderd paragraaf 1 en de artikelen

25 tot 26 mogen de leden van de organen van een vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies en alle personen die, onder welke benaming of in welke hoedanigheid ook, deelnemen aan het bestuur of het beleid van de onderneming, al dan niet ter vertegenwoordiging van de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, op de voorwaarden en binnen de grenzen vastgesteld in dit artikel, mandaten als bestuurder of zaakvoerder waarnemen in dan wel deelnemen aan het bestuur of het beleid van een vennootschap, een onderneming met een andere Belgische of buitenlandse rechtsvorm, of een Belgische of buitenlandse openbare instelling met industriële, commerciële of financiële werkzaamheden, of een vereniging of een stichting. Het aantal bestuursmandaten of -functies dat met toepassing van dit artikel kan worden uitgeoefend, hangt af van de individuele omstandigheden en van de aard, de schaal en de complexiteit van de werkzaamheden van de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies.

(…) (…)

§ 5. De leden van het bestuursorgaan die niet deelnemen aan de effectieve leiding van de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies mogen geen mandaat uitoefenen in een vennootschap waarin de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies een deelneming bezit, tenzij zij niet deelnemen aan het dagelijks bestuur van die vennootschap.

§ 5. De leden van het bestuursorgaan die niet deelnemen aan de effectieve leiding van de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies mogen geen mandaat uitoefenen in een vennootschap waarin de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies een deelneming bezit, tenzij zij niet deelnemen aan het dagelijks bestuur van die vennootschap.

Onverminderd de paragrafen 1 en 3 zijn de in paragraaf bedoelde externe functies bovendien beperkt, voor zover ze worden uitgeoefend in andere vennootschappen dan de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, tenzij het mandaat in de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies wordt uitgeoefend ter

Onverminderd de paragrafen 1 en 3 zijn de in paragraaf bedoelde externe functies bovendien beperkt, voor zover ze worden uitgeoefend in andere vennootschappen dan de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, tenzij het mandaat in de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies wordt uitgeoefend ter vertegenwoordiging van een lidstaat, tot het volgend aantal mandaten:

vertegenwoordiging van een lidstaat, en tenzij het mandaat wordt uitgeoefend in organisaties die niet hoofdzakelijk commerciële doelen nastreven, tot het volgend aantal mandaten:

1° hetzij drie mandaten die geen deelname aan het dagelijks bestuur mogen impliceren; of

1° hetzij drie mandaten die geen deelname aan het dagelijks bestuur mogen impliceren; of 2° een mandaat dat een deelname aan het dagelijks bestuur impliceert en een mandaat dat geen deelname aan het dagelijks bestuur mag impliceren.

2° een mandaat dat een deelname aan het dagelijks bestuur impliceert en een mandaat dat geen deelname aan het dagelijks bestuur mag impliceren. De in het tweede lid bedoelde regel is niet van toepassing op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies die niet significant zijn omwille van hun interne organisatie of de aard, de reikwijdte, de complexiteit of het grensoverschrijdende karakter van hun activiteiten.

De in het tweede lid bedoelde regel is niet van toepassing op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies die niet significant zijn omwille van hun interne organisatie of de aard, de reikwijdte, de complexiteit of het grensoverschrijdende karakter van hun activiteiten.

§ 6. De personen die deelnemen aan de effectieve leiding van de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies mogen geen mandaat uitoefenen dat een deelname aan het dagelijks bestuur inhoudt, tenzij in een vennootschap als bedoeld in artikel 41, § 3, waarmee de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies nauwe banden heeft, of in een instelling voor collectieve belegging die geregeld is bij statuten in de zin van de wet van 3 augustus 2012 of van de wet van 19 april 2014, of in een patrimoniumvennootschap waarin zij of hun familie, in het kader van het normale beheer van hun vermogen, een significant belang bezitten.

§ 6. De personen die deelnemen aan de effectieve leiding van de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies mogen geen mandaat uitoefenen dat een deelname aan het dagelijks bestuur inhoudt, tenzij in een vennootschap als bedoeld in artikel 41, § 3, waarmee de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies nauwe banden heeft, of in een instelling voor collectieve belegging die geregeld is bij statuten in de zin van de wet van 3 augustus 2012 of van de wet van 19 april 2014, of in een patrimoniumvennootschap waarin zij of hun familie, in het kader van het normale beheer van hun vermogen, een significant belang bezitten. Onverminderd de paragrafen 1 en 3 zijn de in paragraaf bedoelde externe functies bovendien beperkt, voor zover ze worden uitgeoefend in andere vennootschappen dan de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, beperkt tot twee mandaten die geen deelname aan het dagelijks bestuur mogen impliceren, tenzij het mandaat in de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies wordt uitgeoefend ter vertegenwoordiging van een lidstaat.

Onverminderd de paragrafen 1 en 3 zijn de in paragraaf bedoelde externe functies bovendien beperkt, voor zover ze worden uitgeoefend in andere vennootschappen dan de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, beperkt tot twee mandaten die geen deelname aan het dagelijks bestuur mogen impliceren, tenzij het mandaat in de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies wordt uitgeoefend ter vertegenwoordiging van een lidstaat en tenzij het mandaat wordt uitgeoefend in organisaties die niet hoofdzakelijk commerciële doelen nastreven. De in het tweede lid bedoelde regel is niet van toepassing op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies die niet significant zijn omwille van hun interne

De in het tweede lid bedoelde regel is niet van toepassing op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies die niet significant zijn omwille van hun interne organisatie of de aard, de reikwijdte, de complexiteit of het grensoverschrijdende karakter van hun activiteiten.

organisatie of de aard, de reikwijdte, de complexiteit of het grensoverschrijdende karakter van hun activiteiten.

§ 7. In individuele gevallen kan de FSMA een afwijking toestaan van het maximum aantal mandaten waarin is voorzien in paragrafen 5 en 6, door toe te staan dat een bijkomend mandaat wordt uitgeoefend dat geen deelname aan het dagelijks bestuur impliceert. De FSMA stelt de Europese Bankautoriteit regelmatig op de hoogte van het gebruik dat zij van deze afwijkingsbevoegdheid maakt.

§ 7. In individuele gevallen kan de FSMA een afwijking toestaan van het maximum aantal mandaten waarin is voorzien in paragrafen 5 en 6, door toe te staan dat een bijkomend mandaat wordt uitgeoefend dat geen deelname aan het dagelijks bestuur impliceert. […]

(…) (…)

§ 9. Voor de toepassing van paragrafen 5, tweede lid, en 6, tweede lid, wordt de uitoefening van verschillende mandaten, die al dan niet een deelname aan het dagelijks bestuur impliceren, in ondernemingen die deel uitmaken van de groep waartoe de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies behoort of van een andere groep, als één enkel mandaat beschouwd.

§ 9. Voor de toepassing van paragrafen 5, tweede lid, en 6, tweede lid, wordt de uitoefening van verschillende mandaten, die al dan niet een deelname aan het dagelijks bestuur impliceren, in ondernemingen die deel uitmaken van de groep waartoe de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies behoort of van een andere groep, als één enkel mandaat beschouwd. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "groep" een geheel van ondernemingen verstaan dat wordt gevormd door een moederonderneming, haar dochterondernemingen, de ondernemingen waarin de moederonderneming of haar dochterondernemingen rechtstreeks of onrechtstreeks een deelneming aanhouden in de zin van artikel 3, 26°, van deze wet, alsook de ondernemingen waarmee een consortium wordt gevormd, en de ondernemingen die door deze laatste ondernemingen worden gecontroleerd of waarin deze een deelneming aanhouden in de zin van artikel 3, 26°, van deze wet.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "groep" een geheel van ondernemingen verstaan dat wordt gevormd door een moederonderneming, haar dochterondernemingen, de ondernemingen waarin de moederonderneming of haar dochterondernemingen rechtstreeks of onrechtstreeks een deelneming aanhouden in de zin van artikel 3, 26°, van deze wet, alsook de ondernemingen waarmee een consortium wordt gevormd, en de ondernemingen die door deze laatste ondernemingen worden gecontroleerd of waarin deze een deelneming aanhouden in de zin van artikel 3, 26°, van deze wet of een geheel van entiteiten die bij hetzelfde institutioneel protectiestelsel zijn aangesloten, mits de voorwaarden van artikel 113, lid 7, van Verordening nr. 575/2013 zijn vervuld, of van entiteiten waarin hetzelfde institutioneel protectiestelsel een gekwalificeerde deelneming heeft.

(…) (…)

Art. 44/3

[…] Onverminderd de artikelen 44/1 en 44/2, verrichten de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies die niet voldoen aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 25/2, § 6, eerste lid, de openbaarmaking als bedoeld in artikel 52 van Verordening

2019/2033.

(…) (…)

Art. 54 (…) (…)

§2. Onverminderd het bepaalde bij paragraaf 1, moet iedere vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies beschikken over een voor haar werkzaamheden en voorgenomen werkzaamheden passend beleid inzake kapitaal- en liquiditeitsbehoeften. De personen belast met de effectieve leiding van de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, in voorkomend geval het directiecomité, werken daartoe onder toezicht van het bestuursorgaan een beleid uit dat de huidige en toekomstige kapitaalen liquiditeitsbehoeften van de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies identificeert en vastlegt, rekening houdend met de aard, de omvang en de complexiteit van deze werkzaamheden, de eraan verbonden risico's, het risicobeheerbeleid van de onderneming, alsook de risico's die de vennootschap voor anderen kan inhouden.

§2. Onverminderd het bepaalde bij paragraaf 1, moet iedere vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies beschikken over een voor haar werkzaamheden en voorgenomen werkzaamheden passend beleid inzake kapitaal- en liquiditeitsbehoeften. De personen belast met de effectieve leiding van de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, in voorkomend geval het directiecomité, werken daartoe onder toezicht van het bestuursorgaan een beleid uit dat de huidige en toekomstige kapitaalen liquiditeitsbehoeften van de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies identificeert en vastlegt, rekening houdend met de aard, de omvang en de complexiteit van deze werkzaamheden, de eraan verbonden risico's, het risicobeheerbeleid van de onderneming, alsook de risico's die de vennootschap voor anderen kan inhouden. De vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies evalueert regelmatig haar beleid inzake kapitaal- en liquiditeitsbehoeften en past dit beleid zonodig aan. De FSMA kan bij reglement de frequentie van deze evaluatie nader bepalen.

De vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies evalueert regelmatig haar beleid inzake kapitaal- en liquiditeitsbehoeften en past dit beleid zonodig aan. De FSMA kan bij reglement de frequentie van deze evaluatie nader bepalen.

Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op de kleine niet-verweven vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies in de zin van artikel 2/2, § 1.

Toch kan de FSMA een kleine niet-verweven vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies in de zin van artikel 2/2, § 1, vragen om de in het eerste en het tweede lid bedoelde vereisten toe te passen in de mate die de FSMA passend acht.

(…) (…)

Art. 56

§ 1. De FSMA ziet erop toe dat iedere vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies werkt overeenkomstig de

§ 1. De FSMA ziet erop toe dat iedere vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies werkt overeenkomstig de bepalingen van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen en de Verordening (EU) nr. 600/2014, de Verordening (EU) 2019/2033 en de Verordening (EU) 2022/2554.

bepalingen van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen en de Verordening (EU) nr. 600/2014, de Verordening (EU) 2019/2033 en de Verordening (EU)

2022/2554. De FSMA houdt ook toezicht op de activiteiten van de beleggingsholdings en de gemengde financiële holdings, om na te gaan of zij de vereisten van de artikelen 59 tot 60, de ter uitvoering van die artikelen genomen besluiten en reglementen, en

Verordening

(EU)

2019/2033 naleven die op hen van toepassing zijn.

(…) (…)

Art. 58/2

§ 1. De toetsing en de evaluatie die de FSMA met toepassing van artikel 58/1 verricht, hebben betrekking op de volgende aspecten:

§ 1. De toetsing en de evaluatie die de FSMA met toepassing van artikel 58/1 verricht, hebben betrekking op de volgende aspecten: 1° de toetsing of de in artikel 34/2 bedoelde risico's worden beheerst;

1° de toetsing of de in artikel 34/2 bedoelde risico's worden beheerst; 2° de geografische locatie van de blootstellingen van de vennootschap;

2° de geografische locatie van de blootstellingen van de vennootschap; 3° het bedrijfsmodel van de vennootschap; 3° het bedrijfsmodel van de vennootschap;

4° in voorkomend geval, de beoordeling van het systeemrisico, rekening houdend met de vaststelling en meting van het systeemrisico krachtens artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit) of met aanbevelingen van het ESRB;

4° in voorkomend geval, de beoordeling van het systeemrisico, rekening houdend met de vaststelling en meting van het systeemrisico krachtens artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit) of met aanbevelingen van het ESRB; 5° de risico's voor de beveiliging van de door de vennootschap gebruikte netwerken informatiesystemen om te zorgen voor de vertrouwelijkheid, integriteit en beschikbaarheid van haar processen, gegevens en activa;

5° de risico's voor de beveiliging van de door de vennootschap gebruikte netwerken informatiesystemen om te zorgen voor de vertrouwelijkheid, integriteit en beschikbaarheid van haar processen, gegevens en activa; 6° de blootstelling van de vennootschap aan het renterisico dat voortvloeit uit activiteiten buiten de handelsportefeuille;

6° de blootstelling van de vennootschap aan het renterisico dat voortvloeit uit activiteiten buiten de handelsportefeuille; 7° de organisatieregeling van de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies als bedoeld in artikel 25 en het vermogen van het bestuursorgaan en van de personen belast met de effectieve leiding, in voorkomend geval het direc-tiecomité, om hun taken te vervullen.

7° de organisatieregeling van de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies als bedoeld in artikel 25 en het vermogen van het bestuursorgaan en van de personen belast met de effectieve leiding, in voorkomend geval het direc-tiecomité, om hun taken te vervullen.

Voor de toepassing van de bepaling onder 1° beoordeelt en monitort de

FSMA

de ontwikkelingen in de praktijken van de vennootschappen voor portefeuillebeheer en beleggingsadvies met betrekking tot het beheer van hun concentratierisico dat voortvloeit uit blootstellingen aan centrale tegenpartijen, met inbegrip van de overeenkomstig artikel 26/3, §

1, derde lid opgestelde plannen, alsook de vooruitgang die is geboekt bij de aanpassing van hun bedrijfsmodellen aan de vereisten die in artikel 7bis van Verordening nr. 648/2012 zijn vastgelegd.

§ 2. De FSMA kan, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 64 van de wet van 2 augustus 2002, de kwantitatieve en kwalitatieve criteria verduidelijken waarop zij zich baseert voor de beoordeling van de omvang van de risico's en van het passende karakter van hun behandeling door de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies.

§ 2. De FSMA kan, bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 64 van de wet van 2 augustus 2002, de kwantitatieve en kwalitatieve criteria verduidelijken waarop zij zich baseert voor de beoordeling van de omvang van de risico's en van het passende karakter van hun behandeling door de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies.

§ 3. De FSMA stelt de Europese Bankautoriteit in kennis van haar toetsingsen evaluatieprocedure als bedoeld in artikel 58/1.

(…) (…)

Art. 59 (…) (…)

§ 4. Wanneer artikel 7 van Verordening (EU)

van toepassing is, moeten vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies naar Belgisch recht die als Belgische EU-moederbeleggingsondernemingen worden beschouwd, de Belgische beleggingsholdings en de Belgische gemengde financiële EU-moederholdings op geconsolideerde basis, in voorkomend geval, voldoen aan de artikelen 25, 25/2 t/m 26, 26/3, 27, 34 t/m 34/2, 37/1, 37/2, 55 en 56/1, inclusief de bepalingen van de Bijlage.

§ 4. Wanneer artikel 7 van Verordening (EU)

van toepassing is, moeten vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies naar Belgisch recht die als Belgische EU-moederbeleggingsondernemingen worden beschouwd, de Belgische beleggingsholdings en de Belgische gemengde financiële EU-moederholdings op geconsolideerde basis, in voorkomend geval, voldoen aan de artikelen 25, 25/2 t/m 26, 26/3, 27, 34 t/m 34/2, 37/1, 37/2, 55 en 56/1, inclusief de bepalingen van de Bijlage. De verplichtingen die voor dochterondernemingen uit derde landen voortvloeien uit de in het eerste lid genoemde artikelen, zijn niet van toepassing indien de in het eerste lid bedoelde vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, beleggingsholdings of gemengde financiële holdings aan de FSMA kunnen aantonen dat de toepassing ervan onrechtmatig is volgens de wetten van dat land.

De verplichtingen die voor dochterondernemingen uit derde landen voortvloeien uit de in het eerste lid genoemde artikelen, zijn niet van toepassing indien de in het eerste lid bedoelde vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, beleggingsholdings of gemengde financiële holdings aan de FSMA kunnen aantonen dat de toepassing ervan onrechtmatig is volgens de wetten van dat land.

Onverminderd artikel 48 van Verordening

2019/2033, maken de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies naar

Belgisch recht die als

EUmoederbeleggingsondernemingen worden aangemerkt, jaarlijks, hetzij integraal, hetzij door verwijzing naar gelijkwaardige informatie, een beschrijving van hun juridische structuur en van de governance- en organisatiestructuur van de onderneming op geconsolideerd niveau bekend, inclusief de informatie als bedoeld in artikel 25 en in het eerste lid van deze paragraaf. (…) (…)

§ 8. Het toezicht op geconsolideerde basis en het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium hebben niet tot gevolg dat de FSMA individueel toezicht uitoefent op een beleggingsholding, op een gemengde financiële holding en op elke andere in de consolidatie opgenomen onderneming.

§ 8. Het toezicht op geconsolideerde basis en het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium als bedoeld in artikel 8 van Verordening (EU) nr. 2019/2033 hebben niet tot gevolg dat de FSMA individueel toezicht uitoefent op een beleggingsholding, op een gemengde financiële holding en op elke andere in de consolidatie opgenomen onderneming. Onverminderd het in het eerste lid vermelde beginsel en wanneer het toezicht op geconsolideerde basis of het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium door de FSMA wordt uitgeoefend, zijn de leden van het bestuursorgaan en de personen belast met de effectieve leiding, in voorkomend geval de leden van het directiecomité, van de beleggingsholdings en de gemengde financiële holdings naar Belgisch recht onderworpen aan de vereisten van artikel 23, § 1, tweede en derde lid, van deze wet, rekening houdend met de specifieke rol van een beleggingsholding of een gemengde financiële holding.

Onverminderd het in het eerste lid vermelde beginsel en wanneer het toezicht op geconsolideerde basis of het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium door de FSMA wordt uitgeoefend, zijn de leden van het bestuursorgaan en de personen belast met de effectieve leiding, in voorkomend geval de leden van het directiecomité, van de beleggingsholdings en de gemengde financiële holdings naar Belgisch recht onderworpen aan de vereisten van artikel 23, § 1, tweede en derde lid, van deze wet, rekening houdend met de specifieke rol van een beleggingsholding of een gemengde financiële holding. Het toezicht op geconsolideerde basis en het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium doen geen afbreuk aan het individuele toezicht op de in de consolidatie opgenomen vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies. Er kan echter rekening worden gehouden met de implicaties van het toezicht op geconsolideerde basis of het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium bij de bepaling van de inhoud en de modaliteiten van het individueel toezicht op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies of van het toezicht op gesubconsolideerde basis op een vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies die een dochteronderneming is van een andere vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies.

Het toezicht op geconsolideerde basis en het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium doen geen afbreuk aan het individuele toezicht op de in de consolidatie opgenomen vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies. Er kan echter rekening worden gehouden met de implicaties van het toezicht op geconsolideerde basis of het toezicht op de naleving van het groepskapitaalcriterium bij de bepaling van de inhoud en de modaliteiten van het individueel toezicht op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies of van het toezicht op gesubconsolideerde basis op een vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies die een dochteronderneming is van een andere vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies.

(…) (…)

Art. 63/2 (…) (…)

§ 2. Zolang de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies de in paragraaf 1 bedoelde toestand niet heeft verholpen, kan de FSMA te allen tijde:

§ 2. Zolang de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies de in paragraaf 1 bedoelde toestand niet heeft verholpen, kan de FSMA te allen tijde: 1° onverminderd artikel 58/4, § 1, eigenvermogensvereisten opleggen die strenger zijn of een aanvulling vormen op die waarin voorzien is door of krachtens artikel 11 van Verordening (EU) 2019/2033 of de reglementen die met toepassing van artikel 54 zijn vastgesteld, wanneer een vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies niet voldoet aan de vereisten van de artikelen 25 en 54 en het onwaarschijnlijk is dat andere toezichtsmaatregelen kunnen garanderen dat deze vereisten binnen een passende termijn worden nageleefd;

1° onverminderd artikel 58/4, § 1, eigenvermogensvereisten opleggen die strenger zijn of een aanvulling vormen op die waarin voorzien is door of krachtens artikel 11 van Verordening (EU) 2019/2033 of de reglementen die met toepassing van artikel 54 zijn vastgesteld, wanneer een vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies niet voldoet aan de vereisten van de artikelen 25 en 54 en het onwaarschijnlijk is dat andere toezichtsmaatregelen kunnen garanderen dat deze vereisten binnen een passende termijn worden nageleefd, of eisen dat zij het vereiste eigen vermogen en de vereiste liquide activa aanpassen in geval van materiële wijzigingen in haar bedrijfsactiviteit. 2° een verstrenging eisen van het beleid inzake eigenvermogensbehoeften en liquiditeitsbehoeften van de vennootschap en de organisatieregelingen die zijn ingevoerd conform artikel 54, § 2 en 25 van deze wet;

2° een verstrenging eisen van het beleid inzake eigenvermogensbehoeften en liquiditeitsbehoeften van de vennootschap en de organisatieregelingen die zijn ingevoerd conform artikel 54, § 2 en 25 van deze wet; 3° van de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies eisen dat zij, binnen een termijn van een jaar, een plan indienen om opnieuw te voldoen aan de toezichtsvereisten uit hoofde van deze wet en Verordening (EU) 2019/2033, dat zij een uiterste termijn vaststellen voor de uitvoering van dat plan, en dat ze verbeteringen aanbrengen in dat plan wat toepassingsgebied en uiterste termijn betreft;

3° van de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies eisen dat zij, binnen een termijn van een jaar, een plan indienen om opnieuw te voldoen aan de toezichtsvereisten uit hoofde van deze wet en Verordening (EU) 2019/2033, dat zij een uiterste termijn vaststellen voor de uitvoering van dat plan, en dat ze verbeteringen aanbrengen in dat plan wat toepassingsgebied en uiterste termijn betreft; 4° de toepassing opleggen van bijzondere regels inzake waardering of waardeaanpassing voor de berekening van de eigenvermogensvereisten die opgelegd zijn door of krachtens artikel 11 van Verordening (EU) 2019/2033, of door de met toepassing van artikel 54 van deze wet vastgestelde reglementen;

4° de toepassing opleggen van bijzondere regels inzake waardering of waardeaanpassing voor de berekening van de eigenvermogensvereisten die opgelegd zijn door of krachtens artikel 11 van Verordening (EU) 2019/2033, of door de met toepassing van artikel 54 van deze wet vastgestelde reglementen; 5° van de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies eisen dat zij hun nettowinst gebruiken om hun eigen vermogen te versterken;

5° van de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies eisen dat zij hun nettowinst gebruiken om hun eigen vermogen te versterken;

6° alle dividenduitkeringen of betalingen, met name van interesten, aan aandeelhouders of houders van aanvullend-tier kapitaalinstrumenten, beperken of verbieden, voor zover de schorsing van de betalingen die daaruit zou voortvloeien, niet leidt tot de opening van een liquidatieprocedure met toepassing van de bepalingen van Boek XX van het Wetboek van Economisch Recht;

6° alle dividenduitkeringen of betalingen, met name van interesten, aan aandeelhouders of houders van aanvullend-tier kapitaalinstrumenten, beperken of verbieden, voor zover de schorsing van de betalingen die daaruit zou voortvloeien, niet leidt tot de opening van een liquidatieprocedure met toepassing van de bepalingen van Boek XX van het Wetboek van Economisch Recht; 7° eisen dat de variabele beloning beperkt wordt tot een percentage van de winst;

7° eisen dat de variabele beloning beperkt wordt tot een percentage van de winst; 8° onverminderd artikel 58/10, specifieke liquiditeitsvereisten opleggen die dwingender zijn dan die waarin is voorzien door of krachtens Verordening (EU) 2019/2033 of de reglementen die met toepassing van artikel 54 van deze wet zijn vastgesteld, wanneer een vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies niet voldoet aan de vereisten van de artikel 25 en 54 en het onwaarschijnlijk is dat andere toezichtsmaatregelen kunnen garanderen dat deze vereisten binnen een passende termijn worden nageleefd;

8° onverminderd artikel 58/10, specifieke liquiditeitsvereisten opleggen die dwingender zijn dan die waarin is voorzien door of krachtens Verordening (EU) 2019/2033 of de reglementen die met toepassing van artikel 54 van deze wet zijn vastgesteld, wanneer een vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies niet voldoet aan de vereisten van de artikel 25 en 54 en het onwaarschijnlijk is dat andere toezichtsmaatregelen kunnen garanderen dat deze vereisten binnen een passende termijn worden nageleefd; 9° eisen dat de vennootschap het risico dat verbonden is aan bepaalde werkzaamheden of producten of aan haar organisatie, met inbegrip van uitbestede werkzaamheden, beperkt, in voorkomend geval door de integrale of gedeeltelijke overdracht op te leggen van haar bedrijf of haar net;

9° eisen dat de vennootschap het risico dat verbonden is aan bepaalde werkzaamheden of producten of aan haar organisatie, met inbegrip van uitbestede werkzaamheden, beperkt, in voorkomend geval door de integrale of gedeeltelijke overdracht op te leggen van haar bedrijf of haar net; 10° binnen de grenzen van artikel 56, § 3/2, tweede lid en voor zover de gevraagde informatie niet leidt tot duplicering in de zin van artikel 56, § 3/2, eerste lid, een aanvullende rapporteringsverplichting opleggen of een frequentere rapportering opleggen dan waarin voorzien is door of krachtens artikel 55 of Verordening (EU) 2019/2033, met name voor de rapportering over risico's, eigen vermogen of liquiditeitsposities;

10° binnen de grenzen van artikel 56, § 3/2, tweede lid en voor zover de gevraagde informatie niet leidt tot duplicering in de zin van artikel 56, § 3/2, eerste lid, een aanvullende rapporteringsverplichting opleggen of een frequentere rapportering opleggen dan waarin voorzien is door of krachtens artikel 55 of Verordening (EU) 2019/2033, met name voor de rapportering over risico's, eigen vermogen of liquiditeitsposities; 11° volledigere en frequentere openbaarmakingen eisen dan die waarin is voorzien door of krachtens artikel 27 of Verordening (EU) 2019/2033;

11° volledigere en frequentere openbaarmakingen eisen dan die waarin is voorzien door of krachtens artikel 27 of Verordening (EU) 2019/2033; 12° eisen dat de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies de risico's beperken in verband met de beveiliging van de netwerk- en informatiesystemen die zij gebruiken teneinde de vertrouwelijkheid, integriteit en beschikbaarheid van haar processen, gegevens en activa te waarborgen.

12° eisen dat de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies de risico's beperken in verband met de beveiliging van de netwerk- en informatiesystemen die zij gebruiken teneinde de vertrouwelijkheid, integriteit en beschikbaarheid van haar processen, gegevens en activa te waarborgen.

13° normen opleggen inzake risicoconcentratie of ter beperking van de blootstellingen die dwingender zijn dan deze waarin door of krachtens Verordening 2019/2033 of de met toepassing van artikel vastgestelde reglementen is voorzien, en inzonderheid vereisen dat de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies haar blootstellingen op een centrale tegenpartij vermindert, of dat zij de blootstellingen tussen haar clearingrekeningen aanpast conform artikel 7bis van Verordening nr. 648/2012, met name indien er sprake is van een buitensporig concentratierisico dat voortvloeit uit blootstellingen aan die centrale tegenpartij.

(…) (…)

Art. 64

§ 1. Onverminderd de andere bepalingen van deze wet kan de FSMA, wanneer zij vaststelt dat een vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies niet of niet langer voldoet aan de met toepassing van artikel 63/2, § 2 genomen maatregelen, of dat de toestand na het verstrijken van de met toepassing van artikel 63/2, § 1 vastgestelde termijn niet is verholpen:

§ 1. Onverminderd de andere bepalingen van deze wet kan de FSMA, wanneer zij vaststelt dat een vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies niet of niet langer voldoet aan de met toepassing van artikel 63/2, § 2 genomen maatregelen, of dat de toestand na het verstrijken van de met toepassing van artikel 63/2, § 1 vastgestelde termijn niet is verholpen:

1° een speciaal commissaris aanstellen; 1° een speciaal commissaris aanstellen;

In dit geval is voor alle handelingen en beslissingen van alle organen van de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, inclusief de algemene vergadering, alsook voor die van de personen die instaan voor het beleid, zijn schriftelijke, algemene of bijzondere toestemming vereist; de FSMA kan de verrichtingen waarvoor toestemming is vereist, evenwel beperken.

In dit geval is voor alle handelingen en beslissingen van alle organen van de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, inclusief de algemene vergadering, alsook voor die van de personen die instaan voor het beleid, zijn schriftelijke, algemene of bijzondere toestemming vereist; de FSMA kan de verrichtingen waarvoor toestemming is vereist, evenwel beperken. De speciaal commissaris mag elk voorstel dat hij nuttig acht aan alle organen van de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, inclusief de algemene vergadering voorleggen. De bezoldiging van de speciale commissaris wordt vastgesteld door de FSMA en gedragen door de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies.

De speciaal commissaris mag elk voorstel dat hij nuttig acht aan alle organen van de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, inclusief de algemene vergadering voorleggen. De bezoldiging van de speciale commissaris wordt vastgesteld door de FSMA en gedragen door de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies. De leden van het bestuursorgaan en de personen belast met de effectieve leiding, in voorkomend geval de leden van het directiecomité, die handelingen stellen of De leden van het bestuursorgaan en de personen belast met de effectieve leiding, in voorkomend geval de leden van het directiecomité, die handelingen stellen of beslissingen nemen zonder de vereiste toestemming van de speciaal commissaris, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voortvloeit voor de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies of voor derden.

beslissingen nemen zonder de vereiste toestemming van de speciaal commissaris, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voortvloeit voor de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies of voor derden. Indien de FSMA de aanstelling van de speciaal commissaris in het Belgisch Staatsblad heeft bekendgemaakt, met opgave van de handelingen en beslissingen waarvoor zijn toestemming is vereist, zijn alle handelingen en beslissingen zonder deze vereiste toestemming nietig, tenzij de speciaal commissaris die bekrachtigt. Onder dezelfde voorwaarden zijn alle beslissingen van de algemene vergadering zonder de vereiste toestemming van de speciaal commissaris nietig, tenzij hij die bekrachtigt.

Indien de FSMA de aanstelling van de speciaal commissaris in het Belgisch Staatsblad heeft bekendgemaakt, met opgave van de handelingen en beslissingen waarvoor zijn toestemming is vereist, zijn alle handelingen en beslissingen zonder deze vereiste toestemming nietig, tenzij de speciaal commissaris die bekrachtigt. Onder dezelfde voorwaarden zijn alle beslissingen van de algemene vergadering zonder de vereiste toestemming van de speciaal commissaris nietig, tenzij hij die bekrachtigt. De FSMA kan een plaatsvervangend commissaris aanstellen;

De FSMA kan een plaatsvervangend commissaris aanstellen;

De vereisten die zijn vastgelegd in de artikelen

23, § 1, tweede lid en 34, § 2, tweede lid zijn niet van toepassing op de speciaal commissaris, noch op zijn eventuele plaatsvervanger.

(…) (…)

3° de vervanging gelasten van alle of bepaalde leden van het bestuursorgaan en personen belast met de effectieve leiding, in voorkomend geval leden van het directiecomité, van de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies binnen een termijn die zij bepaalt en, indien er binnen die termijn geen vervanging plaatsvindt, een of meerdere leden van het bestuursorgaan, of een of meerdere personen belast met de effectieve leiding, in voorkomend geval een of meerdere leden van het directiecomité van de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies uit hun functie ontheffen of in de plaats van het voltallige bestuursorgaan één of meer voorlopig bestuurders of zaakvoerders aanstellen die alleen of collegiaal, naar gelang van het geval, de bevoegdheden hebben van de vervangen personen. De FSMA maakt haar beslissing bekend in het Belgisch Staatsblad.

3° de vervanging gelasten van alle of bepaalde leden van het bestuursorgaan en personen belast met de effectieve leiding, in voorkomend geval leden van het directiecomité of de personen die verantwoordelijk zijn voor de onafhankelijke controlefuncties van de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies binnen een termijn die zij bepaalt en, indien er binnen die termijn geen vervanging plaatsvindt, een of meerdere leden van het bestuursorgaan, of een of meerdere personen belast met de effectieve leiding, in voorkomend geval een of meerdere leden van het directiecomité of de personen die verantwoordelijk zijn voor de onafhankelijke controlefuncties van de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies uit hun functie ontheffen of in de plaats van het voltallige bestuursorgaan één of meer voorlopig bestuurders of zaakvoerders aanstellen die alleen of collegiaal, naar gelang van het geval, de bevoegdheden hebben van de vervangen personen. De FSMA maakt haar beslissing bekend in het Belgisch Staatsblad. Wanneer de omstandigheden dit rechtvaardigen, kan de FSMA een of meer voorlopig bestuurders of zaakvoerders

Wanneer de omstandigheden dit rechtvaardigen, kan de FSMA een of meer voorlopig bestuurders of zaakvoerders aanstellen zonder vooraf de vervanging te gelasten van alle of een deel van de in het eerste lid bedoelde leiders.

aanstellen zonder vooraf de vervanging te gelasten van alle of een deel van de in het eerste lid bedoelde leiders. Mits de FSMA hiermee instemt, kan of kunnen de voorlopig bestuurder(s) een algemene vergadering bijeenroepen en de agenda ervan vaststellen.

Mits de FSMA hiermee instemt, kan of kunnen de voorlopig bestuurder(s) een algemene vergadering bijeenroepen en de agenda ervan vaststellen. De FSMA kan, volgens de regels die zij bepaalt, eisen dat de voorlopig bestuurder(s) of zaakvoerder(s) bij haar verslag uitbrengen over de financiële situatie van de vennootschap en over de maatregelen die zij in het kader van hun opdracht hebben genomen, alsook over de financiële situatie bij het begin en aan het einde van die opdracht.

De FSMA kan, volgens de regels die zij bepaalt, eisen dat de voorlopig bestuurder(s) of zaakvoerder(s) bij haar verslag uitbrengen over de financiële situatie van de vennootschap en over de maatregelen die zij in het kader van hun opdracht hebben genomen, alsook over de financiële situatie bij het begin en aan het einde van die opdracht. De bezoldiging van de voorlopig bestuurder(s) of zaakvoerder(s) wordt vastgesteld door de FSMA en gedragen door de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies.

De bezoldiging van de voorlopig bestuurder(s) of zaakvoerder(s) wordt vastgesteld door de FSMA en gedragen door de vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies. De FSMA kan te allen tijde de voorlopig bestuurder(s) of zaakvoerder(s) vervangen, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een meerderheid van aandeelhouders of vennoten wanneer zij aantonen dat het beleid van de betrokkenen niet meer de nodige waarborgen biedt;

De FSMA kan te allen tijde de voorlopig bestuurder(s) of zaakvoerder(s) vervangen, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een meerderheid van aandeelhouders of vennoten wanneer zij aantonen dat het beleid van de betrokkenen niet meer de nodige waarborgen biedt;

De vereisten die zijn vastgelegd in de artikelen

23, § 1, tweede lid en 34, § 2, tweede lid zijn niet van toepassing op de voorlopig bestuurders of zaakvoerders.

(…) (…)

Art. 67

De vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies waarvan de vergunning is ingetrokken of herroepen op grond van artikel 63 en 64, blijven onderworpen aan de Europeesrechtelijke bepalingen die rechtstreeks op hen van toepassing zijn, aan de bepalingen van deze titel en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglement, tenzij de FSMA hen vrijstelt van bepaalde bepalingen:

De vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies waarvan de vergunning is ingetrokken of herroepen op grond van artikel 63 en 64, blijven onderworpen aan de Europeesrechtelijke bepalingen die rechtstreeks op hen van toepassing zijn, aan de bepalingen van deze titel en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglement, tenzij de FSMA hen vrijstelt van bepaalde bepalingen: 1° tot de vereffening van de verbintenissen van de vennootschap die, in voorkomend geval, voortvloeien uit aan beleggers verschuldigde gelden en financiële instrumenten;

1° tot de vereffening van de verbintenissen van de vennootschap die, in voorkomend geval, voortvloeien uit aan beleggers verschuldigde gelden en financiële instrumenten; 2° tot de vereffening van al hun andere verbintenissen op de financiële markten. Daarbij houden de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, met inachtneming van hun levensvatbaarheid en de

2° tot de vereffening van al hun andere verbintenissen op de financiële markten. […]

houdbaarheid van hun bedrijfsmodellen en strategieën, rekening met de vereisten en de noodzakelijke middelen die qua tijdpad en instandhouding van hun eigen vermogen en liquide middelen realistisch zijn.

Daarbij houden de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, met inachtneming van hun levensvatbaarheid en de houdbaarheid van hun bedrijfsmodellen en strategieën, rekening met de vereisten en de noodzakelijke middelen die qua tijdpad en instandhouding van hun eigen vermogen en liquide middelen realistisch zijn. Het eerste lid is niet van toepassing bij de herroeping van de vergunning van een failliet verklaarde vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies.

Het eerste lid is niet van toepassing bij de herroeping van de vergunning van een failliet verklaarde vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies. De FSMA brengt de Europese Autoriteit voor effecten en markten op de hoogte van de intrekking of herroeping van een vergunning op grond van de artikelen 63 en 64.

De FSMA brengt de Europese Autoriteit voor effecten en markten op de hoogte van de intrekking of herroeping van een vergunning op grond van de artikelen 63 en 64.

(…) (…)

Art. 69

§1. Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen, kan de FSMA voor een vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, een financiële holding, een gemengde holding als bedoeld in artikel 68 of een gemengde financiële holding een termijn bepalen:

§1. Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen, kan de FSMA voor een vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, een financiële holding, een gemengde holding als bedoeld in artikel 68, een gemengde financiële holding of een beleggingsholding een termijn bepalen:

правок: 1

(…) (…)

§ 2. Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen, en onverminderd de maatregelen die zijn vastgelegd door andere wetten of andere reglementen, kan de FSMA als zij vaststelt:

§ 2. Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen, en onverminderd de maatregelen die zijn vastgelegd door andere wetten of andere reglementen, kan de FSMA als zij vaststelt: 1° dat er een inbreuk is gepleegd op de bepalingen van deze wet of de ter uitvoering ervan genomen maatregelen of op de bepalingen van Verordening (EU) 600/2014 of Verordening (EU) 2019/2033 [4 of Verordening (EU) 2022/2554; of

1° dat er een inbreuk is gepleegd op de bepalingen van deze wet of de ter uitvoering ervan genomen maatregelen of op de bepalingen van Verordening (EU) 600/2014 of Verordening (EU) 2019/2033 [4 of Verordening (EU) 2022/2554; of

2° dat er een inbreuk is gepleegd op de bepalingen van titel II van Verordening nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters; of

2° dat er een inbreuk is gepleegd op de bepalingen van titel II van Verordening nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters; of

3° dat er een vereiste niet wordt nageleefd die door de FSMA is opgelegd met toepassing van de in punt 1° of 2° bedoelde bepalingen; of

3° dat er een vereiste niet wordt nageleefd die door de FSMA is opgelegd met toepassing van de in punt 1° of 2° bedoelde bepalingen; of

4° dat vereisten niet worden nageleefd die door de FSMA zijn vastgesteld als voorwaarde voor een besluit genomen met toepassing van bepalingen als bedoeld in punt 1° of 2°, met name het verlenen van toestemming of van een afwijking,

4° dat vereisten niet worden nageleefd die door de FSMA zijn vastgesteld als voorwaarde voor een besluit genomen met toepassing van bepalingen als bedoeld in punt 1° of 2°, met name het verlenen van toestemming of van een afwijking, aan een vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, een financiële holding, een gemengde holding als bedoeld in artikel 68 of een gemengde financiële holding, naar Belgisch of buitenlands recht en gevestigd in België, een administratieve geldboete opleggen die niet meer mag bedragen dan 2 500 000 euro voor hetzelfde feit of voor hetzelfde geheel van feiten.

aan een vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies, een financiële holding, een gemengde holding als bedoeld in artikel 68 of een gemengde financiële holding, of een beleggingsholding naar Belgisch of buitenlands recht en gevestigd in België, een administratieve geldboete opleggen die niet meer mag bedragen dan 2 500 000 euro voor hetzelfde feit of voor hetzelfde geheel van feiten.

(…) (…)

Art. 84 (…) (…)

§ 2. De FSMA verleent de gevraagde vergunning aan de bijkantoren die aan de volgende voorwaarden voldoen:

§ 2. De FSMA verleent de gevraagde vergunning aan de bijkantoren die aan de volgende voorwaarden voldoen: 1° het bijkantoor moet beschikken over een dotatie ten belope van minimum 125 000 euro. De FSMA beoordeelt de bestanddelen van die dotatie;

1° het bijkantoor moet beschikken over een dotatie ten belope van minimum 125 000 euro. De FSMA beoordeelt de bestanddelen van die dotatie;

(…) (…)

8° het bijkantoor is in staat de in artikel 85 bedoelde bepalingen in acht te nemen.

8° het bijkantoor is in staat de in de artikelen 85 en 85/1 bedoelde bepalingen in acht te nemen.

(…) (…)

Art. 106

De FSMA verstrekt op haar website de volgende informatie:

De FSMA verstrekt op haar website de volgende informatie:

1° de wetgeving op het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, en de besluiten, reglementen en circulaires genomen in uitvoering of met toepassing van deze wetgeving;

2° een omzettingstabel van de bepalingen van de Europese richtlijnen inzake prudentieel

1° de wetgeving op het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, en de besluiten, reglementen en circulaires genomen in uitvoering of met toepassing van deze wetgeving;

2° een omzettingstabel van de bepalingen van de Europese richtlijnen inzake prudentieel toezicht op beleggingsondernemingen, met opgaaf van de weerhouden opties;

3° de toetsingscriteria en de methodiek die zij gebruikt bij haar beoordeling als bedoeld in artikel 56, § 2;

4° geaggregeerde statistische gegevens over de belangrijkste aspecten inzake toepassing van de in 1° bedoelde wetgeving;

5° andere informatie, als voorgeschreven bij besluiten en reglementen genomen in uitvoering van deze wet.

toezicht op beleggingsondernemingen, met opgaaf van de weerhouden opties;

3° de toetsingscriteria en de methodiek die zij gebruikt bij haar beoordeling als bedoeld in artikel 56, § 2;

4° geaggregeerde statistische gegevens over de belangrijkste aspecten inzake toepassing van de in 1° bedoelde wetgeving;

5° andere informatie, als voorgeschreven bij besluiten en reglementen genomen in uitvoering van deze wet. De in het eerste lid bedoelde informatie wordt in voorkomend geval op de website bekendgemaakt op de wijze als overeengekomen tussen de landen van de Europese Economische Ruimte. De FSMA zorgt voor een geregelde actualisering van de op haar website verstrekte informatie.

De in het eerste lid bedoelde informatie wordt in voorkomend geval op de website bekendgemaakt op de wijze als overeengekomen tussen de landen van de Europese Economische Ruimte. De FSMA zorgt voor een geregelde actualisering van de op haar website verstrekte informatie.

De gegevens als bedoeld in de bepaling onder

4° omvatten, in voorkomend geval, het aantal en de aard van de toezichtsmaatregelen die zijn genomen conform de artikelen 58/4 en 63/2, §

2, 1°, alsook de administratieve sancties die zijn opgelegd conform artikel 69, § 2 van deze wet.

De informatie als bedoeld in het derde lid is voldoende volledig en nauwkeurig opdat de bevoegde autoriteiten van de verschillende lidstaten een nuttige vergelijking kunnen maken.

(…) (…)

Bijlage (…) (…)

Art. 19

De vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies maken hun beloningsbeleid openbaar overeenkomstig de toepasselijke Europeesrechtelijke bepalingen, in het bijzonder artikel 51 van Verordening (EU) 2019/2033.

De vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies maken hun beloningsbeleid openbaar overeenkomstig de toepasselijke Europeesrechtelijke bepalingen, in het bijzonder artikel 51 van Verordening (EU) 2019/2033. De vennootschappen verstrekken de FSMA de informatie die zij overeenkomstig artikel 51, lid 1, punt c) en d) van Verordening (EU) 2019/2033 openbaar hebben gemaakt, alsmede de informatie over het beloningsverschil tussen mannen en vrouwen opdat zij de nodige vergelijkende analyses kan uitvoeren van de tendensen en praktijken op het gebied van beloning.

De vennootschappen verstrekken de FSMA de informatie die zij overeenkomstig artikel 51, lid 1, punt c) en d) van Verordening (EU) 2019/2033 openbaar hebben gemaakt, alsmede de informatie over het beloningsverschil tussen mannen en vrouwen opdat zij de nodige vergelijkende analyses kan uitvoeren van de tendensen en praktijken op het gebied van beloning. De FSMA bezorgt deze informatie aan de Europese Bankautoriteit.

Wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten

Art. 28 (…) (…)

§ 2. De onderworpen entiteiten bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, mogen met het oog op de naleving van hun verplichtingen die in het genoemde lid zijn opgesomd, alle informatie die zij ontvangen van de beroepsorganisaties of van door hen op grond van paragraaf 1, derde lid, opgerichte instellingen gebruiken, verwerken, bewaren, en er een afschrift van maken op papier of op een elektronische informatiedrager.

§ 2. De onderworpen entiteiten bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, mogen met het oog op de naleving van hun verplichtingen die in het genoemde lid zijn opgesomd, alle informatie die zij ontvangen van de beroepsorganisaties of van door hen op grond van paragraaf 1, derde lid, opgerichte instellingen gebruiken, verwerken, bewaren, en er een afschrift van maken op papier of op een elektronische informatiedrager.

Voorts mogen deze entiteiten ook het identificatienummer van het Rijksregister dat zij geldig verkregen hebben, onder andere overeenkomstig paragraaf 1, verwerken als identificatiemiddel bij het kruisen van gegevensbestanden die zij ter beschikking hebben of ontvangen, uitsluitend met het oog op het vaststellen of die bestanden betrekking hebben op dezelfde natuurlijke persoon in het kader van hun verplichtingen tot identificatie en identiteitsverificatie overeenkomstig de artikelen 21 tot en met 23.

(…) (...)

Wet van 21 november 2017 over de infrastructuren voor de markten voor financiële instrumenten en houdende omzetting van Richtlijn 2014/65/EU

Art. 34

§ 1. De marktregels en alle wijzigingen ervan dienen vooraf door de FSMA, in het kader van haar in artikel 7, § 3, tweede lid, bepaald toezicht, te worden goedgekeurd.

§ 1. De marktoperator stelt de FSMA ten minste

15 werkdagen vóór de inwerkingtreding ervan in kennis van alle wijzigingen in zijn marktregels. Onverminderd de toepassing van artikel 71 en volgende kan de FSMA zich verzetten tegen de inwerkingtreding van de betreffende wijziging indien zij van oordeel is dat deze niet in overeenstemming is met de bepalingen van deze wet en de besluiten en verordeningen ter uitvoering daarvan, of met rechtstreeks toepasselijke bepalingen van het Europees recht.

De marktexploitant zorgt voor de bekendmaking en bijwerking van de marktregels op haar website en in gedrukte vorm. De goedkeuring

De marktexploitant zorgt voor de bekendmaking en bijwerking van de marktregels op haar website en in gedrukte vorm. De goedkeuring door de FSMA van de regels en van de latere wijzigingen wordt bekendgemaakt op haar website.

door de FSMA van de regels en van de latere wijzigingen wordt bekendgemaakt op haar website. Indien de marktexploitant in gebreke blijft de marktregels aan te passen aan de wijzigingen van de toepasselijke wettelijke of reglementaire bepalingen, kan de minister, op advies van de FSMA, de nodige wijzigingen in de marktregels aanbrengen en deze bekendmaken.

Indien de marktexploitant in gebreke blijft de marktregels aan te passen aan de wijzigingen van de toepasselijke wettelijke of reglementaire bepalingen, kan de minister, op advies van de FSMA, de nodige wijzigingen in de marktregels aanbrengen en deze bekendmaken.

§ 2. De marktexploitant gaat na of de onderrichtingen en circulaires die ter uitvoering van de marktregels worden genomen, stroken met deze marktregels en met de toepasselijke wettelijke en reglementaire bepalingen. De FSMA kan haar goedkeuring van de marktregels of de wijzigingen ervan met toepassing van paragraaf 1, eerste lid, afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de onderrichtingen of circulaires ter uitvoering van de bepalingen van de marktregels, en alle wijzigingen van deze onderrichtingen of circulaires vooraf aan een dergelijke verificatie door de FSMA worden onderworpen.

§ 2. De marktexploitant gaat na of de onderrichtingen en circulaires die ter uitvoering van de marktregels worden genomen, stroken met deze marktregels en met de toepasselijke wettelijke en reglementaire bepalingen. De

FSMA kan haar goedkeuring van de marktregels of de wijzigingen ervan met toepassing van paragraaf 1, eerste lid, afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de onderrichtingen of circulaires ter uitvoering van de bepalingen van de marktregels, en alle wijzigingen van deze onderrichtingen of circulaires vooraf aan een dergelijke verificatie door de FSMA worden onderworpen.

Wet van 23 november 2023 betreffende het Garantiefonds voor financiële diensten

Art. 56 (…) (…)

Overtredingen van dit artikel worden bestraft met de straffen bedoeld in artikel 458 van het Strafwetboek.

Overtredingen van dit artikel worden bestraft met de straffen bedoeld in artikel 352 van het Strafwetboek.

De voorschriften van Boek van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn van toepassing op elke overtreding van dit artikel.

De voorschriften van Boek van het

Strafwetboek, met inbegrip van de artikelen 19 en 36, zijn van toepassing op elke overtreding van dit artikel.

Art. 62

Vanaf de inwerkingtreding van het gehele hoofdstuk 11 van de wet van 26 januari 2021 betreffende de dematerialisatie van de relaties tussen de Federale Overheidsdienst Financiën, de burgers, rechtspersonen en bepaalde derden en tot wijziging van diverse fiscale wetboeken en wetten, zoals bepaald in artikel 219 van deze wet, wordt artikel 53 als volgt vervangen: "Art. 53. Elke vorm van communicatie tussen het Garantiefonds en derden geschiedt overeenkomstig hoofdstuk 11 van de wet van 26 januari 2021 betreffende de dematerialisatie

Opgeheven van de relaties tussen de Federale Overheidsdienst Financiën, de burgers, rechtspersonen en bepaalde derden en tot wijziging van diverse fiscale wetboeken en wetten."

COORDINATION DES ARTICLES

TEXTE DE BASE

TEXTE ADAPTÉ AU PROJET DE LOI

Arrêté royal n°71 du 30 novembre 1939 relatif au colportage des valeurs mobilières et au démarchage sur valeurs mobilières et sur marchandises et denrées

Art. 2

Est prohibé le démarchage sur les valeurs visées à l'article précédent, même lorsqu'elles sont encore à créer, sauf s'il est pratiqué : 1° auprès de banquiers, d'agents de change ou d'agents de change correspondants; 2° par des entreprises de prêts hypothécaires régies par l'arrêté royal n° 225 du 7 janvier 1936, pour le placement de leurs propres titres; 3° par les personnes ou institutions autorisées à cet effet par Le ministre des Finances, lorsqu'il s'agit du placement des émissions effectuées par les établissements d'intérêt public qu'il déterminera.

Est prohibé le démarchage sur les valeurs visées à l'article précédent, même lorsqu'elles sont encore à créer, sauf s'il est pratiqué : 1° auprès de banquiers, d'agents de change ou d'agents de change correspondants; 2° par des entreprises de prêts hypothécaires régies par l'arrêté royal n° 225 du 7 janvier 1936, pour le placement de leurs propres titres;

3° par les personnes ou institutions autorisées à cet effet par Le ministre des Finances, lorsqu'il s'agit du placement des émissions effectuées par les établissements d'intérêt public qu'il déterminera.

Le ministre des Finances fixera les conditions auxquelles sera subordonnée l'autorisation, toujours révocable, visée au 3° ci-dessus, ainsi que les conditions et formalités à remplir par les démarcheurs agissant pour le compte des personnes, institutions ou entreprises autorisées à pratiquer le démarchage en vertu du présent article. Celles-ci seront toujours civilement responsables du préjudice résultant des infractions au présent arrêté commises par leurs démarcheurs.

Le ministre des Finances fixera les conditions auxquelles sera subordonnée l'autorisation, toujours révocable, visée au 3° ci-dessus, ainsi que les conditions et formalités à remplir par les démarcheurs agissant pour le compte des personnes, institutions ou entreprises autorisées à pratiquer le démarchage en vertu du présent article. Celles-ci seront toujours civilement responsables du préjudice résultant des infractions au présent arrêté commises par leurs démarcheurs.

(...) (…)

Loi du 2 avril 1962 relative à la Société fédérale de Participations et d'Investissement et aux sociétés régionales d'investissement

Article 1er

§ 2. La SFPI est placée sous le contrôle du ministre des Finances et du ministre des Affaires économique. Ceux-ci peuvent s'opposer à l'exécution de toute mesure qui serait contraire soit aux lois et arrêtés, aux statuts ou au contrat de gestion, soit aux objectifs prioritaires de la politique financière de l’État. Ce contrôle est exercé à l'intervention de deux commissaires du gouvernement.

правок: 1

§ 2. La SFPI est placée sous le contrôle du ministre des Finances, du ministre des Affaires économiques et du ministre du Budget. Ceux-ci peuvent s'opposer à l'exécution de toute mesure qui serait contraire soit aux lois et arrêtés, aux statuts ou au contrat de gestion, soit aux objectifs prioritaires de la politique financière de l’État. Ce contrôle est exercé à l'intervention de trois commissaires du gouvernement. L'un des commissaires est proposé par Le ministre des Finances, l'autre est proposé par le L'un des commissaires est proposé par Le ministre des Finances, l’un est proposé par le ministre des Affaires économiques. Ils sont nommés par le Roi. Les commissaires du gouvernement ont le droit de prendre connaissance de toutes les décisions de l'assemblée générale, du conseil d'administration et, le cas échéant, de l'organe chargé de la gestion journalière, de procéder à toutes les vérifications nécessaires et de se faire produire tous les renseignements et documents utiles à cet effet. Chaque commissaire du gouvernement assiste, quand il le juge utile, aux réunions du conseil d'administration, l'ordre du jour de ces réunions leur étant préalablement communiqué. Chaque commissaire du gouvernement y a voix consultative. Chaque commissaire du gouvernement suspend et dénonce conjointement au ministre des Finances et au ministre des Affaires économiques toute décision du conseil d'administration qui serait contraire, soit aux lois et arrêtés, aux statuts ou au contrat de gestion, soit aux objectifs prioritaires de la politique financière de l’État. À cet effet, chaque commissaire du gouvernement dispose d'un délai de quatre jours francs; ce délai court à partir du jour de la réunion à laquelle la décision a été prise, pour autant que les commissaires du gouvernement y aient été régulièrement convoqués et, dans le cas contraire, à partir du jour où ils en ont reçu connaissance. Si Le ministre des Finances et le Ministre des Affaires économiques n'ont pas conjointement statué dans les huit jours de la suspension, la décision peut être exécutée.

правок: 1

Toutefois, si le conseil d'administration a invoqué l'urgence, chaque commissaire du gouvernement dispose d'un délai de deux jours francs pour saisir les Ministres des Finances et des Affaires économiques. Le délai prévu à l'alinéa 6 est, en ce cas, réduit à deux jours francs. La rémunération des commissaires du gouvernement est fixée conjointement par Le ministre des Finances et le ministre des Affaires économiques et payée par l’État. Elle est supportée par la société. Dans le respect des règles qui régissent les marchés publics, les ministres des Finances et des Affaires économiques, chacun en ce qui concerne le commissaire du gouvernement qu'il ministre des Affaires économiques et l’un par le ministre du Budget. Ils sont nommés par le Roi. Les commissaires du gouvernement ont le droit de prendre connaissance de toutes les décisions de l'assemblée générale, du conseil d'administration et, le cas échéant, de l'organe chargé de la gestion journalière, de procéder à toutes les vérifications nécessaires et de se faire produire tous les renseignements et documents utiles à cet effet. Chaque commissaire du gouvernement assiste, quand il le juge utile, aux réunions du conseil d'administration, l'ordre du jour de ces réunions leur étant préalablement communiqué. Chaque commissaire du gouvernement y a voix consultative. Chaque commissaire du gouvernement suspend et dénonce conjointement au ministre des Finances, au ministre des Affaires économiques et au ministre du Budget toute décision du conseil d'administration qui serait contraire, soit aux lois et arrêtés, aux statuts ou au contrat de gestion, soit aux objectifs prioritaires de la politique financière de l’État. À cet effet, chaque commissaire du gouvernement dispose d'un délai de quatre jours francs; ce délai court à partir du jour de la réunion à laquelle la décision a été prise, pour autant que les commissaires du gouvernement y aient été régulièrement convoqués et, dans le cas contraire, à partir du jour où ils en ont reçu connaissance.

Si le ministre des Finances, le ministre des Affaires économiques et le ministre du Budget n'ont pas conjointement statué dans les huit jours de la suspension, la décision peut être exécutée. Toutefois, si le conseil d'administration a invoqué l'urgence, chaque commissaire du gouvernement dispose d'un délai de deux jours francs pour saisir le ministre des Finances, le ministre des Affaires économiques et le ministre du Budget. Le délai prévu à l'alinéa 6 est, en ce cas, réduit à deux jours francs. La rémunération des commissaires du gouvernement est fixée conjointement par le ministre des Finances, le ministre des Affaires économiques et le ministre du Budget et payée par l’État. Elle est supportée par la société. Dans le respect des règles qui régissent les marchés publics, les ministres des Finances, des Affaires Economiques et du Budget, chacun en ce qui concerne le commissaire du a proposé, désignent, en cas de besoin, les experts chargés d'assister les commissaires du gouvernement. La rémunération des experts est payée par l’État et supportée par la société.

gouvernement qu'il a proposé, désignent, en cas de besoin, les experts chargés d'assister les commissaires du gouvernement. La rémunération des experts est payée par l’État et supportée par la société.

(…) (…)

Art. 2ter (…) (…)

En ce qui concerne les filiales spécialisées autres que celles dont il est question dans le précédent alinéa, la totalité ou une quote-part des frais de fonctionnement pourra être mise à charge des budgets respectifs des départements ministériels concernés après décision des ministres des Finances et des Affaires économiques délibérée en Conseil des Ministres ou dans un comité fondé en son sein. S'il s'agit d'une quote-part, celle-ci couvrira les coûts afférents au renforcement du personnel à recruter sous contrat d'emploi qui pourrait s'avérer nécessaire, ainsi que les mises de fonds requises pour le financement des opérations faites en vertu des paragraphes 2 et 3 de l'article 2.

En ce qui concerne les filiales spécialisées autres que celles dont il est question dans le précédent alinéa, la totalité ou une quote-part des frais de fonctionnement pourra être mise à charge des budgets respectifs des départements ministériels concernés  après décision des ministres des Finances, des Affaires économiques et du Budget délibérée en Conseil des Ministres ou dans un comité fondé en son sein. S'il s'agit d'une quote-part, celle-ci couvrira les coûts afférents au renforcement du personnel à recruter sous contrat d'emploi qui pourrait s'avérer nécessaire, ainsi que les mises de fonds requises pour le financement des opérations faites en vertu des paragraphes 2 et 3 de l'article 2.

Art. 11 (…)

§ 3. Les ministres des Finances et des Affaires économiques décideront cas par cas de l'étendue et des modalités de la garantie de l’État dont question au premier paragraphe du présent article. Toutefois, cette garantie, qui est en tout cas limitée au principal, ne pourra excéder 80 p.c. du montant du risque à couvrir et les dépenses qui en découlent seront imputées selon le cas, soit au budget national, soit aux budgets régionaux. Une convention sera établie dans chaque cas entre les deux Ministres précités et les sociétés en question.

правок: 1

(…)

§ 3. Les ministres des Finances, des Affaires économiques et du

Budget décideront conjointement au cas par cas de l'étendue et des modalités de la garantie de l’État dont question au premier paragraphe du présent article. Toutefois, cette garantie, qui est en tout cas limitée au principal, ne pourra excéder 80 p.c. du montant du risque à couvrir et les dépenses qui en découlent seront imputées selon le cas, soit au budget national, soit aux budgets régionaux. Une convention sera établie dans chaque cas entre les trois Ministres précités et les sociétés en question.

Art. 18

Chaque année, le ministre des Affaires économiques et de l'Énergie et Le ministre des Finances déposent sur le bureau des Chambres législatives un rapport sur l'application de la présente loi.

Chaque année, le ministre des

Affaires économiques, le ministre des

Finances et le ministre du Budget déposent sur le bureau des Chambres législatives un rapport sur l'application de la présente loi.

Loi du 11 août 1987 relative à la garantie des ouvrages en métaux précieux

Art. 3bis

L'agrément comme institution d'essai visé à l'article 3, alinéa 1er, est accordé à condition que l'institution soit accréditée dans le secteur des métaux précieux en application de l'article 2 de la loi du juillet concernant l'accréditation des organismes d'évaluation de la conformité ou dispose d'une accréditation qui est considérée comme équivalente en application de l'article 11 de l'arrêté royal du 31 janvier 2006 portant création du système BELAC d'accréditation des organismes d'évaluation de la conformité.

L'agrément comme institution d'essai visé à l'article 3, alinéa 1er, est accordé à condition que l'institution soit accréditée dans le secteur des métaux précieux en application de l'article

VIII.30 du Code de droit économique ou dispose d'une accréditation qui est considérée comme équivalente en application de l'article 11 de l'arrêté royal du 31 janvier 2006 portant création du système BELAC d'accréditation des organismes d'évaluation de la conformité.

(…) (…)

Art. 15

§1er. Tout fabricant d’ouvrages en métaux précieux est tenu de déposer au bureau de la garantie relevant de la Monnaie royale de Belgique, où il justifierade son identité et de son inscription à la Banque Carrefour des Entreprises, une empreinte de son poinçonsignature sur une planche de cuivre à ce destinée, ainsi que trois reproductions de cette empreinte.

§1er. Tout fabricant d’ouvrages en métaux précieux est tenu de déposer au bureau de la garantie relevant de la Monnaie royale de Belgique, où il justifiera de son identité et de son inscription à la Banque Carrefour des Entreprises, une empreinte de son poinçonsignature sur une plaque de cuivre, sur laquelle la signature est imprimée trois fois.

(…) (…)

Art. 17

Toute personne non ressortissante d'un Etat membre de la Communauté économique européenne est tenue d'accompagner le dépôt de l'empreinte de son poinçon-signature du versement d'un cautionnement déterminé par le Roi.

Toute personne non ressortissante d'un Etat membre de l’Union européenne est tenue d'accompagner le dépôt de l'empreinte de son poinçon-signature du versement d'un cautionnement déterminé par le Roi.

Art. 21

Sans préjudice de l'application de dispositions plus sévères, notamment des articles 184 et 498 du Code pénal, quiconque aura contrevenu aux dispositions de la présente loi sera puni d'une amende administrative ou pénale de 50 EUR à 5.000 EUR.

Sans préjudice de l'application de dispositions plus sévères, notamment des articles 427, 445 et

482 du Code pénal, quiconque aura contrevenu aux dispositions de la présente loi sera puni d’une amende administrative de 400 euros à

40.000 euros ou d’une peine de niveau 1 visée aux articles 36 et 38 du Code pénal, où, par dérogation à ces articles, l’amende maximale est de 40.000 euros.

En cas de récidive, une peine de prison de huit jours à six mois pourra être infligée et l'interdiction de garantir les ouvrages par l'apposition du poinçon-signature sera toujours prononcée.

En cas de récidive, une peine de niveau 2 pourra être infligée et l'interdiction de garantir les ouvrages par l'apposition du poinçon-signature sera toujours prononcée.

(…) (…)

Art. 22

La mise en vente des produits revêtus d'un poinçon-signature contrefait sera punie soit d'un emprisonnement de huit jours à six mois et d'une amende de 26 EUR à 2.000 EUR, ou de l'une de ces peines seulement, soit d'une amende administrative de 26 à 2.000 EUR.

La mise en vente des produits revêtus d'un poinçon-signature contrefait sera punie soit d’une peine de niveau

1, soit d'une amende administrative de 200 à 16.000 euros.

Art. 24

Le Livre Ier du Code pénal, sans exception du chapitre VII et de l'article 85, est applicable aux infractions prévues par la présente loi.

Abrogé

Loi du 17 décembre 1998 créant un Fonds de protection des dépôts et des instruments financiers et réorganisant les systèmes de protection des dépôts et des instruments financiers

Art. 13 (…) (…)

Les infractions au présent article sont punies des peines prévues par l'article 458 du Code pénal.

Les infractions au présent article sont punies des peines prévues par l’article 352 du Code pénal.

Les dispositions du Livre Ier du Code pénal, sans exception du Chapitre VII et de l'article 85, sont applicables aux infractions au présent article.

Les dispositions du Livre Ier du Code pénal, y compris les articles 19 et 36, sont applicables aux infractions au présent article.

Loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers

Art. 2

Pour l'application de la présente loi, il y a lieu d'entendre par :

Pour l'application de la présente loi, il y a lieu d'entendre par : (…) (…)

87° information en matière de durabilité: les informations liées aux questions de durabilité que les sociétés doivent publier conformément aux articles 3:6/3, 3:6/4 ou 3:6/5, selon le cas,

87° information en matière de durabilité: les informations liées aux questions de durabilité que les sociétés doivent publier conformément aux articles 3:6/3 et 3:6/8 ou 3:32/2 et 3:32/6

3:6/8 et 3:6/9 ou 3:32/2, 3:32/3 et 3:32/6 du Code des sociétés et des associations ou conformément aux dispositions de leur législation nationale visant à transposer les articles 19bis, 29bis en 29quinquies de la directive 2013/34/UE;

du Code des sociétés et des associations, selon le cas, ou conformément aux dispositions de leur législation nationale visant à transposer les articles 19bis, 29bis en 29quinquies de la directive 2013/34/UE;

(…) (…)

Art. 74

La FSMA, le président du comité de direction, les membres du comité de direction, les membres du conseil de surveillance, les membres de la commission des sanctions et les membres du personnel de la FSMA ainsi que les personnes ayant exercé par le passé les fonctions précitées sont tenus au secret professionnel et ne peuvent divulguer à quelque personne ou autorité que ce soit les informations confidentielles dont ils ont eu connaissance en raison de leurs fonctions.

La FSMA, le président du comité de direction, les membres du comité de direction, les membres du conseil de surveillance, les membres de la commission des sanctions et les membres du personnel de la FSMA ainsi que les personnes ayant exercé par le passé les fonctions précitées sont tenus au secret professionnel et ne peuvent divulguer à quelque personne ou autorité que ce soit les informations confidentielles dont ils ont eu connaissance en raison de leurs fonctions. Nonobstant l'alinéa 1er, et sans préjudice de l'application de dispositions plus restrictives du droit de l'Union européenne directement applicables, la FSMA peut communiquer des informations confidentielles :

Nonobstant l'alinéa 1er, et sans préjudice de l'application de dispositions plus restrictives du droit de l'Union européenne directement applicables, la FSMA peut communiquer des informations confidentielles : 1° dans les cas où la communication de telles informations est prévue ou autorisée par ou en vertu de la présente loi et des lois régissant les missions confiées à la FSMA ;

1° dans les cas où la communication de telles informations est prévue ou autorisée par ou en vertu de la présente loi et des lois régissant les missions confiées à la FSMA ; 2° lors d'un témoignage en justice en matière pénale;

2° lors d'un témoignage en justice en matière pénale; 3° pour dénoncer des infractions pénales aux autorités judiciaires, étant entendu que l'article 29 du Code d'instruction criminelle ne s'applique pas aux personnes visées à l'alinéa 1er;

3° pour dénoncer des infractions pénales aux autorités judiciaires, étant entendu que l'article 29 du Code d'instruction criminelle ne s'applique pas aux personnes visées à l'alinéa 1er; 4° dans le cadre de recours administratifs ou juridictionnels contre les actes ou décisions de la FSMA et dans toute autre instance à laquelle la FSMA est partie;

4° dans le cadre de recours administratifs ou juridictionnels contre les actes ou décisions de la FSMA et dans toute autre instance à laquelle la FSMA est partie; 5° sous une forme sommaire ou agrégée de façon que des personnes physiques ou morales individuelles ne puissent pas être identifiées.

5° sous une forme sommaire ou agrégée de façon que des personnes physiques ou morales individuelles ne puissent pas être identifiées. La FSMA peut rendre publique la décision de dénoncer des infractions pénales aux autorités judiciaires.

La FSMA peut rendre publique la décision de dénoncer des infractions pénales aux autorités judiciaires.

Outre les cas de témoignage effectué devant les juridictions de jugement, le témoignage en justice en matière pénale visé à l’alinéa 2, 2° peut être réalisé sur la base d’une réquisition émanant d’un juge d’instruction. Par ailleurs, dans le cadre de la recherche des infractions s’il existe des indices sérieux que celles-ci peuvent donner lieu à une peine de niveau 2 ou à une peine plus lourde, le procureur du Roi et le procureur fédéral, peuvent, par sollicitation spécifique, motivée et écrite, demander auprès de la FSMA des informations confidentielles qu’elle a reçues dans l'exercice de ses missions visées à l’article 45, §1er. Dans sa demande, le procureur du Roi ou le procureur fédéral décrit précisément les renseignements qu'il demande et la forme employée pour lui communiquer ces informations.

Art. 75

§ 1er. Par dérogation à l'article 74, alinéa 1er, et dans les limites du droit de l'Union européenne la FSMA peut communiquer des informations confidentielles :

§ 1er. Par dérogation à l'article 74, alinéa 1er, et dans les limites du droit de l'Union européenne la FSMA peut communiquer des informations confidentielles : (…) (…)

12° au Collège de supervision des réviseurs d'entreprises et aux autorités d'Etats membres ou de pays tiers investies de la surveillance des personnes chargées du contrôle légal des comptes annuels des entreprises soumises au contrôle de la FSMA;

12° au Collège de supervision des réviseurs d'entreprises et aux autorités d'Etats membres ou de pays tiers investies de la surveillance des personnes chargées du contrôle légal des comptes annuels des entreprises soumises au contrôle de la FSMA, d'autres établissements financiers relevant du droit belge ou d'établissements similaires relevant d’un droit étranger; (…) (…)

29° aux autorités ou organismes d'Etats membres ou de pays tiers chargés des procédures de liquidation ou de faillite ou des procédures similaires, concernant des entreprises soumises au contrôle de la FSMA ou dont les opérations sont soumises à son contrôle, ou chargés de la surveillance des organismes intervenant dans de telles procédures.

§ 2. La FSMA ne peut communiquer des informations confidentielles en vertu du § 1er qu'à condition qu'elles soient destinées à l'accomplissement des missions des autorités ou organismes qui en sont les destinataires et que les informations soient dans leur chef couvertes par un devoir de secret professionnel équivalent à celui prévu à l'article 74. En outre, les informations suivantes ne peuvent être divulguées qu'avec l'accord explicite de l'autorité dont elles proviennent et, le cas échéant, aux seules fins pour lesquelles cette autorité a marqué son accord:

правок: 1

§ 2. La FSMA ne peut communiquer des informations confidentielles en vertu du § 1er qu'à condition qu'elles soient destinées à l'accomplissement des missions des autorités ou organismes qui en sont les destinataires et que les informations soient dans leur chef couvertes par un devoir de secret professionnel équivalent à celui prévu à l'article 74. En outre, les informations suivantes ne peuvent être divulguées qu'avec l'accord explicite de l'autorité dont elles proviennent et, le cas échéant, aux seules fins pour lesquelles cette autorité a marqué son accord:

правок: 1

1° les informations provenant d'une autorité d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen, dans les cas visés aux 7°, 9°, 10°, 12° et 17° du paragraphe 1er;

1° les informations provenant d'une autorité d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen, dans les cas visés aux 7°, 9°, 10°, 12° et 17° du paragraphe 1er; 2° les informations provenant d'une autorité d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen et divulguées aux autorités ou organismes d'Etat tiers dans les cas visés aux 4° et 13° du paragraphe 1er;

2° les informations provenant d'une autorité d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen et divulguées aux autorités ou organismes d'Etat tiers dans les cas visés aux 4° et 13° du paragraphe 1er; 3° les informations divulguées par la FSMA dans le cadre de l'exercice de ses compétences visées à l'article 45, § 1er, alinéa 1er, 2°, g), provenant des autorités ou personnes visées aux 3°, 9°, 10°, 12° et 17°, dans les cas visés au 1bis°, au 13° et au 19° du paragraphe 1er. De même, les informations obtenues par la FSMA dans le cadre de vérifications sur place dans un autre Etat membre, effectuées dans le cadre de l'exercice de ses compétences visées à l'article 45, § 1er, alinéa 1er, 2°, g), ne peuvent être divulguées qu'avec l'accord explicite de l'autorité compétente de l’État membre où la vérification sur place a été effectuée et le cas échéant, aux seules fins pour lesquelles cette autorité a marqué son accord.

3° les informations divulguées par la FSMA dans le cadre de l'exercice de ses compétences visées à l'article 45, § 1er, alinéa 1er, 2°, g), provenant des autorités ou personnes visées aux 3°, 9°, 10°, 12° et 17°, dans les cas visés au 1bis°, au 13° et au 19° du paragraphe 1er. De même, les informations obtenues par la FSMA dans le cadre de vérifications sur place dans un autre Etat membre, effectuées dans le cadre de l'exercice de ses compétences visées à l'article 45, § 1er, alinéa 1er, 2°, g), ne peuvent être divulguées qu'avec l'accord explicite de l'autorité compétente de l’État membre où la vérification sur place a été effectuée et le cas échéant, aux seules fins pour lesquelles cette autorité a marqué son accord.

Dans tous les cas où elle communique des informations confidentielles en application du paragraphe 1er, la FSMA peut déterminer les modalités de traitement de ces informations et préciser que ces informations ne peuvent être divulguées sans son consentement exprès ou seulement aux fins pour lesquelles elle a donné son accord.

Les informations confidentielles communiquées par la FSMA, dans le cadre de l'exercice de ses compétences de contrôle des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement visées à l'article 45, § 1er, alinéa 1er, 2°, à d’autres personnes ou organismes que ceux visés au paragraphe 1er,

1°bis ou 3°, ne peuvent être divulguées qu’avec l’accord explicite de la FSMA, le cas échéant, aux seules fins pour lesquelles la FSMA aura marqué son accord.

§3. La FSMA peut faire usage des informations confidentielles visées à l'article 74, alinéa 1er, ou reçues de la part des autorités et organismes visés au § 1er pour l'accomplissement de l'ensemble de ses missions légales.

§3. La FSMA peut faire usage des informations confidentielles visées à l'article 74, alinéa 1er, ou reçues de la part des autorités et organismes visés au § 1er pour l'accomplissement de l'ensemble de ses missions légales. À cet égard, la FSMA doit respecter les restrictions ou limites éventuelles qui lui seraient précisées par une autorité quant à la possibilité d’utiliser et/ou de communiquer les informations ainsi reçues. (…) (…)

Art. 77

§ 1er. Sans préjudice des articles 74 à 76 et des dispositions prévues par des lois particulières ou des règlements européens, la FSMA coopère avec les autorités compétentes d'autres Etats membres de l'Espace économique européen et d'Etats tiers qui exercent une ou plusieurs compétences comparables à celles visées à l'article 45, de même qu'avec l'ESMA, l'EBA, l'EIOPA et le Comité européen du risque systémique, dans les limites des règlements et directives européens. Lorsqu'elle conclut des accords de coopération avec d'autres autorités compétentes, elle en informe l'ESMA, l'EBA et l'EIOPA, selon le cas.

§ 1er. Sans préjudice des articles 74 à 76 et des dispositions prévues par des lois particulières ou des règlements européens, la FSMA coopère avec les autorités compétentes d'autres Etats membres de l'Espace économique européen et d'Etats tiers qui exercent une ou plusieurs compétences comparables à celles visées à l'article 45, de même qu'avec l'ESMA, l'EBA, l'EIOPA et le Comité européen du risque systémique, dans les limites des règlements et directives européens. Lorsqu'elle conclut des accords de coopération avec d'autres autorités compétentes, elle en informe l'ESMA, l'EBA et l'EIOPA, selon le cas.

De même, aux fins de la Directive (UE)

2019/2034 du Parlement européen et du Conseil du 27 novembre 2019 concernant la surveillance prudentielle des entreprises d’investissement et modifiant les directives

2002/87/CE, 2009/65/CE, 2011/61/UE, 2013/36/UE, 2014/59/UE et 2014/65/UE, la FSMA coopère avec les autorités compétentes, en qualité de parties au Système européen de surveillance financière, dans un esprit de confiance et de respect mutuel total, notamment en veillant à ce que des informations appropriées, fiables et exhaustives soient échangées entre elle et les autres parties au Système européen de surveillance financière

Aux fins de la coopération avec les autorités compétentes d'autres Etats membres de l'Espace économique européen et d'Etats tiers et aux fins de la coopération avec l'ESMA, l'EBA, l'EIOPA et le Comité européen du risque systémique, la FSMA dispose des pouvoirs qui lui sont attribués par la loi ou en vertu d'une loi, même si les actes ou pratiques en question ne constituent pas une violation d'une règle en Belgique.

Aux fins de la coopération avec les autorités compétentes d'autres Etats membres de l'Espace économique européen et d'Etats tiers et aux fins de la coopération avec l'ESMA, l'EBA, l'EIOPA et le Comité européen du risque systémique, la FSMA dispose des pouvoirs qui lui sont attribués par la loi ou en vertu d'une loi, même si les actes ou pratiques en question ne constituent pas une violation d'une règle en Belgique.

Art. 128/2

Le service de médiation en matière financière a les missions suivantes:

Le service de médiation en matière financière a les missions suivantes: 1° traiter de plaintes relatives à un différend entre le plaignant et une institution financière,

1° traiter de plaintes relatives à un différend entre le plaignant et une institution financière, par le biais de la médiation ou en émettant un avis en vue de la résolution du différend.

par le biais de la médiation ou en émettant un avis en vue de la résolution du différend. Les plaintes peuvent être formulées par tout consommateur, toute personne morale poursuivant un but désintéressé ou toute société, ayant un intérêt à la résolution d’un différend avec une institution financière, né dans le cadre de l’exercice de ses activités liées à son statut réglementé tel que visé à l’article 128/1, § 2.

Les plaintes peuvent être formulées par tout consommateur, toute personne morale poursuivant un but désintéressé ou toute entreprise au sens de l’article I.19, 6° du Code de droit économique, ayant un intérêt à la résolution d’un différend avec une institution financière, né dans le cadre de l’exercice de ses activités liées à son statut réglementé tel que visé à l’article 128/1, § 2.

(…) (…)

Loi du 28 décembre 2011 relative au Fonds de résolution

Art. 4 (…) (…)

Les infractions au présent article sont punies des peines prévues par l'article 458 du Code pénal.

Les infractions au présent article sont punies des peines prévues par l'article 352 du Code pénal.

Les dispositions du Livre Ier du Code pénal, sans exception du chapitre VII et de l'article 85, sont applicables aux infractions au présent article.

Les dispositions du Livre Ier du Code pénal, y compris les articles 19 et 36, sont applicables aux infractions au présent article.

Loi du 17 juillet 2013 relative à la protection contre le faux monnayage et au maintien de la qualité de la circulation fiduciaire

Art. 3 (…) (…)

3° "billets présumés neutralisés": les billets en euros, au sujet desquels on a des raisons suffisantes de penser qu'ils ont été rendus impropres à l'usage suite au déclenchement d'un système de neutralisation visé à l'article 5, § 2, de l'arrêté royal du 7 avril 2003 réglant certaines méthodes de surveillance et de protection du transport de valeurs et relatif aux spécificités techniques des véhicules de transport de valeurs".

3° "billets présumés neutralisés": les billets en euros, au sujet desquels on a des raisons suffisantes de penser qu'ils ont été rendus impropres à l'usage suite au déclenchement d'un système de neutralisation visé à l’article 5, §2, de l’arrêté royal du 20 mai 2022 réglant certaines méthodes de surveillance et de protection du transport de valeurs et relatif aux spécificités techniques des véhicules de transport de valeurs.

Art. 8 (…) (…)

L'amende est recouvrée, au profit du Trésor, par l'Administration de la T.V.A., de l'enregistrement et des domaines.

L'amende est recouvrée, au profit du Trésor, par l'administration du Service public fédéral

Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances fiscales et non fiscales, conformément aux articles 3 et suivants de la loi domaniale du 22 décembre

1949.

Loi du 4 avril 2014 relative aux assurances

Art. 332

§ 2/1. Le service ombudsman des assurances détermine son règlement de procédure conformément aux dispositions du Titre 4 du Livre XVI du Code de droit économique.

§ 2/1. Le service ombudsman des assurances détermine son règlement de procédure conformément aux dispositions du Titre 4 du Livre XVI du Code de droit économique.

À l'exception des litiges avec Datassur pour lesquels le service de l'Ombudsman des assurances intervient comme instance d'appel, seuls les motifs de refus de traitement visés à l'article XVI.25, § 1er, 7°, b), à h), du Code de droit économique peuvent être fixés par le service de médiation en matière financière dans son règlement de procédure.

À l'exception des litiges avec Datassur pour lesquels le service de l'Ombudsman des assurances intervient comme instance d'appel, seuls les motifs de refus de traitement visés à l'article XVI.25, § 1er, 7°, b), à h), du Code de droit économique peuvent être fixés par le service ombudsman des assurances dans son règlement de procédure.

Loi du 19 avril 2014 relative aux organismes de placement collectif et à leurs gestionnaires

Art. 336

Sans préjudice des articles 291 et 305, la présente partie s'applique en ce qui concerne:

Sans préjudice des articles 291 et 305, la présente partie s'applique en ce qui concerne:

1° les dispositions des parties I, II, des livres I et I/1 de la partie III, et des parties IV, VIII et IX ainsi que les arrêtés et règlements pris pour leur exécution;

1° les dispositions des parties I, II, des livres I et

I/1 de la partie III, et des parties IV, V, VIII et IX ainsi que les arrêtés et règlements pris pour leur exécution;

(…) (…)

Art. 339

Les OPCA publics communiquent périodiquement à la FSMA une situation financière détaillée. Celle-ci est établie conformément aux règles fixées par règlement de la FSMA, pris conformément à l'article 64 de la loi du 2 août 2002, qui en détermine le contenu, la fréquence et le mode de communication. La FSMA peut, en outre, prescrire la communication régulière d'autres informations chiffrées ou descriptives nécessaires à la vérification du respect des dispositions visées à l'article 336.

Les OPCA publics communiquent périodiquement à la FSMA une situation financière détaillée. La FSMA peut, par règlement adopté conformément à l’article 64 de la loi du 2 août 2002, étendre cette obligation de rapportage à tout ou partie des

OPCA non publics et des entités visées à l’article

281, alinéa

2.

Celles-ci sont établies conformément aux règles fixées par règlement de la FSMA, pris conformément à l'article 64 de la loi du 2 août 2002, qui en détermine le contenu, la fréquence et le mode de communication. La FSMA peut, en outre, prescrire la communication régulière d'autres informations chiffrées ou descriptives nécessaires à la vérification du respect des dispositions visées à l'article 336.

(…) (…)

Loi du 25 octobre 2016 portant création de l’Agence fédérale de la Dette et suppression du Fonds des Rentes

Art. 3 (…) (…)

§3. Dans le cadre des missions prévues aux paragraphes 1er et 2, l'Agence contribue à la prévention du blanchiment de capitaux, du financement du terrorisme et de la fraude fiscale.

L’Agence peut, afin de contribuer à la prévention du blanchiment de capitaux, du financement du terrorisme et de la fraude fiscale :

1° identifier les personnes avec lesquelles elle entretient ou envisage une relation d’affaire ou professionnelle concrète et vérifier leur identité ;

2° identifier le ou les mandataire(s) des personnes visés au 1° et vérifier leur identité et leur pouvoir d’agir au nom de ces personnes ;

3° identifier le ou les bénéficiaire(s) effectif(s)

des personnes visées au 1° ;

4° évaluer et analyser les caractéristiques des personnes visés au 1° et l’objet et la nature envisagée de la relation d’affaires ou professionnelle ou de l’opération occasionnelle et, le cas échéant, obtenir à cet effet des informations complémentaires ;

5° analyser des opérations occasionnelles et des opérations effectuées pendant la durée d’une relation d’affaire ou professionnelle ; 6° déclarer à la CTIF, lorsque l’Agence sait, soupçonne ou a des motifs raisonnables de soupçonner que des fonds, des opérations ou tentatives d’opérations, ou d’autres faits dont elle a connaissance, sont liés au blanchiment de capitaux ou au financement du terrorisme, et donner suite aux demandes de renseignements complémentaires de la CTIF ;

7° déclarer au SPF Finances, Administration générale de la Fiscalité, lorsque l’Agence sait, soupçonne ou a des motifs raisonnables de soupçonner que des fonds, des opérations ou tentatives d’opérations, ou d’autres faits dont elle a connaissance, sont liés à la fraude fiscale, et donner suite aux demandes de renseignements complémentaires de l’Administration générale de la Fiscalité ;

8° refuser ou suspendre une relation d’affaire, une relation professionnelle ou une transaction quand l’Agence sait, soupçonne ou a des motifs raisonnables de soupçonner que des fonds, des opérations ou tentatives d’opérations, ou d’autres faits dont elle a connaissance, sont liés au blanchiment de capitaux, au financement du terrorisme ou à la fraude fiscale. L’Agence, ses dirigeants, membres du personnel et mandataires, ne révèlent pas à la personne concernée que des informations ou renseignements sont, seront ou ont été transmis à la CTIF ou à l’Administration générale de la Fiscalité, ou qu'une analyse pour blanchiment de capitaux, pour financement du terrorisme ou pour fraude fiscale est en cours ou susceptible de l'être.

La communication d'informations effectuée de bonne foi à la CTIF ou à l’Administration générale de la Fiscalité par l’Agence, ses dirigeants, membres du personnel ou mandataires, ne constitue pas une violation d'une quelconque restriction à la divulgation d'informations imposée par un contrat ou par une disposition législative, réglementaire ou administrative et n'entraîne, pour l’Agence, ses dirigeants, membres du personnel ou mandataires, aucune responsabilité d'aucune sorte, civile, pénale ou disciplinaire, ni de mesure préjudiciable ou discriminatoire en matière d'emploi, même dans une situation où ils n'avaient pas une connaissance précise de l'activité criminelle sous-jacente et ce, indépendamment du fait qu'une activité illicite s'est effectivement produite.».

Art. 9/1 (…)

Art. 9/1. §1er. L’Agence traite des données à caractère personnel au sens de l'article 4, 1), du Règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE.

L’Agence traite les catégories de données à caractère personnel suivantes, en vue d’accomplir les missions suivantes, au sens de l’article 3, §1er :

1° exécuter les opérations financières liées à l'émission de tout type d'emprunts: concernant les personnes, leurs mandataires et leurs bénéficiaires effectifs, qui agissent, ou envisagent concrètement d’agir, en tant que contreparties de l’Agence concernant ces emprunts, et concernant les personnes physiques qui approuvent ces emprunts au nom et pour le compte de ces personnes :

a) le nom et le prénom ;

b) la date et le lieu de naissance ;

c) la nationalité ;

d) le sexe ;

e) le numéro de registre national ;

f) l’adresse, le numéro de téléphone et l’adresse e-mail ; g) la signature ;

h) la copie de la carte d'identité ;

i) le numéro de compte bancaire et le nom du titulaire du compte bancaire ; et

j) les transactions financières avec l’Agence.

2° intervenir sur le marché des produits dérivés : concernant les personnes, leurs mandataires et leurs bénéficiaires effectifs, qui agissent, ou envisagent concrètement d’agir, en tant que contreparties de l’Agence concernant ces produits dérivés, et concernant les personnes physiques qui approuvent ces produits dérivés au nom et pour le compte de ces personnes :

a) le nom et le prénom ;

b) la date et le lieu de naissance ;

c) la nationalité ;

d) le sexe ;

e) le numéro de registre national ;

f) l’adresse, le numéro de téléphone et l’adresse e-mail ; g) la signature ;

h) la copie de la carte d'identité ;

i) le numéro de compte bancaire et le nom du titulaire du compte bancaire ; et

j) les transactions financières avec l’Agence.

L’Agence traite les catégories de données à caractère personnel suivantes, en vue d’accomplir la mission au sens de l’article 3, §2

:

1° concernant les personnes, leurs mandataires et leurs bénéficiaires effectifs, qui agissent, ou envisagent concrètement d’agir, en tant que contreparties de l’Agence ou de Hedera concernant les actifs financiers de Hedera, et concernant les personnes physiques qui approuvent des opérations concernant ces actifs financiers au nom et pour le compte de ces personnes :

a) le nom et le prénom ;

b) la date et le lieu de naissance ;

c) la nationalité ;

d) le sexe ;

e) le numéro de registre national ;

f) l’adresse, le numéro de téléphone et l’adresse e-mail ; g) la signature ;

h) la copie de la carte d'identité ;

i) le numéro de compte bancaire et le nom du titulaire du compte bancaire ; et j) les transactions financières avec l’Agence ou Hedera.

L’Agence traite les catégories de données à caractère personnel suivantes, en vue d’accomplir les missions au sens de l’article 3,

§3, alinéa 2, 1° à 8° et en vue de respecter les dispositions contraignantes relatives aux embargos financiers telle que définie à l’article

4, 6°, de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces :

1° concernant les personnes, leurs mandataires et leurs bénéficiaires effectifs, qui agissent, ou envisagent concrètement d’agir, en tant que contreparties de l’Agence ou de Hedera, et concernant les personnes physiques qui approuvent des opérations avec l’Agence ou

Hedera au nom et pour le compte de ces personnes :

a) le nom et le prénom ;

b) la date et le lieu de naissance ;

c) la nationalité ;

d) le sexe ;

e) le numéro de registre national ;

f) l’adresse, le numéro de téléphone et l’adresse e-mail ; g) la signature ;

h) la copie de la carte d'identité ;

i) le numéro de compte bancaire et le nom du titulaire du compte bancaire ;

j) les transactions financières avec l’Agence ou Hedera ;

k) les données relatives aux soupçons et à l’analyse interne ; et l) les données relatives aux déclarations à la CTIF et à l’Administration générale de la Fiscalité.

§ 2. L’Agence est le responsable du traitement des données à caractère personnel qu'elle collecte en vertu de la présente loi pour les finalités visées au paragraphe 1er.

§3. Les données à caractère personnel mentionnées au paragraphe

1er sont conservées pendant maximum dix ans à dater de la fin de la relation d'affaires ou professionnelle ou de l'opération occasionnelle.

En cas de procédure judiciaire, la durée maximale de conservation de dix ans visée à l’alinéa 2 est prolongée, le cas échéant, jusqu'à la clôture définitive de cette procédure.

§ 4. L’Agence peut, pour les finalités visées à l’article 3, §3, alinéa 2, 1° à 8°, échanger des informations concernant les données à caractère personnel mentionnées au paragraphe 1er, alinéa 4, avec : les services du

SPF Finances, d’autres services publics fédéraux (y compris le SPF Justice dans le cadre d’enquêtes et de procédures judiciaires), les services administratifs de l’État, la FSMA, la

Banque Nationale, l'opérateur des comptes

679, la Cellule de Traitement des Informations

Financière, les entités soumises à la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces, et chaque autre personne qui est légalement habilitée à recevoir ces données de la part de l’Agence.

§ 5. Outre les exceptions prévues aux articles

14, paragraphe 5, points c), et d), 17, paragraphe 3, point b), 18, paragraphe 2, et 20, paragraphe 3, du Règlement (UE) 2016/679 du

Parlement européen et du Conseil du 27 avril

2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive

95/46/CE, en vue de garantir les objectifs de l'article 23, paragraphe 1er, points d), et e) du règlement précité, l'exercice des droits visés aux articles 12 (transparence des informations et des communications et modalités de l'exercice des droits de la personne concernée),

13 (informations à fournir lorsque les données à caractère personnel sont collectées auprès de la personne concernée), 15 (droit d'accès), 16 (droit de rectification), 19 (obligation de notification en ce qui concerne la rectification ou l'effacement de données à caractère personnel ou la limitation du traitement), 21 (droit d'opposition), 22 (droit de profilage) et 34 (communication à la personne concernée d'une violation de données à caractère personnel) de ce règlement est limité s'agissant des traitements de données à caractère personnel visées à l'article 4, 1), du même règlement, qui sont effectués, pour les finalités visées à l’article 3, §3, alinéa 2, 1° à 8°, par l’Agence en sa qualité de responsable du traitement exerçant une mission d'intérêt public, et ceci afin :

1° de permettre à l’Agence de contribuer à la prévention du blanchiment de capitaux, du financement du terrorisme et de la fraude fiscale et de respecter les dispositions contraignantes relatives aux embargos financiers; ou

2° de ne pas compromettre la prévention et la détection des cas de blanchiment de capitaux, de financement du terrorisme ou de fraude fiscale, ni les enquêtes en la matière, et d'éviter de faire obstacle aux demandes de renseignements, analyses, enquêtes ou procédures à caractère officiel ou judiciaire.

Par dérogation au paragraphe 5, alinéa 1er, la personne concernée a toujours le droit d’être informée de la limitation de ses droits.

Les droits susmentionnés ne sont limités que dans la mesure et pour la durée où leur exercice porterait atteinte aux finalités légitimes susmentionnées. En tout cas, la limitation est levée après la clôture définitive d'une enquête qui s'avère infondée et après la clôture définitive d'une procédure judiciaire relative au blanchiment d'argent, au financement du terrorisme ou à la fraude fiscale.

La limitation des droits susmentionnés ne concerne que les données à caractère personnel mentionnées au paragraphe 1er, alinéa 4. De plus, la limitation ne concerne que les données à caractère personnel nécessaires à la réalisation des finalités légitimes susmentionnées. La limitation concerne au moins les catégories suivantes de données à caractère personnel :

1° les données relatives aux soupçons et à l’analyse interne ; et 2° les données relatives aux déclarations à la CTIF et à l’Administration générale de la Fiscalité.

L’Agence prévoit les garanties nécessaires destinées à prévenir des abus. Ces garanties comprennent au moins les mesures suivantes :

1° l’Agence informe les personnes concernées de la possibilité d’introduire une plaine auprès de l’Autorité de protection des données ; 2° le contrôle humain des résultats ;

3° le contrôle hiérarchique ;

4° l’existence de l’audit interne ou externe.

Loi du 25 octobre 2016 relative à l'accès à l'activité de prestation de services d'investissement et au statut et au contrôle des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement

Art. 2

Pour l'application de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution, il y a lieu d'entendre :

Pour l'application de la présente loi et des arrêtés et règlements pris pour son exécution, il y a lieu d'entendre :

(…) (…)

52°/1 par autorité chargée de la surveillance de la lutte contre le blanchiment de capitaux et le financement du terrorisme, une autorité qui exerce une ou plusieurs compétences de contrôle à l’égard d’entités assujetties visées à l’article 2, paragraphe 1er, points 1) et 2) de la

Directive 2015/849/UE aux fins du respect de la loi du 18 septembre 2017 ou de la législation d’un autre État membre prise en vue de la transposition de ladite directive ; (…) (…)

88° par contrepartie centrale, une contrepartie centrale au sens de l’article 2, point 1), du Règlement n°648/2012, ci-après également désignée « CCP » ;

89° “contrepartie centrale éligible : une contrepartie centrale éligible telle que définie à l’article 4, §1er, point 88), du Règlement (UE) n°

575/2013 ; ». (…) (…)

Art. 23

1er. Les membres de l'organe d'administration des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, les personnes chargées de la direction effective, le cas échéant les membres du comité de direction, ainsi que les responsables des fonctions de contrôle indépendantes sont exclusivement des personnes physiques.

1er. Les membres de l'organe d'administration des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, les personnes chargées de la direction effective, le cas échéant les membres du comité de direction, ainsi que les responsables des fonctions de contrôle indépendantes sont exclusivement des personnes physiques. Les personnes visées à l'alinéa 1er doivent disposer en permanence de l'honorabilité professionnelle nécessaire et de l'expertise adéquate à l'exercice de leur fonction, et y consacrer un temps suffisant.

Les personnes visées à l'alinéa 1er doivent disposer en permanence de l'honorabilité professionnelle nécessaire et de l'expertise adéquate à l'exercice de leur fonction, et y consacrer un temps suffisant. L'absence de condamnation pénale ou de poursuites en cours pour une infraction pénale n'est pas en soi suffisante pour satisfaire à l'exigence d'honorabilité, d'honnêteté et d'intégrité. Aux fins de l’examen du respect des exigences prévues au présent article, les éléments d’information communiqués à la FSMA respectent les normes techniques de réglementation adoptées par la Commission européenne. Les membres de l'organe d'administration disposent collectivement des connaissances, des compétences et de l'expérience nécessaires à la compréhension des activités de la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, y compris des principaux risques auxquels elle est exposée.

Les membres de l'organe d'administration disposent collectivement des connaissances, des compétences et de l'expérience nécessaires à la compréhension des activités de la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, y compris des risques connexes auxquels elle est exposée, et les répercussions que l’activité engendre à court, moyen et long termes, compte tenu des facteurs environnementaux, sociaux et de gouvernance

(ESG). À cette fin, la composition globale de ces organes est suffisamment diversifiée pour refléter un éventail suffisamment large de qualités, de compétences et d’expériences, et la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement favorise, de manière proportionnelle et conformément à la politique de diversité visée à l’article 25/2, § 5, alinéa 2,

1°, alinéa 2, la diversité et l’équilibre entre les sexes au sein desdits organes.

La FSMA vérifie en particulier s'il est satisfait aux exigences énoncées aux alinéas 2 et 3 lorsqu'elle a des motifs raisonnables de soupçonner qu'une opération ou une tentative de blanchiment de capitaux ou de financement du terrorisme est en cours ou a eu lieu ou que le risque d'une telle opération ou tentative pourrait être renforcé en lien avec la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement concernée. Aux fins du respect du présent alinéa, la FSMA peut demander aux autorités chargées de la surveillance de la lutte contre le blanchiment de capitaux et le financement du terrorisme de consulter, dans le cadre de ses vérifications et en fonction de son appréciation des risques, les informations pertinentes concernant les personnes visées au paragraphe 1er, alinéa 1er. La FSMA peut également demander l’accès à la base centrale de données LBC-FT visée dans le règlement (UE)

2024/1620 du Parlement européen et du Conseil du 31 mai 2024 instituant l’Autorité de lutte contre le blanchiment de capitaux et le financement du terrorisme et modifiant les règlements (UE) n° 1093/2010, (UE) n°

1094/2010 et (UE) n° 1095/2010. La FSMA peut, par voie de règlement pris en exécution des articles 49, § 3, et 64, de la loi du 2 août 2002, préciser les conditions minimales auxquelles il doit être satisfait en ce qui concerne l'exigence d'expertise adéquate, en ce compris les modalités de la procédure d'évaluation de cette exigence.

La FSMA peut, par voie de règlement pris en exécution des articles 49, § 3, et 64, de la loi du 2 août 2002, préciser les conditions minimales auxquelles il doit être satisfait en ce qui concerne l'exigence d'expertise adéquate, en ce compris les modalités de la procédure d'évaluation de cette exigence. (…) (…)

Art. 25

§ 1er. Les sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement doivent disposer d'un

§ 1er. Les sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement doivent disposer d'un dispositif solide et adéquat d'organisation d'entreprise, dont des mesures de surveillance, en vue de garantir une gestion efficace, saine et prudente de l'entreprise et de promouvoir l'intégrité du marché et les intérêts des clients, reposant notamment sur:

dispositif solide et adéquat d'organisation d'entreprise, dont des mesures de surveillance, en vue de garantir une gestion efficace, saine et prudente de l'entreprise et de promouvoir l'intégrité du marché et les intérêts des clients, reposant notamment sur: 1° une structure de gestion adéquate basée, au plus haut niveau, sur une distinction claire entre la direction effective de l'entreprise d'une part, et le contrôle sur cette direction d'autre part, et prévoyant, au sein de l'entreprise, une séparation adéquate des fonctions et un dispositif d'attribution des responsabilités qui est bien défini, transparent et cohérent;

1° une structure de gestion adéquate basée, au plus haut niveau, sur une distinction claire entre la direction effective de l'entreprise d'une part, et le contrôle sur cette direction d'autre part, et prévoyant, au sein de l'entreprise, une séparation adéquate des fonctions et un dispositif d'attribution des responsabilités qui est bien défini, transparent et cohérent; 2° une organisation administrative et comptable et un contrôle interne adéquats, dont le fonctionnement est évalué au moins une fois par an, impliquant notamment un système de contrôle procurant un degré de certitude raisonnable quant à la fiabilité du processus de reporting financier, de manière à ce que les comptes annuels soient conformes à la réglementation comptable en vigueur;

2° une organisation administrative et comptable et un contrôle interne adéquats, dont le fonctionnement est évalué au moins une fois par an, impliquant notamment un système de contrôle procurant un degré de certitude raisonnable quant à la fiabilité du processus de reporting financier, de manière à ce que les comptes annuels soient conformes à la réglementation comptable en vigueur; 3° des procédures efficaces d'identification, de mesure, de gestion, de suivi et de reporting interne des risques importants auxquels l'entreprise est susceptible d'être exposée, y compris la prévention des conflits d'intérêts, et, sauf pour les petites sociétés de gestion non interconnectées, des risques qu'elle est susceptible de faire peser sur des tiers;

3° des procédures efficaces d'identification, de mesure, de gestion, de suivi et de reporting interne des risques importants auxquels l'entreprise est susceptible d'être exposée, dont le risque de concentration découlant d’expositions vis-à-vis des contreparties centrales, compte tenu des conditions énoncées à l’article 7bis du Règlement n°

648/2012 du Parlement européen et du Conseil du 4 juillet 2012 sur les produits dérivés de gré à gré, les contreparties centrales et les référentiels centraux, et y compris la prévention des conflits d'intérêts, et, sauf pour les petites sociétés de gestion non interconnectées, des risques qu'elle est susceptible de faire peser sur des tiers; 4° des fonctions d'audit interne, de gestion des risques et de conformité (compliance) indépendantes adéquates;

4° des fonctions d'audit interne, de gestion des risques et de conformité (compliance) indépendantes adéquates; 5° une politique d'intégrité adéquate, qui est actualisée régulièrement;

5° une politique d'intégrité adéquate, qui est actualisée régulièrement; 6° une politique de rémunération assurant une gestion saine et efficace des risques, et, à l'exception des petites sociétés de gestion de portefeuille non interconnectées, prévenant la prise de risques excédant le niveau de tolérance fixé par la société, ainsi qu'une politique de rémunération des personnes participant à la fourniture de services aux clients qui vise à

6° une politique de rémunération assurant une gestion saine et efficace des risques, et, à l'exception des petites sociétés de gestion de portefeuille non interconnectées, prévenant la prise de risques excédant le niveau de tolérance fixé par la société, ainsi qu'une politique de rémunération des personnes participant à la fourniture de services aux clients qui vise à encourager un comportement professionnel responsable et un traitement équitable des clients ainsi qu'à éviter les conflits d'intérêts dans les relations avec les clients. Sauf pour les petites sociétés de gestion de portefeuille non interconnectées, la politique et les pratiques de rémunération doivent être neutres du point de vue du genre;

encourager un comportement professionnel responsable et un traitement équitable des clients ainsi qu'à éviter les conflits d'intérêts dans les relations avec les clients. Sauf pour les petites sociétés de gestion de portefeuille non interconnectées, la politique et les pratiques de rémunération doivent être neutres du point de vue du genre; 7° des mécanismes de contrôle et de sécurité dans le domaine informatique appropriés aux activités de l'entreprise, y compris des mécanismes de sécurité solides pour garantir, conformément aux exigences fixées dans le règlement (UE) 2022/2554, la sécurité et l'authentification des moyens de transfert de l'information, réduire au minimum le risque de corruption des données et d'accès non autorisé et empêcher les fuites d'informations afin de maintenir en permanence la confidentialité des données;

7° des mécanismes de contrôle et de sécurité dans le domaine informatique appropriés aux activités de l'entreprise, y compris des mécanismes de sécurité solides pour garantir, conformément aux exigences fixées dans le règlement (UE) 2022/2554, la sécurité et l'authentification des moyens de transfert de l'information, réduire au minimum le risque de corruption des données et d'accès non autorisé et empêcher les fuites d'informations afin de maintenir en permanence la confidentialité des données; 8° un système adéquat d'alerte interne, conforme à la législation prise en vue de la transposition de la directive (UE) 2019/1937 du Parlement européen et du Conseil du 23 octobre 2019 sur la protection des personnes qui signalent des violations du droit de l'Union, prévoyant notamment un mode de transmission spécifique, indépendant et autonome, des infractions aux normes et aux codes de conduite de l'entreprise;

8° un système adéquat d'alerte interne, conforme à la législation prise en vue de la transposition de la directive (UE) 2019/1937 du Parlement européen et du Conseil du 23 octobre 2019 sur la protection des personnes qui signalent des violations du droit de l'Union, prévoyant notamment un mode de transmission spécifique, indépendant et autonome, des infractions aux normes et aux codes de conduite de l'entreprise; 9° la mise en place de mesures adéquates pour assurer la continuité et la régularité de leurs services et activités d'investissement. A cette fin, elle utilise des systèmes appropriés et proportionnés, y compris des systèmes de technologies de l'information et de la communication (TIC) mis en place et gérés conformément à l'article 7 du règlement (UE) 2022/2554, ainsi que des ressources et des procédures appropriées et proportionnées ;

9° la mise en place de mesures adéquates pour assurer la continuité et la régularité de leurs services et activités d'investissement. A cette fin, elle utilise des systèmes appropriés et proportionnés, y compris des systèmes de technologies de l'information et de la communication (TIC) mis en place et gérés conformément à l'article 7 du règlement (UE) 2022/2554, ainsi que des ressources et des procédures appropriées et proportionnées ; 10° une politique relative aux services, activités, produits et opérations proposés ou fournis, conformément à la tolérance au risque de l'entreprise et aux caractéristiques et besoins des clients de l'entreprise auxquels ils seront proposés ou fournis, y compris en effectuant, au besoin, des simulations de crise appropriées.

10° une politique relative aux services, activités, produits et opérations proposés ou fournis, conformément à la tolérance au risque de l'entreprise et aux caractéristiques et besoins des clients de l'entreprise auxquels ils seront proposés ou fournis, y compris en effectuant, au besoin, des simulations de crise appropriées. Les 6° et 10° s'appliquent également aux sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement lorsqu'elles commercialisent des dépôts structurés ou fournissent des conseils sur ces dépôts à des clients.

Les 6° et 10° s'appliquent également aux sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement lorsqu'elles commercialisent des dépôts structurés ou fournissent des conseils sur ces dépôts à des clients.

(…) (…)

Art. 25/1 (…) (…)

§ 2/2. Il incombe au premier chef à la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement de veiller au respect, en permanence, des exigences prévues par les articles 23, §1er, 24, 34, §2, alinéa 2 et 36.

À cette fin, l’aptitude des personnes visées à l’article 23 est évaluée avant leur entrée en fonction et ensuite régulièrement, compte tenu des exigences et attentes en matière de surveillance, établies par ou en vertu de la présente loi, par les normes techniques et les orientations adoptées par les Autorités européennes de surveillance, en particulier par l'Autorité européenne des marchés financiers et l’Autorité bancaire européenne, et les politiques internes en matière d'aptitude Les sociétés de gestion de portefeuilles et de conseils en investissement veillent à ce que les informations relatives à l’aptitude des personnes visées à l’article 23 restent à jour.

En particulier, la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement procède à une réévaluation du respect des exigences prévues par l’article 23 en cas de survenance de tout fait ou élément qui implique une modification des informations fournies lors de la nomination et qui pourrait avoir une incidence sur l'honorabilité professionnelle nécessaire ou l'expertise adéquate à l'exercice de la fonction concernée.

Si en application des alinéas qui précèdent, la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement conclut qu’une personne visée à l’article 23, qu’elle soit candidate à la fonction ou en fonction, ne remplit pas ou plus les exigences prévues par les articles 23, §1er, 24, 34, §2, alinéa 2 et 36, elle :

1° veille à ce que le candidat concerné n’occupe pas la fonction envisagée ; 2° révoque ou licencie la personne concernée, dans les meilleurs délais ; ou

3° prend, en temps utile, dans la mesure où cela est possible, les mesures supplémentaires nécessaires pour s’assurer que la personne concernée soit apte à exercer les fonctions qui lui incombent. ».

§ 3. Le président de l'organe d'administration dans sa fonction de surveillance ne peut pas être dirigeant effectif de la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, sauf lorsqu'une telle situation est justifiée par la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement et approuvée par la FSMA en fonction de la taille et du profil de risque de la société.

§ 3. Le président de l'organe d'administration dans sa fonction de surveillance ne peut pas être dirigeant effectif de la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement. […]

Art. 25/2 (…) (…)

§ 5. Le comité de nomination est composé de manière à lui permettre d'exercer un jugement pertinent et indépendant sur la composition et le fonctionnement des organes d'administration et de gestion de la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, en particulier sur l'expertise individuelle et collective de leurs membres et sur l'intégrité, la réputation, l'indépendance d'esprit et la disponibilité de ceux-ci.

§ 5. Le comité de nomination est composé de manière à lui permettre d'exercer un jugement pertinent et indépendant sur la composition et le fonctionnement des organes d'administration et de gestion de la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, en particulier sur l'expertise individuelle et collective de leurs membres et sur l'intégrité, la réputation, l'indépendance d'esprit et la disponibilité de ceux-ci. Le comité de nomination: Le comité de nomination:

1° identifie et recommande, pour approbation par l'assemblée générale ou, le cas échéant, par l'organe d'administration, des candidats aptes à occuper des sièges vacants au sein de l'organe d'administration, évalue l'équilibre de connaissances, de compétences, de diversité et d'expérience au sein de l'organe d'administration, élabore une description des missions et des qualifications liées à une nomination donnée et évalue le temps à consacrer à ces fonctions.

1° identifie et recommande, pour approbation par l'assemblée générale ou, le cas échéant, par l'organe d'administration, des candidats aptes à occuper des sièges vacants au sein de l'organe d'administration, évalue l'équilibre de connaissances, de compétences, de diversité et d'expérience au sein de l'organe d'administration, élabore une description des missions et des qualifications liées à une nomination donnée et évalue le temps à consacrer à ces fonctions. Le comité de nomination fixe également un objectif à atteindre en ce qui concerne la représentation du sexe sous-représenté au sein de l'organe d'administration et élabore une politique destinée à y accroître le nombre de représentants de ce sexe afin d'atteindre cet objectif. L'objectif et le plan, ainsi que les modalités de sa mise en oeuvre sont rendus publics conformément à l'article 435, paragraphe 2, point c), du Règlement (UE) n° 575/2013;

Le comité de nomination fixe également un objectif à atteindre en ce qui concerne la représentation du sexe sous-représenté au sein de l'organe d'administration et élabore une politique destinée à y accroître le nombre de représentants de ce sexe afin d'atteindre cet objectif. L'objectif et le plan, ainsi que les modalités de sa mise en oeuvre sont rendus publics conformément à l'article 435, paragraphe 2, point c), du Règlement (UE) n° 575/2013; 2° évalue périodiquement, et à tout le moins une fois par an, la structure, la taille, la composition et les performances de l'organe d'administration et lui soumet des recommandations en ce qui concerne des changements éventuels;

2° évalue périodiquement, et à tout le moins une fois par an, la structure, la taille, la composition et les performances de l'organe d'administration et lui soumet des recommandations en ce qui concerne des changements éventuels;

3° évalue périodiquement, et à tout le moins une fois par an, les connaissances, les compétences, l'expérience, le degré d'implication, notamment l'assiduité, des membres de l'organe d'administration, tant individuellement que collectivement, et en rend compte à cet organe;

3° évalue périodiquement, et à tout le moins une fois par an, les connaissances, les compétences, l'expérience, le degré d'implication, notamment l'assiduité, des membres de l'organe d'administration, tant individuellement que collectivement, et en rend compte à cet organe; 4° examine périodiquement les politiques de l'organe d'administration en matière de sélection et de nomination des membres exécutifs de celui-ci, et formule des recommandations à l'intention de l'organe d'administration.

4° examine périodiquement les politiques de l'organe d'administration en matière de sélection et de nomination des membres exécutifs de celui-ci, et formule des recommandations à l'intention de l'organe d'administration.

Aux fins du respect de l’article 23, § 1er, alinéa

3, le comité de nomination fait appel à un large éventail de qualités et de compétences lors du recrutement des membres et favorise, de manière proportionnelle, la diversité et l’équilibre entre les sexes au sein de l’organe légal d’administration. À cet effet, la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement met en place des politiques favorables à la diversité au sein de l’organe d’administration et des personnes participant à la direction effective, le cas échéant du comité de direction. Dans l'exercice de ses attributions, le comité de nomination veille à ce que la prise de décision au sein de l'organe d'administration ne soit pas dominée par une personne ou un petit groupe de personnes, d'une manière qui soit préjudiciable aux intérêts de l'établissement dans son ensemble.

En particulier, dans l'exercice de ses attributions, le comité de nomination veille à ce que la prise de décision au sein de l'organe d'administration ne soit pas dominée par une personne ou un petit groupe de personnes, d'une manière qui soit préjudiciable aux intérêts de l'établissement dans son ensemble. Le comité de nomination peut recourir à tout type de ressource qu'il considère comme étant appropriée à l'exercice de sa mission, y compris à des conseils externes, et reçoit les moyens financiers appropriés à cet effet.

Le comité de nomination peut recourir à tout type de ressource qu'il considère comme étant appropriée à l'exercice de sa mission, y compris à des conseils externes, et reçoit les moyens financiers appropriés à cet effet.

Art. 25/3 (…) (…)

§ 3/1. Les sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement disposent d'une fonction de gestion des risques adéquate, indépendante des fonctions opérationnelles et qui dispose d'une autorité, d'un statut et de ressources suffisants, ainsi que d'un accès direct à l'organe d'administration.

§ 3/1. Les sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement disposent d'une fonction de gestion des risques adéquate, indépendante des fonctions opérationnelles et qui dispose d'une autorité, d'un statut et de ressources suffisants, ainsi que d'un accès direct à l'organe d'administration. Les personnes qui assurent la fonction de gestion des risques veillent à ce que tous les risques significatifs soient détectés, mesurés et correctement déclarés. Elles participent

Les personnes qui assurent la fonction de gestion des risques veillent à ce que tous les risques significatifs soient détectés, mesurés et correctement déclarés. Elles participent activement à l'élaboration de la stratégie en matière de risque de la société ainsi qu'à toutes les décisions de gestion ayant une incidence significative en matière de risque et peuvent fournir une vue complète de toute la gamme des risques auxquels est exposée la société.

activement à l'élaboration de la stratégie en matière de risque de la société ainsi qu'à toutes les décisions de gestion ayant une incidence significative en matière de risque et peuvent fournir une vue complète de toute la gamme des risques auxquels est exposée la société. La fonction de gestion des risques est dirigée par une personne participant à la direction effective, le cas échéant par un membre du comité de direction, dont c'est la seule fonction particulière pour laquelle elle est individuellement responsable. La FSMA peut autoriser qu'un membre du personnel de la société faisant partie de l'encadrement supérieur assume cette fonction à condition qu'il n'existe dans son chef aucun conflit d'intérêts.

[…]

Par dérogation à l'alinéa 3, première phrase, la FSMA peut, en vue de renforcer l'autonomie et l'indépendance des fonctions de gestion des risques et de conformité (compliance) visée au paragraphe 3, autoriser que la personne chargée de la direction effective, le cas échéant le membre du comité de direction, responsable de la fonction de gestion des risques assure également la responsabilité de la fonction de conformité (compliance), à la condition que l'exercice des deux fonctions concernées demeure assuré distinctement.

[…]

(…) (…)

Art. 25/4

Sans préjudice de la responsabilité collective globale de l’organe d’administration, les sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement établissent, conservent et mettent à jour des relevés individuels précisant les rôles et les fonctions de toutes les personnes participant à la direction effective, en ce compris le cas échéant les membres du comité de direction, et des titulaires de fonctions clés ainsi qu'une cartographie des fonctions, incluant des informations détaillées sur la structure hiérarchique, sur le partage des responsabilités, et sur les personnes qui font partie du dispositif de gouvernance visé à l'article 25, § 1er ainsi que sur leurs fonctions.

Sans préjudice de l’article 35, § 3, ces relevés individuels des fonctions et la cartographie des fonctions sont, à tout moment, mis à disposition de la FSMA et la sont par ailleurs communiqués en cas de modification ou sur demande. (…) (…)

Art. 26/3

§ 1er. Les sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement disposent de processus et de systèmes appropriés permettant de détecter, mesurer, gérer et suivre les aspects suivants :

§ 1er. Les sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement disposent de processus et de systèmes appropriés permettant de détecter, mesurer, gérer et suivre les aspects suivants : 1° les causes et effets significatifs des risques pour les clients, ainsi que toute incidence significative sur le niveau des fonds propres de la société ;

1° les causes et effets significatifs des risques pour les clients, ainsi que toute incidence significative sur le niveau des fonds propres de la société ; 2° les causes et effets significatifs des risques pour le marché, ainsi que toute incidence significative sur le niveau des fonds propres de la société ;

2° les causes et effets significatifs des risques pour le marché, ainsi que toute incidence significative sur le niveau des fonds propres de la société ; 3° les causes et effets significatifs des risques pour la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, en particulier ceux pouvant abaisser le niveau de fonds propres disponibles ;

3° les causes et effets significatifs des risques pour la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, en particulier ceux pouvant abaisser le niveau de fonds propres disponibles ; 4° le risque de liquidité sur des périodes pertinentes, y compris intra journalières, de manière à garantir que soient maintenus des niveaux adéquats de liquidité, notamment aux fins de faire face aux causes significatives des risques visés aux 1° et 2°.

4° le risque de liquidité sur des périodes pertinentes, y compris intra journalières, de manière à garantir que soient maintenus des niveaux adéquats de liquidité, notamment aux fins de faire face aux causes significatives des risques visés aux 1° à 3°.

5° les causes et effets significatifs des risques de concentration découlant d’expositions sur des contreparties centrales, et toute incidence significative sur les fonds propres. Aux fins du 3°, sont le cas échéant inclus parmi les causes significatives des risques pour la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, les modifications significatives de la valeur comptable des actifs, en ce compris les créances vis-à-vis des agents liés et la défaillance de clients ou de contreparties, les positions sur des instruments financiers, des devises étrangères et des matières premières, ainsi que les obligations liées au régime de retraite à prestations définies.

Aux fins du 3°, sont le cas échéant inclus parmi les causes significatives des risques pour la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, les modifications significatives de la valeur comptable des actifs, en ce compris les créances vis-à-vis des agents liés et la défaillance de clients ou de contreparties, les positions sur des instruments financiers, des devises étrangères et des matières premières, ainsi que les obligations liées au régime de retraite à prestations définies.

Aux fins du 5°, l’organe légal d’administration mette en place des plans spécifiques et des objectifs quantifiables, respectant les exigences énoncées à l’article 7bis du Règlement n°

648/2012, pour surveiller et traiter le risque de concentration découlant d’expositions vis-à-vis des contreparties centrales qui offrent des services d’importance systémique substantielle pour l’Union ou pour un ou plusieurs de ses

États membres. L'alinéa 1er, 2° ne s'applique pas aux petites sociétés de gestion de portefeuille non interconnectées au sens de l'article 2/2, § 1er.

L'alinéa 1er, 2° ne s'applique pas aux petites sociétés de gestion de portefeuille non interconnectées au sens de l'article 2/2, § 1er. (…) (…)

Art. 34 (…) (…)

§9. Les sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement consacrent des ressources humaines et financières adéquates à l’initiation et à la formation des membres de l’organe de légal d’administration et des personnes participant à la direction effective, le cas échéant, les membres du comité de direction, y compris en ce qui concerne les risques et incidences environnementaux, sociaux et de gouvernance (ESG) et le risque informatique, tels qu’ils sont définis à l’article

4, paragraphe 1, point 52 quater), du Règlement n° 575/2013.

Art. 35

§ 1er. Les sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement informent préalablement la FSMA de la proposition de nomination des membres de l'organe d'administration et des membres du comité de direction ou, en l'absence de comité de direction, des personnes chargées de la direction effective, ainsi que des responsables des fonctions de contrôle indépendantes.

§ 1er. Les sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement informent préalablement la FSMA, selon les modalités qu’elle détermine, de la proposition de nomination des membres de l'organe d'administration et des membres du comité de direction ou, en l'absence de comité de direction, des personnes chargées de la direction effective, ainsi que des responsables des fonctions de contrôle indépendantes. Dans le cadre de l'information requise en vertu de l'alinéa 1er, les sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement communiquent à la FSMA tous les documents et informations lui permettant d'évaluer si les personnes dont la nomination est proposée disposent de l'honorabilité professionnelle nécessaire et de l'expertise adéquate à l'exercice de leur fonction conformément à l'article 23.

Dans le cadre de l'information requise en vertu de l'alinéa 1er, les sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement communiquent à la FSMA tous les documents et informations lui permettant d'évaluer si les personnes dont la nomination est proposée disposent de l'honorabilité professionnelle nécessaire et de l'expertise adéquate à l'exercice de leur fonction conformément à l'article 23 et si les nominations proposées s'inscrivent dans le cadre de la politique et de l'objectif établis par le comité de nomination, en application de l'article 25/2, §5, alinéa 3, notamment en matière de diversité et de représentation de personnes de sexe différent.

Les exigences prévues par l’article 36 sont respectées dans le chef des personnes dont la nomination est proposée. L'alinéa 1er est également applicable à la proposition de renouvellement de la nomination des personnes qui y sont visées ainsi qu'au nonrenouvellement de leur nomination, à leur révocation ou à leur démission.

L'alinéa 1er est également applicable à la proposition de renouvellement de la nomination des personnes qui y sont visées ainsi qu'au nonrenouvellement de leur nomination, à leur révocation ou à leur démission.

§ 2. La nomination des personnes visées au paragraphe 1er est soumise à l'approbation préalable de la FSMA.

§ 2. La nomination des personnes visées au paragraphe 1er est soumise à l'approbation préalable de la FSMA. La FSMA envisage dûment de communiquer le délai escompté pour rendre sa décision. Ce délai peut être prolongé, le cas échéant. L'approbation de la

FSMA n'est donnée que si la nomination considérée assure le respect des articles 23 et 36 dans le chef de la personne concernée et de l'article 23 dans le chef de la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement.

L'approbation tient également compte du respect de la politique et de l'objectif établis par le comité de nomination, en application de l'article 25/2, § 5, alinéa 3, notamment en matière de diversité et de représentation de personnes de sexe différent. Lorsqu'il s'agit de la nomination d'une personne qui est proposée pour la première fois à une fonction visée au paragraphe 1er dans un établissement soumis au contrôle de la FSMA en application de l'article 45, § 1er, 2° de la loi du 2 août 2002, la FSMA consulte préalablement la Banque.

Lorsqu'il s'agit de la nomination d'une personne qui est proposée pour la première fois à une fonction visée au paragraphe 1er dans un établissement soumis au contrôle de la FSMA en application de l'article 45, § 1er, 2° de la loi du 2 août 2002, la FSMA consulte préalablement la Banque. La Banque communique son avis à la FSMA dans un délai d'une semaine à compter de la réception de la demande d'avis.

La Banque communique son avis à la FSMA dans un délai d'une semaine à compter de la réception de la demande d'avis.

§ 3. Les sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement informent la FSMA de la répartition éventuelle des tâches entre les membres de l'organe d'administration et entre les personnes chargées de la direction effective, le cas échéant entre les membres du comité de direction.

§ 3. Les sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement informent la FSMA de la répartition éventuelle des tâches entre les membres de l'organe d'administration et entre les personnes chargées de la direction effective, le cas échéant entre les membres du comité de direction et des personnes participant à la direction effective, le cas échéant, les membres du comité de direction, y compris en ce qui concerne les risques et incidences environnementaux, sociaux et de gouvernance (ESG) et le risque informatique, tels qu’ils sont définis à l’article 4, paragraphe 1er, point 52 quater), du Règlement n° 575/2013. Les modifications importantes intervenues dans la répartition des tâches visée à l'alinéa 1er

Les modifications importantes intervenues dans la répartition des tâches visée à l'alinéa 1er donnent lieu à l'application des paragraphes 1er et 2.

donnent lieu à l'application des paragraphes 1er et 2. § 3/1. Outre les dispositions du paragraphe 1er, les sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement et les personnes visées au paragraphe 1er communiquent sans délai à la FSMA tout fait ou élément qui implique une modification des informations fournies lors de la nomination et qui pourrait avoir une incidence sur l'honorabilité professionnelle nécessaire ou l'expertise adéquate à l'exercice de la fonction concernée.

Dans ce cas, la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement procède à une réévaluation conformément à l’article 25/1, §

2/2, alinéa 3.

Conformément aux articles 45 et 56, lorsque la FSMA, dans le cadre de l'exercice de sa mission de contrôle, a connaissance d'un tel fait ou élément, obtenu ou non en application de l'alinéa 1er, elle effectue une réévaluation du respect des exigences visées à l'article 23, § 1er, alinéa 2.

Pour les besoins du contrôle du respect en permanence de l’article 23, § 1er, alinéa 2, la FSMA fait usage des informations visées à l’article 23, § 1er, alinéa 3. (…) (…)

Art. 36 (…) (…)

§ 2. Sans préjudice du paragraphe 1er et des articles 25 à 26, les membres des organes d'une société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement et toutes personnes qui, sous quelque dénomination et en quelque qualité que ce soit, prennent part à l'administration ou à la gestion de l'entreprise peuvent, en représentation ou non de la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, exercer des mandats d'administrateur ou de gérant ou prendre part à l'administration ou à la gestion au sein d'une société, d'une entreprise d'une autre forme de droit belge ou étranger ou d'une institution publique belge ou étrangère, ayant une activité industrielle, commerciale ou financière, aux conditions et dans les limites prévues au présent article.

§ 2. Sans préjudice du paragraphe 1er et des articles 25 à 26, les membres des organes d'une société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement et toutes personnes qui, sous quelque dénomination et en quelque qualité que ce soit, prennent part à l'administration ou à la gestion de l'entreprise peuvent, en représentation ou non de la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, exercer des mandats d'administrateur ou de gérant ou prendre part à l'administration ou à la gestion au sein d'une société, d'une entreprise d'une autre forme de droit belge ou étranger ou d'une institution publique belge ou étrangère, ayant une activité industrielle, commerciale ou financière, ou encore d’une association ou d’une fondation, aux conditions et dans les limites prévues au présent article. Le nombre de mandats ou fonctions de direction qui peuvent être exercés en application du présent article tient compte de la situation particulière ainsi que de la nature, de l’échelle et de la complexité des activités de la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement. (…) (…)

§ 5. Les membres de l'organe d'administration ne participant pas à la direction effective de la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement ne peuvent exercer un mandat dans une société dans laquelle l'entreprise détient une participation que s'ils ne participent pas à la gestion courante de cette société.

§ 5. Les membres de l'organe d'administration ne participant pas à la direction effective de la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement ne peuvent exercer un mandat dans une société dans laquelle l'entreprise détient une participation que s'ils ne participent pas à la gestion courante de cette société. En outre, et sans préjudice des paragraphes 1er et 3, les fonctions extérieures visées au paragraphe 2, pour autant qu'elles soient exercées dans des sociétés autres que la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, sont limitées, sauf dans l'hypothèse où le mandat au sein de la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement est exercé en représentation d'un Etat membre, au nombre de mandats suivants:

En outre, et sans préjudice des paragraphes 1er et 3, les fonctions extérieures visées au paragraphe 2, pour autant qu'elles soient exercées dans des sociétés autres que la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, sont limitées, sauf dans l'hypothèse où le mandat au sein de la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement est exercé en représentation d'un Etat membre et où le mandat est exercé au sein d’organisations qui ne poursuivent pas d’objectifs principalement commerciaux, au nombre de mandats suivants: 1° soit à trois mandats ne pouvant impliquer une participation à la gestion courante; ou

1° soit à trois mandats ne pouvant impliquer une participation à la gestion courante; ou 2° soit à un mandat impliquant une participation à la gestion courante et un mandat ne pouvant impliquer une participation à la gestion courante.

2° soit à un mandat impliquant une participation à la gestion courante et un mandat ne pouvant impliquer une participation à la gestion courante. La règle visée à l'alinéa 2 ne s'applique pas aux sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement qui ne revêtent pas une importance significative en raison de leur organisation interne ou en raison de la nature, de la portée, de la complexité ou du caractère transfrontalier de leurs activités

La règle visée à l'alinéa 2 ne s'applique pas aux sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement qui ne revêtent pas une importance significative en raison de leur organisation interne ou en raison de la nature, de la portée, de la complexité ou du caractère transfrontalier de leurs activités § 6. Les personnes qui participent à la direction effective de la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement ne peuvent exercer un mandat comportant une participation à la gestion courante que s'il s'agit d'une société visée à l'article 41, § 3, avec laquelle la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement a des liens étroits, d'un organisme de placement collectif à forme statutaire au sens de la loi du 3 août 2012 ou de la loi du 19 avril 2014, ou d'une société

§ 6. Les personnes qui participent à la direction effective de la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement ne peuvent exercer un mandat comportant une participation à la gestion courante que s'il s'agit d'une société visée à l'article 41, § 3, avec laquelle la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement a des liens étroits, d'un organisme de placement collectif à forme statutaire au sens de la loi du 3 août 2012 ou de la loi du 19 avril 2014, ou d'une société patrimoniale dans laquelle de telles personnes ou leur famille détiennent dans le cadre de la gestion normale de leur patrimoine un intérêt significatif.

patrimoniale dans laquelle de telles personnes ou leur famille détiennent dans le cadre de la gestion normale de leur patrimoine un intérêt significatif. En outre, et sans préjudice des paragraphes 1er et 3, les fonctions extérieures visées au paragraphe 2, pour autant qu'elles soient exercées dans des sociétés autres que la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, sont limitées à deux mandats ne pouvant impliquer une participation à la gestion courante sauf dans l'hypothèse où le mandat au sein de la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement est exercé en représentation d'un Etat membre.

En outre, et sans préjudice des paragraphes 1er et 3, les fonctions extérieures visées au paragraphe 2, pour autant qu'elles soient exercées dans des sociétés autres que la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, sont limitées à deux mandats ne pouvant impliquer une participation à la gestion courante sauf dans l'hypothèse où le mandat au sein de la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement est exercé en représentation d'un Etat membre et où le mandat est exercé au sein d’organisations qui ne poursuivent pas d’objectifs principalement commerciaux. La règle visée à l'alinéa 2 ne s'applique pas aux sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement qui ne revêtent pas une importance significative en raison de leur organisation interne ou en raison de la nature, de la portée, de la complexité ou du caractère transfrontalier de leurs activités.

La règle visée à l'alinéa 2 ne s'applique pas aux sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement qui ne revêtent pas une importance significative en raison de leur organisation interne ou en raison de la nature, de la portée, de la complexité ou du caractère transfrontalier de leurs activités. § 7. La FSMA peut, dans des cas individuels, accorder une dérogation au nombre de mandats maximum prévus aux paragraphes 5 et 6, en autorisant la possibilité d'exercer un mandat supplémentaire n'impliquant pas une participation à la gestion courante. La FSMA informe, sur une base régulière, l'Autorité européenne des marchés financiers de l'usage qu'elle fait de ce pouvoir de dérogation.

§ 7. La FSMA peut, dans des cas individuels, accorder une dérogation au nombre de mandats maximum prévus aux paragraphes 5 et 6, en autorisant la possibilité d'exercer un mandat supplémentaire n'impliquant pas une participation à la gestion courante. […]

(…) (…)

§ 9. Pour l'application des paragraphes 5, alinéa

2, et 6, alinéa 2, sont considérés comme un seul mandat l'exercice de plusieurs mandats, impliquant ou non une participation à la gestion courante, dans des entreprises faisant partie du groupe dont fait partie la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement ou d'un autre groupe.

§ 9. Pour l'application des paragraphes 5, alinéa

2, et 6, alinéa 2, sont considérés comme un seul mandat l'exercice de plusieurs mandats, impliquant ou non une participation à la gestion courante, dans des entreprises faisant partie du groupe dont fait partie la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement ou d'un autre groupe. Aux fins du présent article, on entend par "groupe", un ensemble d'entreprises constitué par une entreprise mère, ses filiales, les entreprises dans lesquelles l'entreprise mère ou ses filiales détiennent une participation directe ou indirecte au sens de l'article 3, 26°, de la présente loi, ainsi que des entreprises qui constituent un consortium et les entreprises

Aux fins du présent article, on entend par "groupe", un ensemble d'entreprises constitué par une entreprise mère, ses filiales, les entreprises dans lesquelles l'entreprise mère ou ses filiales détiennent une participation directe ou indirecte au sens de l'article 3, 26°, de la présente loi, ainsi que des entreprises qui constituent un consortium et les entreprises contrôlées par ces dernières ou dans lesquelles elles détiennent une participation au sens de l'article 3, 26°, de la présente loi.

contrôlées par ces dernières ou dans lesquelles elles détiennent une participation au sens de l'article 3, 26°, de la présente loi ou encore un ensemble d’entités qui sont membres du même système de protection institutionnel, pour autant que les conditions énoncées à l’article

113, paragraphe 7, du règlement n° 575/2013 soient remplies, ou d’entités dans lesquelles le même système de protection institutionnel détient une participation qualifiée. (…) (…)

Art. 44/3

Sans préjudice des articles 44/1 et 44/2, les sociétés de gestion de portefeuille et de conseils en investissement qui ne remplissent pas les critères visés à l’article 25/2, §6, alinéa

1er, effectuent la publication visée à l’article 52 du Règlement 2019/2033. (…) (…)

Art. 54 (…) (…)

§ 2. Sans préjudice des dispositions du paragraphe 1er, les sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement doivent disposer d'une politique concernant leurs besoins en fonds propres et en liquidité qui soit appropriée aux activités qu'elles exercent ou entendent exercer. Les personnes chargées de la direction effective de la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, le cas échéant le comité de direction, élaborent à cet effet, sous la surveillance de l'organe d'administration, une politique qui identifie et détermine les besoins en fonds propres et en liquidité actuels et futurs de la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, en tenant compte de la nature, du volume et de la complexité de ces activités, des risques y afférents, de la politique de l'entreprise en matière de gestion des risques, ainsi que des risques que la société peut faire peser sur des tiers.

§ 2. Sans préjudice des dispositions du paragraphe 1er, les sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement doivent disposer d'une politique concernant leurs besoins en fonds propres et en liquidité qui soit appropriée aux activités qu'elles exercent ou entendent exercer. Les personnes chargées de la direction effective de la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, le cas échéant le comité de direction, élaborent à cet effet, sous la surveillance de l'organe d'administration, une politique qui identifie et détermine les besoins en fonds propres et en liquidité actuels et futurs de la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, en tenant compte de la nature, du volume et de la complexité de ces activités, des risques y afférents, de la politique de l'entreprise en matière de gestion des risques, ainsi que des risques que la société peut faire peser sur des tiers. La société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement évalue régulièrement sa politique concernant ses besoins en fonds propres et en liquidité et adapte si nécessaire cette politique. La FSMA peut, par voie de La société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement évalue régulièrement sa politique concernant ses besoins en fonds propres et en liquidité et adapte si nécessaire cette politique. La FSMA peut, par voie de règlement, préciser la fréquence de cette évaluation.

règlement, préciser la fréquence de cette évaluation.

Les alinéas 1er et 2 ne s'appliquent pas aux petites sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement non interconnectées au sens de l'article 2/2, § 1er. Toutefois, la FSMA peut demander à une petite société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement non interconnectée au sens de l'article 2/2, § 1er d’appliquer les exigences prévues aux alinéas

1er et 2 dans la mesure que la FSMA juge appropriée. (…) (…)

Art. 56

§1er. La FSMA veille à ce que chaque société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement opère conformément aux dispositions de la présente loi , des arrêtés et règlements pris en exécution de celles-ci, du règlement (UE) n° 600/2014, du règlement (UE) 2019/2033 et du règlement (UE) 2022/2554.

§1er. La FSMA veille à ce que chaque société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement opère conformément aux dispositions de la présente loi , des arrêtés et règlements pris en exécution de celles-ci, du règlement (UE) n° 600/2014, du règlement (UE) 2019/2033 et du règlement (UE) 2022/2554. La FSMA surveille également les activités des compagnies holdings d’investissement et des compagnies financières holding mixtes, de manière à s’assurer qu’elles respectent les exigences des articles 59 à 60, des arrêtés et règlements pris en exécution de celles-ci et du Règlement (UE) 2019/2033, qui leur sont applicables. (…) (…)

Art. 58/2

1er. Le contrôle et l'évaluation effectués par la FSMA en application de l'article 58/1 portent sur les aspects suivants :

1er. Le contrôle et l'évaluation effectués par la FSMA en application de l'article 58/1 portent sur les aspects suivants : 1° la vérification de la maîtrise des risques visés à l'article 34/2 ;

1° la vérification de la maîtrise des risques visés à l'article 34/2 ; 2° la localisation géographique des expositions de la société ;

2° la localisation géographique des expositions de la société ; 3° le modèle d'entreprise de la société ; 3° le modèle d'entreprise de la société ;

4° le cas échéant, l'évaluation du risque systémique, compte tenu de l'identification et de la mesure du risque systémique prévues par l'article 23 du règlement (UE) n° 1093/2010 du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre instituant une Autorité européenne de surveillance (Autorité bancaire européenne) ou des recommandations du CERS

4° le cas échéant, l'évaluation du risque systémique, compte tenu de l'identification et de la mesure du risque systémique prévues par l'article 23 du règlement (UE) n° 1093/2010 du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre instituant une Autorité européenne de surveillance (Autorité bancaire européenne) ou des recommandations du CERS

5° les risques qui menacent la sécurité des réseaux et des systèmes d'information qu'utilise la société pour assurer la confidentialité, l'intégrité et la disponibilité de ses processus, de ses données et de ses actifs ;

5° les risques qui menacent la sécurité des réseaux et des systèmes d'information qu'utilise la société pour assurer la confidentialité, l'intégrité et la disponibilité de ses processus, de ses données et de ses actifs ; 6° l'exposition de la société au risque de taux d'intérêt inhérent à ses activités hors portefeuille de négociation

6° l'exposition de la société au risque de taux d'intérêt inhérent à ses activités hors portefeuille de négociation 7° le dispositif d'organisation de la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement visé à l'article 25 et la capacité de l'organe d'administration et des personnes chargées de la direction effective, le cas échéant du comité de direction, à exercer leurs attributions.

7° le dispositif d'organisation de la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement visé à l'article 25 et la capacité de l'organe d'administration et des personnes chargées de la direction effective, le cas échéant du comité de direction, à exercer leurs attributions.

Aux fins du 1°, la FSMA évalue et suit l’évolution des pratiques des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement en matière de gestion de leurs risques de concentration découlant d’expositions vis-à-vis des contreparties centrales, y compris les plans élaborés conformément à l’article 26/3, § 1er, alinéa 3 ainsi que les progrès accomplis en termes d’adaptation de leur modèle d’entreprise aux exigences énoncées à l’article

7bis du Règlement n° 648/2012.

§ 2. La FSMA peut, par voie de règlement pris en application de l'article 64 de la loi du 2 août 2002, préciser les critères quantitatifs et qualitatifs qu'elle prend en compte pour évaluer le niveau des risques et le caractère adéquat de leur traitement par les sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement.

§ 2. La FSMA peut, par voie de règlement pris en application de l'article 64 de la loi du 2 août 2002, préciser les critères quantitatifs et qualitatifs qu'elle prend en compte pour évaluer le niveau des risques et le caractère adéquat de leur traitement par les sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement.

§3. La FSMA informe l’Autorité bancaire européenne de sa procédure de contrôle et d’évaluation visée à l’article 58/1. (…) (…)

Art. 59 (…) (…)

§ 4. Lorsque l'article 7 du règlement 2019/2033 est applicable, les sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement de droit belge qui sont qualifiées d'entreprises d'investissement mères belges dans l'Union et les compagnies holding d'investissement belge dans l'Union et compagnies financières mixtes mères belges dans l'Union doivent satisfaire sur base consolidée, le cas échéant, aux articles 25,

§ 4. Lorsque l'article 7 du règlement 2019/2033 est applicable, les sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement de droit belge qui sont qualifiées d'entreprises d'investissement mères belges dans l'Union et les compagnies holding d'investissement belge dans l'Union et compagnies financières mixtes mères belges dans l'Union doivent satisfaire sur base consolidée, le cas échéant, aux articles 25, 25/2 à 26, 26/3, 27, 34 à 34/2, 37/1, 37/2, 55 et 56/1, y compris les dispositions de l'Annexe. 25/2 à 26, 26/3, 27, 34 à 34/2, 37/1, 37/2, 55 et 56/1, y compris les dispositions de l'Annexe. Les obligations découlant des articles mentionnés à l'alinéa 1er pour les filiales de pays tiers ne s'appliquent pas si les sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, les compagnies holding d'investissement ou les compagnies financières mixtes visées à l'alinéa 1er peuvent démontrer à la FSMA que leur application est illégale en vertu du droit de ce pays.

Les obligations découlant des articles mentionnés à l'alinéa 1er pour les filiales de pays tiers ne s'appliquent pas si les sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, les compagnies holding d'investissement ou les compagnies financières mixtes visées à l'alinéa 1er peuvent démontrer à la FSMA que leur application est illégale en vertu du droit de ce pays.

Sans préjudice de l’article 48 du Règlement

2019/2033, les sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement de droit belge qui qualifient d’entreprises d’investissement mères belges dans l’Union publient annuellement soit intégralement, soit en renvoyant à des informations équivalentes publiées par ailleurs, une description de leur structure juridique et du dispositif d’organisation d’entreprise applicable au niveau consolidé, en ce compris les informations visées à l’article 25 et à l’alinéa 1er du présent paragraphe. (…) (…)

§ 8. Le contrôle sur base consolidée et le contrôle du respect du test de capitalisation du groupe n'entraîne pas l'exercice d'un contrôle individuel, par la FSMA, sur une compagnie holding d'investissement ou une compagnie financière holding mixte, ni sur toute autre entreprise incluse dans la consolidation.

§ 8. Le contrôle sur base consolidée et le contrôle du respect du test de capitalisation du groupe n'entraîne pas l'exercice d'un contrôle individuel, par la FSMA, sur une compagnie holding d'investissement ou une compagnie financière holding mixte, ni sur toute autre entreprise incluse dans la consolidation. Sans préjudice du principe figurant à l'alinéa 1er, et lorsque le contrôle sur base consolidée ou le contrôle du respect du test de capitalisation du groupe est exercé par la FSMA, les membres de l'organe d'administration, les personnes chargées de la direction effective, le cas échéant les membres du comité de direction, des compagnies holding d'investissement et des compagnies financière holding mixte de droit belge sont soumis aux exigences de l'article 23, § 1er, alinéas 2 et 3 de la présente loi, compte tenu du rôle particulier d'une compagnie holding d'investissement ou d'une compagnie financière holding mixte.

Sans préjudice du principe figurant à l'alinéa 1er, et lorsque le contrôle sur base consolidée ou le contrôle du respect du test de capitalisation du groupe est exercé par la FSMA, les membres de l'organe d'administration, les personnes chargées de la direction effective, le cas échéant les membres du comité de direction, des compagnies holding d'investissement et des compagnies financière holding mixte de droit belge sont soumis aux exigences de l'article 23, § 1er, alinéas 2 et 3 de la présente loi, compte tenu du rôle particulier d'une compagnie holding d'investissement ou d'une compagnie financière holding mixte. Le contrôle sur base consolidée et le contrôle du respect du test de capitalisation du groupe ne porte pas préjudice au contrôle, sur une base individuelle, des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement

Le contrôle sur base consolidée et le contrôle du respect du test de capitalisation du groupe visé à l’article 8 du règlement (UE) n° 2019/2033 ne porte pas préjudice au contrôle, sur une base individuelle, des sociétés de gestion de incluses dans la consolidation. Il peut cependant être tenu compte des implications du contrôle sur base consolidée ou du contrôle du respect du test de capitalisation du groupe pour déterminer la teneur et les modalités du contrôle sur une base individuelle des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement ou du contrôle sur base sous-consolidée d'une société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement qui est filiale d'une autre société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement.

portefeuille et de conseil en investissement incluses dans la consolidation. Il peut cependant être tenu compte des implications du contrôle sur base consolidée ou du contrôle du respect du test de capitalisation du groupe pour déterminer la teneur et les modalités du contrôle sur une base individuelle des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement ou du contrôle sur base sous-consolidée d'une société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement qui est filiale d'une autre société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement. (…) (…)

Art. 63/2 (…) (…)

§ 2. Aussi longtemps qu'il n'a pas été remédié par la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement à la situation visée au paragraphe 1er, la FSMA peut, à tout moment :

§ 2. Aussi longtemps qu'il n'a pas été remédié par la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement à la situation visée au paragraphe 1er, la FSMA peut, à tout moment : 1° sans préjudice de l'article 58/4, § 1er, imposer des exigences de fonds propres plus sévères que, ou complémentaires à, celles prévues par ou en vertu de l'article 11 du règlement (UE) 2019/2033, ou des règlements pris en application de l'article 54, lorsqu'une société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement ne satisfait pas aux exigences prévues aux articles 25 et 54 et qu'il est peu probable que d'autres mesures de surveillance soient de nature à garantir le respect de ces exigences dans un délai approprié ;

1° sans préjudice de l'article 58/4, § 1er, imposer des exigences de fonds propres plus sévères que, ou complémentaires à, celles prévues par ou en vertu de l'article 11 du règlement (UE) 2019/2033, ou des règlements pris en application de l'article 54, lorsqu'une société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement ne satisfait pas aux exigences prévues aux articles 25 et 54 et qu'il est peu probable que d'autres mesures de surveillance soient de nature à garantir le respect de ces exigences dans un délai approprié ou exiger qu’elle adapte les fonds propres et les actifs liquides exigés en cas de modification significative de ses activités ; 2° exiger le renforcement de la politique concernant les besoins en fonds propres et en liquidités de la société et des dispositifs d'organisation mis en oeuvre conformément aux articles 54, § 2 et 25 de la présente loi ;

2° exiger le renforcement de la politique concernant les besoins en fonds propres et en liquidités de la société et des dispositifs d'organisation mis en oeuvre conformément aux articles 54, § 2 et 25 de la présente loi ; 3° exiger des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement qu'elles présentent, dans un délai d'un an, un plan de mise en conformité avec les exigences de surveillance prévues par la présente loi et le règlement (UE) 2019/2033 et qu'elles fixent un délai pour la mise en oeuvre de ce plan, et exiger des améliorations dudit plan en ce qui concerne sa portée et le délai prévu ;

3° exiger des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement qu'elles présentent, dans un délai d'un an, un plan de mise en conformité avec les exigences de surveillance prévues par la présente loi et le règlement (UE) 2019/2033 et qu'elles fixent un délai pour la mise en oeuvre de ce plan, et exiger des améliorations dudit plan en ce qui concerne sa portée et le délai prévu ;

4° imposer l'application de règles particulières en matière d'évaluation ou d'ajustement de valeur pour les besoins des exigences de fonds propres prévues par ou en vertu de l'article 11 du règlement (UE) 2019/2033, ou par des règlements pris en application de l'article 54 de la présente loi ;

4° imposer l'application de règles particulières en matière d'évaluation ou d'ajustement de valeur pour les besoins des exigences de fonds propres prévues par ou en vertu de l'article 11 du règlement (UE) 2019/2033, ou par des règlements pris en application de l'article 54 de la présente loi ; 5° exiger des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement qu'elles affectent des bénéfices nets au renforcement des fonds propres ;

5° exiger des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement qu'elles affectent des bénéfices nets au renforcement des fonds propres ; 6° limiter ou interdire toute distribution de dividendes ou tout paiement, notamment d'intérêts, aux actionnaires ou titulaires d'instruments de fonds propres additionnels de catégorie 1, dans la mesure où la suspension des versements qui en résulterait n'entraîne pas les conditions d'ouverture d'une procédure de liquidation en application des dispositions du Livre XX du Code de droit économique ;

6° limiter ou interdire toute distribution de dividendes ou tout paiement, notamment d'intérêts, aux actionnaires ou titulaires d'instruments de fonds propres additionnels de catégorie 1, dans la mesure où la suspension des versements qui en résulterait n'entraîne pas les conditions d'ouverture d'une procédure de liquidation en application des dispositions du Livre XX du Code de droit économique ; 7° imposer de limiter la rémunération variable à un pourcentage du bénéfice ;

7° imposer de limiter la rémunération variable à un pourcentage du bénéfice ; 8° sans préjudice de l'article 58/10, imposer des exigences spécifiques de liquidité plus contraignantes que celles définies par ou en vertu du règlement (UE) 2019/2033, ou des règlements pris en application de l'article 54 de la présente loi, lorsqu'une société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement ne satisfait pas aux exigences prévues aux articles 25 et 54 et qu'il est peu probable que d'autres mesures de surveillance sont de nature à assurer le respect de ces exigences dans un délai approprié ;

8° sans préjudice de l'article 58/10, imposer des exigences spécifiques de liquidité plus contraignantes que celles définies par ou en vertu du règlement (UE) 2019/2033, ou des règlements pris en application de l'article 54 de la présente loi, lorsqu'une société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement ne satisfait pas aux exigences prévues aux articles 25 et 54 et qu'il est peu probable que d'autres mesures de surveillance sont de nature à assurer le respect de ces exigences dans un délai approprié ; 9° imposer que la société diminue le risque inhérent à certaines activités ou produits ou à son organisation, y compris les activités externalisées, le cas échéant en imposant la cession de tout ou partie de ses activités ou de son réseau ;

9° imposer que la société diminue le risque inhérent à certaines activités ou produits ou à son organisation, y compris les activités externalisées, le cas échéant en imposant la cession de tout ou partie de ses activités ou de son réseau ; 10° imposer, dans les limites de l'article 56, § 3/2, alinéa 2 et pour autant que les informations requises ne fassent pas double emploi au sens de l'article 56, § 3/2, alinéa 1er, une obligation d'information (reporting) supplémentaire ou imposer une fréquence d'information (reporting) plus élevée que ce qui est prévu par ou en vertu de l'article 55 ou du règlement (UE) 2019/2033, notamment en matière de risques, de fonds propres ou de positions de liquidité ;

10° imposer, dans les limites de l'article 56, § 3/2, alinéa 2 et pour autant que les informations requises ne fassent pas double emploi au sens de l'article 56, § 3/2, alinéa 1er, une obligation d'information (reporting) supplémentaire ou imposer une fréquence d'information (reporting) plus élevée que ce qui est prévu par ou en vertu de l'article 55 ou du règlement (UE) 2019/2033, notamment en matière de risques, de fonds propres ou de positions de liquidité ; 11° imposer la publication d'informations plus complètes et plus fréquentes que celles prévues

11° imposer la publication d'informations plus complètes et plus fréquentes que celles prévues par ou en vertu de l'article 27 ou du règlement (UE) 2019/2033 ;

par ou en vertu de l'article 27 ou du règlement (UE) 2019/2033 ; 12° exiger des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement qu'elles réduisent les risques menaçant la sécurité des réseaux et des systèmes d'information qu'elles utilisent afin de garantir la confidentialité, l'intégrité et la disponibilité de leurs processus, de leurs données et de leurs actifs.

12° exiger des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement qu'elles réduisent les risques menaçant la sécurité des réseaux et des systèmes d'information qu'elles utilisent afin de garantir la confidentialité, l'intégrité et la disponibilité de leurs processus, de leurs données et de leurs actifs.

13° imposer des normes en matière de concentration des risques ou de limitations des expositions plus contraignantes que celles définies par ou en vertu du Règlement ou des règlements pris en application de l'article 54, et notamment imposer que la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement réduise ses expositions sur une contrepartie centrale ou qu’elle réaligne ses expositions entre ses comptes de compensation conformément à l’article 7bis du Règlement n°

648/2012, en particulier en cas de risque de concentration excessif découlant d’expositions vis-à-vis de cette contrepartie. (…) (…)

Art. 64

§1er. Sans préjudice des autres dispositions prévues par la présente loi, lorsque la FSMA constate qu'une société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement ne se conforme pas ou cesse de se conformer aux mesures adoptées en application de l'article 63/2, § 2 ou qu'à l'issue du délai fixé en application de l'article 63/2, § 1er, il n'a pas été remédié à la situation, elle peut :

§1er. Sans préjudice des autres dispositions prévues par la présente loi, lorsque la FSMA constate qu'une société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement ne se conforme pas ou cesse de se conformer aux mesures adoptées en application de l'article 63/2, § 2 ou qu'à l'issue du délai fixé en application de l'article 63/2, § 1er, il n'a pas été remédié à la situation, elle peut : 1° désigner un commissaire spécial ; 1° désigner un commissaire spécial ;

Dans ce cas, l'autorisation écrite, générale ou spéciale de celui-ci est requise pour tous les actes et décisions de tous les organes de la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, y compris l'assemblée générale, et pour ceux des personnes chargées de la gestion; la FSMA peut toutefois limiter le champ des opérations soumises à autorisation.

Dans ce cas, l'autorisation écrite, générale ou spéciale de celui-ci est requise pour tous les actes et décisions de tous les organes de la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, y compris l'assemblée générale, et pour ceux des personnes chargées de la gestion; la FSMA peut toutefois limiter le champ des opérations soumises à autorisation. Le commissaire spécial peut soumettre à la délibération de tous les organes de la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, y compris l'assemblée générale, toutes propositions qu'il juge opportunes. La

Le commissaire spécial peut soumettre à la délibération de tous les organes de la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, y compris l'assemblée générale, toutes propositions qu'il juge opportunes. La rémunération du commissaire spécial est fixée par la FSMA et supportée par la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement.

rémunération du commissaire spécial est fixée par la FSMA et supportée par la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement. Les membres de l'organe d'administration et les personnes chargées de la direction effective, le cas échéant les membres du comité de direction, qui accomplissent des actes ou prennent des décisions sans avoir recueilli l'autorisation requise du commissaire spécial sont responsables solidairement du préjudice qui en est résulté pour la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement ou les tiers.

Les membres de l'organe d'administration et les personnes chargées de la direction effective, le cas échéant les membres du comité de direction, qui accomplissent des actes ou prennent des décisions sans avoir recueilli l'autorisation requise du commissaire spécial sont responsables solidairement du préjudice qui en est résulté pour la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement ou les tiers. Si la FSMA a publié au Moniteur belge la désignation du commissaire spécial et spécifié les actes et décisions soumis à son autorisation, les actes et décisions intervenus sans cette autorisation alors qu'elle était requise sont nuls, à moins que le commissaire spécial ne les ratifie. Dans les mêmes conditions, toute décision d'assemblée générale prise sans avoir recueilli l'autorisation requise du commissaire spécial est nulle, à moins que le commissaire spécial ne la ratifie.

Si la FSMA a publié au Moniteur belge la désignation du commissaire spécial et spécifié les actes et décisions soumis à son autorisation, les actes et décisions intervenus sans cette autorisation alors qu'elle était requise sont nuls, à moins que le commissaire spécial ne les ratifie. Dans les mêmes conditions, toute décision d'assemblée générale prise sans avoir recueilli l'autorisation requise du commissaire spécial est nulle, à moins que le commissaire spécial ne la ratifie. La FSMA peut désigner un commissaire suppléant ;

La FSMA peut désigner un commissaire suppléant. Les exigences prévues aux articles 23, §1er, alinéa 2 et 34, §2, alinéa 2 ne sont applicables ni au commissaire spécial, ni à son éventuel suppléant. (…) (…)

3° enjoindre le remplacement de tout ou partie des membres de l'organe d'administration, des personnes en charge de la direction effective, le cas échéant des membres du comité de direction, de la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement dans un délai qu'elle détermine et, à défaut d'un tel remplacement dans ce délai, démettre un ou plusieurs membres de l'organe d'administration, ou une ou plusieurs personnes en charge de la direction effective, le cas échéant un ou plusieurs membres du comité de direction de la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement ou substituer à l'ensemble des organes d'administration et de gestion un ou plusieurs administrateurs ou gérants provisoires qui disposent, seuls ou collégialement selon le cas, des pouvoirs des personnes remplacées. La FSMA publie sa décision au Moniteur belge.

3° enjoindre le remplacement de tout ou partie des membres de l'organe d'administration, des personnes en charge de la direction effective, le cas échéant des membres du comité de direction, ou des personnes responsables des fonctions de contrôle indépendantes de la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement dans un délai qu'elle détermine et, à défaut d'un tel remplacement dans ce délai, démettre un ou plusieurs membres de l'organe d'administration, ou une ou plusieurs personnes en charge de la direction effective, le cas échéant un ou plusieurs membres du comité de direction ou des personnes responsables des fonctions de contrôle indépendantes de la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement ou substituer à l'ensemble des organes d'administration et de gestion un ou plusieurs administrateurs ou gérants provisoires qui disposent, seuls ou collégialement selon le cas, des pouvoirs des personnes remplacées. La FSMA publie sa décision au Moniteur belge. Lorsque les circonstances le justifient, la FSMA peut procéder à la désignation d'un ou plusieurs administrateurs ou gérants provisoires sans procéder préalablement à l'injonction de remplacer tout ou partie des dirigeants visés à l'alinéa 1er.

Lorsque les circonstances le justifient, la FSMA peut procéder à la désignation d'un ou plusieurs administrateurs ou gérants provisoires sans procéder préalablement à l'injonction de remplacer tout ou partie des dirigeants visés à l'alinéa 1er. Moyennant l'autorisation de la FSMA, le ou les administrateurs ou gérants provisoires peuvent convoquer une assemblée générale et en établir l'ordre du jour.

Moyennant l'autorisation de la FSMA, le ou les administrateurs ou gérants provisoires peuvent convoquer une assemblée générale et en établir l'ordre du jour. La FSMA peut requérir, selon les modalités qu'elle détermine, que le ou les administrateurs ou gérants provisoires lui fassent rapport sur la situation financière de la société et sur les mesures prises dans le cadre de leur mission, ainsi que sur la situation financière au début et à la fin de cette mission.

La FSMA peut requérir, selon les modalités qu'elle détermine, que le ou les administrateurs ou gérants provisoires lui fassent rapport sur la situation financière de la société et sur les mesures prises dans le cadre de leur mission, ainsi que sur la situation financière au début et à la fin de cette mission. La rémunération du ou des administrateurs ou gérants provisoires est fixée par la FSMA et supportée par la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement.

La rémunération du ou des administrateurs ou gérants provisoires est fixée par la FSMA et supportée par la société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement. La FSMA peut, à tout moment, remplacer le ou les administrateurs ou gérants provisoires, soit d'office, soit à la demande d'une majorité des actionnaires ou associés lorsqu'ils justifient que la gestion des intéressés ne présente plus les garanties nécessaires ;

La FSMA peut, à tout moment, remplacer le ou les administrateurs ou gérants provisoires, soit d'office, soit à la demande d'une majorité des actionnaires ou associés lorsqu'ils justifient que la gestion des intéressés ne présente plus les garanties nécessaires. Les exigences prévues aux articles 23, §1er, alinéa 2 et 34, §2, alinéa 2 ne sont pas applicables aux administrateurs ou gérants provisoires. (…) (…)

Art. 67

§1er. Les sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement dont l'agrément a été radié ou révoqué en vertu des articles 63 et 64, restent soumises aux dispositions du droit de l'Union européenne qui leur sont directement applicables, aux dispositions du présent titre et aux arrêtés et règlements pris pour son exécution, à moins que la FSMA ne les en dispense pour certaines dispositions :

§1er. Les sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement dont l'agrément a été radié ou révoqué en vertu des articles 63 et 64, restent soumises aux dispositions du droit de l'Union européenne qui leur sont directement applicables, aux dispositions du présent titre et aux arrêtés et règlements pris pour son exécution, à moins que la FSMA ne les en dispense pour certaines dispositions : 1° jusqu'à la liquidation des engagements de la société résultant, le cas échéant, de fonds et d'instruments financiers dus aux investisseurs ;

1° jusqu'à la liquidation des engagements de la société résultant, le cas échéant, de fonds et d'instruments financiers dus aux investisseurs ;

2° jusqu'à la liquidation de tous leurs autres engagements sur les marchés financiers. À cet effet, les sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, en tenant compte de la viabilité et de la pérennité de leurs modèles et stratégies d'entreprise, prennent en considération les exigences et les ressources nécessaires qui sont réalistes pour ce qui est des délais et du maintien de leurs fonds propres et de leurs ressources liquides.

2° jusqu'à la liquidation de tous leurs autres engagements sur les marchés financiers.

À cet effet, les sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, en tenant compte de la viabilité et de la pérennité de leurs modèles et stratégies d'entreprise, prennent en considération les exigences et les ressources nécessaires qui sont réalistes pour ce qui est des délais et du maintien de leurs fonds propres et de leurs ressources liquides. L'alinéa 1er n'est pas applicable en cas de révocation de l'agrément d'une société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement déclarée en faillite.

L'alinéa 1er n'est pas applicable en cas de révocation de l'agrément d'une société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement déclarée en faillite. La FSMA notifie à l'Autorité européenne des marchés financiers la radiation ou révocation d'un agrément en vertu des articles 63 et 64.

La FSMA notifie à l'Autorité européenne des marchés financiers la radiation ou révocation d'un agrément en vertu des articles 63 et 64. (…) (…)

Art. 69

1er Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, la FSMA peut fixer à une société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, à une compagnie financière, à une compagnie mixte visée à l'article 68 ou à une compagnie financière mixte, un délai dans lequel :

1er Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, la FSMA peut fixer à une société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, à une compagnie financière, à une compagnie mixte visée à l'article 68 ou à une compagnie financière mixte, à une compagnie holding d'investissement, ou à une compagnie financière holding mixte, un délai dans lequel : (…) (…)

§ 2. Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi et sans préjudice des mesures définies par d'autres lois ou d'autres règlements, la FSMA peut, lorsqu'elle constate :

§ 2. Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi et sans préjudice des mesures définies par d'autres lois ou d'autres règlements, la FSMA peut, lorsqu'elle constate : 1° une infraction aux dispositions de la présente loi ou aux mesures prises en exécution de cellesci ou aux dispositions du règlement (UE) 600/2014 ou du règlement (UE) 2019/2033 [4 ou du règlement (UE) 2022/2554]4 ou ;

1° une infraction aux dispositions de la présente loi ou aux mesures prises en exécution de cellesci ou aux dispositions du règlement (UE) 600/2014 ou du règlement (UE) 2019/2033 [4 ou du règlement (UE) 2022/2554]4 ou ; 2° une infraction aux dispositions du Titre II du règlement N° 648/2012 du Parlement européen et du Conseil du 4 juillet 2012 sur les produits

2° une infraction aux dispositions du Titre II du règlement N° 648/2012 du Parlement européen et du Conseil du 4 juillet 2012 sur les produits dérivés de gré à gré, les contreparties centrales et les référentiels centraux; ou dérivés de gré à gré, les contreparties centrales et les référentiels centraux; ou 3° le non-respect d'une exigence imposée par la FSMA en application de dispositions visées au 1° ou 2° ; ou

3° le non-respect d'une exigence imposée par la FSMA en application de dispositions visées au 1° ou 2° ; ou 4° le non-respect d'exigences fixées par la FSMA comme conditions à une décision prise en application de dispositions visées au 1° ou 2°, notamment l'octroi d'une autorisation ou d'une dérogation,

4° le non-respect d'exigences fixées par la FSMA comme conditions à une décision prise en application de dispositions visées au 1° ou 2°, notamment l'octroi d'une autorisation ou d'une dérogation, infliger à une société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, à une compagnie financière, à une compagnie mixte visée à l'article 68 ou à une compagnie financière mixte, belge ou étrangère établie en Belgique, une amende administrative qui ne peut excéder, pour le même fait ou pour le même ensemble de faits, 2 500 000 euros.

infliger à une société de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, à une compagnie financière, à une compagnie mixte visée à l'article 68 ou à une compagnie financière mixte, à une compagnie holding d'investissement, ou à une compagnie financière holding mixte, belge ou étrangère établie en Belgique, une amende administrative qui ne peut excéder, pour le même fait ou pour le même ensemble de faits, 2 500 000 euros. (…) (…)

Art. 84 (…) (…)

§ 2. La FSMA accorde l'agrément sollicité aux succursales qui répondent aux conditions suivantes:

§ 2. La FSMA accorde l'agrément sollicité aux succursales qui répondent aux conditions suivantes: 1° la succursale doit disposer d'une dotation d'un montant minimum de 125 000 euros. La FSMA apprécie les éléments constitutifs de la dotation;

1° la succursale doit disposer d'une dotation d'un montant minimum de 125 000 euros. La FSMA apprécie les éléments constitutifs de la dotation; (…) (…)

8° la succursale est en mesure de se conformer aux dispositions visées à l'article 85.

8° la succursale est en mesure de se conformer aux dispositions visées aux articles 85 et 85/1. (…) (…)

Art. 106

La FSMA fournit sur son site web les informations suivantes:

La FSMA fournit sur son site web les informations suivantes:

1° la législation relative au statut et au contrôle des entreprises d'investissement, ainsi que les arrêtés, règlements et circulaires pris en exécution ou en application de cette législation;

2° un tableau de transposition des dispositions des directives européennes relatives à la surveillance prudentielle des entreprises d'investissement, indiquant les options retenues;

1° la législation relative au statut et au contrôle des entreprises d'investissement, ainsi que les arrêtés, règlements et circulaires pris en exécution ou en application de cette législation;

2° un tableau de transposition des dispositions des directives européennes relatives à la surveillance prudentielle des entreprises d'investissement, indiquant les options retenues;

3° les critères de vérification et les méthodes qu'elle utilise pour procéder à l'évaluation visée à l'article 56, § 2;

4° des données statistiques agrégées sur les principaux aspects relatifs à l'application de la législation visée au 1° ;

5° toute autre information prescrite par les arrêtés et règlements pris en exécution de la présente loi.

3° les critères de vérification et les méthodes qu'elle utilise pour procéder à l'évaluation visée à l'article 56, § 2;

4° des données statistiques agrégées sur les principaux aspects relatifs à l'application de la législation visée au 1° ;

5° toute autre information prescrite par les arrêtés et règlements pris en exécution de la présente loi. Les informations visées à l'alinéa 1er sont, le cas échéant, publiées sur le site web de la FSMA selon les modalités convenues entre les Etats membres de l'Espace économique européen. La FSMA veille à actualiser régulièrement les informations fournies sur son site web.

Les informations visées à l'alinéa 1er sont, le cas échéant, publiées sur le site web de la FSMA selon les modalités convenues entre les Etats membres de l'Espace économique européen. La FSMA veille à actualiser régulièrement les informations fournies sur son site web.

Les données visées au 4° comprennent, le cas échéant, le nombre et la nature des mesures de surveillance prises conformément aux articles

58/4 et 63/2, §2, 1° ainsi que des sanctions administratives imposées conformément à l’article 69, §2 de la présente loi.

Les informations visées à l’alinéa 3 sont suffisamment complètes et précises pour permettre une comparaison utile par les autorités compétentes des différents États membres. (…) (…)

ANNEXE. ANNEXE.

(…) (…)

Art. 19

Les sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement publient leur politique de rémunération conformément aux dispositions de droit européen applicables, en particulier l'article 51 du règlement (UE) 2019/2033.

Les sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement publient leur politique de rémunération conformément aux dispositions de droit européen applicables, en particulier l'article 51 du règlement (UE) 2019/2033. Les sociétés fournissent à la FSMA les informations publiées conformément à l'article 51, alinéa 1er, points c) et d) du règlement (UE) 2019/2033, ainsi que les informations sur l'écart de rémunération entre les femmes et les hommes afin qu'elle procède à des analyses comparatives des tendances et des pratiques en matière de rémunération.

Les sociétés fournissent à la FSMA les informations publiées conformément à l'article 51, alinéa 1er, points c) et d) du règlement (UE) 2019/2033, ainsi que les informations sur l'écart de rémunération entre les femmes et les hommes afin qu'elle procède à des analyses comparatives des tendances et des pratiques en matière de rémunération. La FSMA transmet ces informations à l’Autorité bancaire européenne.

Loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces

Art. 28 (…) (…)

§ 2. Les entités assujetties visées au paragraphe

1er, alinéa 1er, peuvent, aux fins du respect de leurs obligations qui y sont énumérées, utiliser toutes les informations qu'elles reçoivent des associations professionnelles ou des institutions créées par celles-ci en application du paragraphe 1er, alinéa 3, les traiter, les conserver et en prendre copie sur support papier ou électronique.

§ 2. Les entités assujetties visées au paragraphe

1er, alinéa 1er, peuvent, aux fins du respect de leurs obligations qui y sont énumérées, utiliser toutes les informations qu'elles reçoivent des associations professionnelles ou des institutions créées par celles-ci en application du paragraphe 1er, alinéa 3, les traiter, les conserver et en prendre copie sur support papier ou électronique. En outre, ces entités peuvent également traiter le numéro d’identification du Registre national valablement obtenu, en ce compris conformément au paragraphe 1er, comme moyen d’identification pour le croisement de fichiers de données dont elles disposent ou qu’elles reçoivent, exclusivement dans le but de vérifier si ces fichiers se rapportent à la même personne physique, dans le cadre de leurs obligations d’identification et de vérification de l’identité conformément aux articles 21 à 23. (…) (…)

Loi du 21 novembre 2017 relative aux infrastructures des marchés d'instruments financiers et portant transposition de la Directive 2014/65/UE

Art. 34

§ 1er. Les règles de marché et toutes modifications à ces règles sont soumises à l'approbation de la FSMA, dans le cadre de son contrôle visé à l'article 7, § 3, alinéa 2.

§ 1er. L’opérateur de marché notifie à la FSMA toutes les modifications à ses règles de marché au moins 15 jours ouvrables avant l’entrée en vigueur de celles-ci. Sans préjudice de l’application des articles 71 et suivants, la FSMA peut s’opposer à l’entrée en vigueur de la modification concernée au cas où elle estime que cette dernière ne répond pas aux dispositions de la présente loi et des arrêtés et règlements prévus pour son exécution ou de dispositions de droit européen directement applicables.

L'opérateur de marché assure la publication et la mise à jour des règles de marché sur son site web et sous forme imprimée. L'approbation par la FSMA des règles et des modifications ultérieures fait l'objet d'une publication sur son site web.

L'opérateur de marché assure la publication et la mise à jour des règles de marché sur son site web et sous forme imprimée. L'approbation par la

FSMA des règles et des modifications ultérieures fait l'objet d'une publication sur son site web.

Si l'opérateur de marché reste en défaut d'adapter les règles de marchés aux modifications des dispositions législatives ou réglementaires applicables, le ministre peut, sur avis de la FSMA, apporter les modifications nécessaires aux règles de marché et en assurer la publication.

Si l'opérateur de marché reste en défaut d'adapter les règles de marchés aux modifications des dispositions législatives ou réglementaires applicables, le ministre peut, sur avis de la FSMA, apporter les modifications nécessaires aux règles de marché et en assurer la publication.

§ 2. L'opérateur de marché vérifie la conformité des instructions et circulaires prises en exécution des règles de marché avec celles-ci et avec les dispositions législatives et réglementaires applicables. La FSMA peut subordonner son approbation des règles de marché ou des modifications à celles-ci en application du paragraphe 1er, alinéa 1er, à la condition que les instructions ou circulaires portant exécution des dispositions des règles de marché et toutes modifications à ces instructions ou circulaires soient préalablement soumises à une telle vérification par la FSMA.

§ 2. L'opérateur de marché vérifie la conformité des instructions et circulaires prises en exécution des règles de marché avec celles-ci et avec les dispositions législatives et réglementaires applicables. La FSMA peut subordonner son approbation des règles de marché ou des modifications à celles-ci en application du paragraphe 1er, alinéa 1er, à la condition que les instructions ou circulaires portant exécution des dispositions des règles de marché et toutes modifications à ces instructions ou circulaires soient préalablement soumises à une telle vérification par la FSMA.

Loi du 23 novembre 2023 relative au Fonds de garantie pour les services financiers

Art. 56 (…)

Les infractions au présent article sont punies des peines visées à l'article 458 du Code pénal.

Les infractions au présent article sont punies des peines visées à l'article 352 du Code pénal.

Les dispositions du Livre Ier du Code pénal, y compris le Chapitre VII et l'article 85, sont applicables aux infractions au présent article.

Les dispositions du Livre Ier du Code pénal, y compris les articles 19 et 36, sont applicables aux infractions au présent article.

(…)

Art. 62

À compter de la date d'entrée en vigueur de l'ensemble du chapitre 11 de la loi du 26 janvier 2021 sur la dématérialisation des relations entre le Service Public Fédéral Finances, les citoyens, personnes morales et certains tiers, et modifiant différents codes fiscaux et lois fiscales, déterminée conformément à l'article 219 de cette même loi, l'article 53 est remplacé par ce qui suit :

"Art. 53. Toute forme de communication entre le Fonds de garantie et les tiers se fait conformément au chapitre 11 de la loi du 26

Abrogé janvier 2021 relative à la dématérialisation des relations entre le Service public fédéral Finances, les citoyens, les personnes morales et certains tiers et modifiant divers codes et lois fiscaux."



Dit advies werd vertaald door een geautomatiseerde vertaaltool zonder nalezing door de Autoriteit. In geval van onduidelijkheid verwijst de Autoriteit steeds naar de “originele versie” van het advies.

Enkel adviezen met betrekking tot ontwerpen en voorstellen met rang van wet, die uitgaan van de federale overheid, het Brussels

Hoofdstedelijk Gewest en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie worden zowel in het Nederlands als in het Frans door de Autoriteit gepubliceerd. De ‘Originele versie’ is de versie die gevalideerd werd.

Advies nr. 128/2026 van 22 juni 2026

Betreft: Voorontwerp van wet houdende diverse financiële bepalingen - Federaal

Agentschap van de Schuld (CO-A-2026-102)

Trefwoorden: Federaal Agentschap van de Schuld – preventie van witwassen en terrorismefinanciering

– belastingfraude – gebruik van het identificatienummer uit het Rijksregister als identificatiemiddel voor het kruisvergelijken van gegevensbestanden – beoordeling van de beroepsbekwaamheid (Fit & Proper)

– FSMA – CRD VI-richtlijn

Vertaling

Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, met name op artikelen 23 en 26 (hierna: WOG);

Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn

95/46/EG (hierna: AVG);

Gelet op de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens (hierna: WVG);

Gelet op de adviesaanvraag van de heer Jan Jambon, vice-premier en minister van Financiën en Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en de federale culturele instellingen (hierna: de aanvrager), ontvangen op 13 april 2026;

Gelet op aanvullende informatie die op 26 mei 2026 is verstrekt;

Brengt de Autorisatie- en Adviesdienst van de Gegevensbeschermingsautoriteit (hierna: de Autoriteit)

op 22 juni 2026 het volgende advies uit:

I.

ONDERWERP EN ACHTERGROND VAN DE ADVIESAANVRAAG

1. De aanvrager heeft op 13 april 2026 de Autoriteit om advies verzocht over het in de titel van dit advies genoemde voorontwerp van wet (hierna: het voorontwerp).

правок: 1

2. Het voorontwerp zet verschillende Europese richtlijnen gedeeltelijk om:

правок: 1

de Europese richtlijn 2024/1619 van 31 mei 2024, de zogenaamde „CRD VIrichtlijn“1 , de Europese richtlijn 2024/2994 betreffende de aanpak van concentratierisico’s2 , de Europese richtlijn 2019/2034 van 27 november 2019 betreffende het prudentieel toezicht op beleggingsondernemingen3 .

3. Deze gedeeltelijke omzettingen brengen wijzigingen aan in de volgende Belgische wetten:

правок: 1

de wet van 25 oktober 2016 betreffende de toegang tot de activiteit van het verrichten van beleggingsdiensten en betreffende het statuut en het toezicht op portefeuillebeheerders en beleggingsadviesbureaus; de wijzigingen hebben betrekking op de „Fit & Proper”-controle die de Autoriteit voor de Financiële Markten (FSMA) uitoefent in het kader van haar toezicht op portefeuillebeheerders en beleggingsadviesbureaus, en op het statuut van portefeuillebeheerders en beleggingsadviesbureaus; de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten; er worden met name wijzigingen aangebracht in de bepalingen inzake het beroepsgeheim van de FSMA en om de procedure voor de uitwisseling van vertrouwelijke informatie tussen de FSMA en de gerechtelijke autoriteiten te vergemakkelijken en te moderniseren. 4. Bovendien brengt het voorontwerp wijzigingen of aanpassingen aan in:

de wet van 25 oktober 2016 tot oprichting van het Federaal Agentschap van de

Schuld (hierna „AFD“ genoemd) om de taken ervan uit te breiden, door daarin de bijdrage aan de preventie van witwassen, terrorismefinanciering en belastingfraude op te nemen; de wet van 18 september 2017 betreffende de preventie van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en de beperking van het gebruik van contant geld



1 Richtlijn (EU) 2024/1619 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2024 tot wijziging van Richtlijn 2013/36/EU wat betreft toezichtsbevoegdheden, sancties, bijkantoren uit derde landen en milieu-, sociale en governance-risico’s; Richtlijn 2013/36/EU wordt gewoonlijk aangeduid als de „CRD”-richtlijn (Capital Requirements Directive) 2 Richtlijn (EU) 2024/2994 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2024 tot wijziging van de Richtlijnen 2009/65/EG, 2013/36/EU en (EU) 2019/2034 wat betreft de behandeling van het concentratierisico dat voortvloeit uit blootstellingen aan centrale tegenpartijen en het tegenpartijrisico van transacties in centraal geclearde derivaten. 3 Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende het prudentieel toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU.

(hierna „AML-wet” genoemd) om expliciet te voorzien in de verwerking van het identificatienummer van het Rijksregister als identificatiemiddel voor het kruisvergelijken van gegevensbestanden overeenkomstig de artikelen 21 tot en met 23 van de antiwitwaswet. de wet van 21 november 2017 betreffende de infrastructuren van de markten voor financiële instrumenten en tot omzetting van Richtlijn 2014/65/EU4 om de verplichting voor marktdeelnemers af te schaffen om wijzigingen in hun marktregels vooraf door de FSMA te laten goedkeuren. talrijke andere normatieve teksten5 .

5. Bij de indiening van zijn adviesaanvraag heeft de verzoeker aangegeven over welke artikelen van het voorontwerp het advies van de Autoriteit werd gevraagd. Het betreft de volgende bepalingen:

правок: 1

artikelen 27 en 28 (hoofdstuk III, afdeling 10), die de wet van 25 oktober 2016 tot oprichting van het Federaal Agentschap van de Schuld en tot afschaffing van het Rentenfonds wijzigen artikelen 30, 35 en 38 (hoofdstuk III, afdeling 11), die de wet van 25 oktober 2016 betreffende de toegang tot de activiteit van het verlenen van beleggingsdiensten en betreffende het statuut en het toezicht op portefeuillebeheerders en beleggingsadviseurs wijzigen. artikel 52 (hoofdstuk III, afdeling 12), dat de wet van 18 september 2017 betreffende de preventie van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en de beperking van het gebruik van contant geld wijzigt

6. In dit advies wordt ingegaan op de bepalingen van het voorontwerp voor zover deze aanleiding geven tot opmerkingen op het gebied van de bescherming van persoonsgegevens, de rechtmatigheid en de voorspelbaarheid van de normen.

правок: 1

II.

BEOORDELING VAN HET ONTWERP



4 Deze wijziging wordt doorgevoerd „met het oog op vereenvoudiging van de regelgeving, teneinde de Belgische wetgeving in overeenstemming te brengen met de wettelijke regeling en de praktijk die van toepassing zijn in de andere rechtsgebieden waar de Euronext-groep actief is.”: Zie de toelichting, commentaar bij artikel 53 van het voorontwerp. 5 Het gaat in het algemeen om de volgende aanpassingen: het koninklijk besluit nr. 71 van 30 november 1939 betreffende de huis-aan-huisverkoop van effecten en de verkoop via huis-aan-huisbezoeken van effecten, goederen en levensmiddelen (zie hoofdstuk III, afdeling 1 – art. 4 van het voorontwerp); de wet van 2 april 1962 betreffende de Federale Participatie- en Investeringsmaatschappij en de regionale investeringsmaatschappijen (zie Hoofdstuk III, Afdeling 2 – art. 5–8 van het voorontwerp); de wet van 11 augustus 1987 betreffende de garantie op voorwerpen van edele metalen (Hoofdstuk III, Afdeling 3, art. 9 – 14 van het voorontwerp); de wet van 17 december 1998 tot oprichting van een Fonds voor de bescherming van deposito’s en financiële instrumenten en tot reorganisatie van de stelsels voor de bescherming van deposito’s en financiële instrumenten (Hoofdstuk III, Afdeling 4 – Art. 15 van het voorontwerp); de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten (Hoofdstuk III, Afdeling 5 – Art. 16 – 20 van het voorontwerp); de wet van 28 december 2011 betreffende het afwikkelingsfonds (Hoofdstuk III, Afdeling 6 – Art. 21 van het voorontwerp); de wet van 17 juli 2013 betreffende de bescherming tegen valsemunterij en het behoud van de kwaliteit van het contante geld in omloop (Hoofdstuk III, Afdeling 7 – art. 22–23 van het voorontwerp); de wet van 4 april 2014 betreffende verzekeringen (Hoofdstuk III, Afdeling 8 – art. 24 van het voorontwerp); de wet van 19 april 2014 betreffende instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders (Hoofdstuk III, Afdeling 9 – art. 25–26 van het voorontwerp); de wet van 21 november 2017 betreffende de infrastructuur van markten voor financiële instrumenten en houdende omzetting van Richtlijn 2014/65/EU (Hoofdstuk III, Afdeling 13 – art. 53 van het voorontwerp); de wet van 23 november 2023 betreffende het Garantiefonds voor financiële diensten (Hoofdstuk III, Afdeling 14 – art. 54–55 van het voorontwerp).

A. Artikelen 27 en 28 van het voorontwerp betreffende het Federaal Agentschap van de Schuld

7. Sectie 10 van Hoofdstuk III van het voorontwerp brengt wijzigingen aan in de wet van 25 oktober 2016 tot oprichting van het Federaal Schuldagentschap en afschaffing6 van het

Rentenfonds (hierna „AFD-wet” genoemd) en is als volgt opgebouwd:

- Artikel 27 van het voorontwerp vult artikel 3 van de AFD-wet aan en beoogt een uitbreiding van de taken van het AFD - Artikel 28 van het voorontwerp voegt een artikel 9/1 in de AFD-wet in, dat de essentiële elementen regelt van de gegevensverwerking door het AFD krachtens deze wet7 .

1. Uitbreiding van de taken van de AFD (art. 27 van het voorontwerp)

правок: 1

8. De AFD heeft tot op heden twee taken: het beheer van de overheidsschuld (art. 3, § 1, eerste lid,van de AFD-wet) en het beheer van financiële activa (art. 3, § 2, van de AFD-wet). Artikel 27 van het voorontwerp (art. 3, § 3 van de ontwerp-AFD-wet) beoogt een derde taak aan de AFD toe te kennen, namelijk het bijdragen aan de preventie van het witwassen van geld, de financiering van terrorisme en belastingfraude, steeds binnen de context en de grenzen van haar twee andere taken. Het luidt als volgt:

правок: 1

- „§ 3. Dans le cadre de sa mission, l'Agence contribue à la prévention du blanchiment de capitaux, du financement du terrorisme et de la fraude fiscale. ”.

9. Uit de toelichting bij artikel 27 van het voorontwerp blijkt dat deze „wetswijziging tot doel heeft het AFD in staat te stellen een proactiever beleid te voeren op het gebied van de preventie van het witwassen van geld, de financiering van terrorisme en belastingfraude, wat ook preventieve controles kan omvatten. Ter herinnering: het Agentschap is geen onderworpen entiteit in de zin van artikel 5 van dezelfde wet.”

правок: 1

10. De Autoriteit constateert niettemin dat de formulering „bijdragen aan de preventie van het witwassen van geld, de financiering van terrorisme en belastingfraude“ zo algemeen is dat hieruit niet duidelijk wordt of de AFD alle of een deel van de verplichtingen moet naleven die worden opgelegd door de antiwitwaswet van 18 september 2017 (hierna „AML-wet“ genoemd).

правок: 1



6 Het Federaal Agentschap van de Schuld (AFD) is een openbare instelling van categorie A. Sinds1januari 2017 is het belast met het beheer van de staatsschuld, met als hoofddoel de financiële kosten daarvan tot een minimum te beperken, rekening houdend met de marktrisico’s en de operationele risico’s, in overeenstemming met de algemene doelstellingen van het begrotingsen monetair beleid. Zie: https://www.debtagency.be/sites/default/files/content/download/files/brochure_particuliers.pdf. 7 De essentiële elementen die in het voorontwerp worden gedefinieerd, zijn: de doeleinden van de gegevensverwerking (art. 9/1 §1 in het ontwerp), de verwerkingsverantwoordelijke (art. 9/1 §2 in het ontwerp) voor deze gegevensverwerking, de categorieën verwerkte persoonsgegevens (art. 9/1 §3 in het ontwerp), de bewaartermijn van deze gegevens (art. 9/1 §3 in het ontwerp), de ontvangers van (bepaalde) van deze gegevens (art. 9/1 §4 in het ontwerp) en de beperking van (bepaalde) rechten die door de AVG worden toegekend (art. 9/1 §5 in het ontwerp).

11. Gevraagd naar de concrete rol van de AFD in het kader van deze nieuwe opdracht, en met name of de AFD de wettelijke verplichtingen moet naleven die voortvloeien uit de AML-wet, of zelfs uit de Europese MiFID-regelgeving, heeft de verzoeker het volgende verduidelijkt:

правок: 1

- „De AFD valt niet onder de wet van 18 september 2017 betreffende de preventie van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (hierna „antiwitwaswet” genoemd), hoewel sommige van haar activiteiten vergelijkbaar zijn met die van personen die wel onder de antiwitwaswet vallen. De AFD geeft met name staatsobligaties uit, waarop particulieren rechtstreeks bij de afdeling Grands-Livres van de AFD kunnen inschrijven. Het doel van de ontwerpartikelen is om de verantwoordelijkheid van de AFD beter te kaderen en haar tegenpartijen te screenen aan de hand van sanctielijsten en met betrekking tot de risico’s van witwassen, terrorismefinanciering en belastingfraude, en zo bij te dragen aan het voorkomen van het omzeilen van sancties, witwassen, terrorismefinanciering en belastingfraude. [onderstreept door de Autoriteit] - Indien de AFD onregelmatigheden constateert (persoon op sanctielijst, vermoeden van witwassen, terrorismefinanciering of belastingfraude), zal zij de transactie weigeren, de gelden bevriezen (indien van toepassing) en de zaak melden aan de CTIF (sancties, witwassen, financiering van terrorisme) of aan de Algemene Belastingdienst (belastingfraude), en zo bijdragen aan de preventie van witwassen, financiering van terrorisme en belastingfraude.” - „Aangezien de AFD geen onderworpen entiteit is, beschikt zij op dit moment niet over de vereiste wettelijke bevoegdheden om „KYC”-controles8 uit te voeren. Het voorontwerp van wet beoogt deze bevoegdheid aan de AFD toe te kennen. Het uitvoeren van „KYC“-controles is een essentiële pijler in de preventie van witwassen, terrorismefinanciering en belastingfraude (zie de artikelen 19 tot en met 36 van de antiwitwaswet)“. - „De AFD valt evenmin onder de MiFID-regelgeving.“9 .

12. Om de duidelijkheid van de regeling te vergroten, zou het wenselijk zijn de toelichting bij artikel 27 van het voorontwerp aan te vullen met de ontbrekende elementen, waarbij wordt verwezen naar de relevante bepalingen van de AML-wet. Het zou tevens opportuun zijn om:

правок: 1

te verduidelijken of de nieuwe verplichtingen die aan de AFD worden opgelegd al dan niet identiek zijn aan die welke gelden voor entiteiten die onder de AML-wet vallen; en

artikel 27 van het voorontwerp (art. 3, §3 van de ontwerp-AFD-wet) aan te vullen om duidelijk aan te geven welke taken de AFD in het kader van deze nieuwe opdracht zal uitvoeren en om de juridische status van de AFD na de inwerkingtreding van deze bepaling te verduidelijken, met name door aan te geven of de AFD geheel of gedeeltelijk een entiteit zal worden die onder de AML-wet valt.



8 KYC is de afkorting voor “Know Your Customer” – een wettelijke verplichting voor banken om de identiteit van hun klanten te controleren en de risico’s op witwassen of terrorismefinanciering die zij met zich meebrengen te beoordelen. Deze verplichting geldt vanaf het moment van het openen van een rekening (onboarding) en gedurende de gehele zakelijke relatie. 9 Volgens de aanvullende informatie die door de aanvrager is verstrekt. Zie de Richtlijn betreffende markten voor financiële instrumenten (MiFID), art. 2.1 h): „Deze richtlijn is niet van toepassing op: de leden van het ESCB [Europees Stelsel van Centrale Banken], andere nationale instellingen met een soortgelijke taak in de Unie, andere overheidsinstanties die belast zijn met het beheer van de overheidsschuld of daarbij betrokken zijn in de Unie (…)”.

2. Essentiële elementen van de verwerking van persoonsgegevens (art. 28 van het voorontwerp) die plaatsvindt in het kader van de uitoefening van de nieuwe opdracht van de AFD a) Inleidende opmerkingen

правок: 1

13. Herhaling van de beginselen van wettigheid en voorspelbaarheid. Overeenkomstig de beginselen van voorspelbaarheid en wettigheid10 moet de norm waarop de verwerking van persoonsgegevens is gebaseerd, aan bepaalde eisen voldoen: deze moet de status van wet hebben (wet, decreet of ordonnantie) en moet de essentiële elementen van de verwerking op voorspelbare wijze vastleggen11 , zodat de betrokkenen bij het lezen ervan duidelijk kunnen overzien welke verwerkingen er met hun gegevens plaatsvinden. Dit betekent niet noodzakelijkerwijs dat deze elementen altijd als zodanig moeten worden opgesomd. De inhoud van het normatieve ontwerp en de context ervan zijn in dit verband doorslaggevend: uit de bepalingen van de wettekst moet ondubbelzinnig blijken wat de essentiële elementen zijn van elke beoogde gegevensverwerking.

правок: 1

14. In dit verband maakt de Autoriteit de volgende voorafgaande opmerkingen:

правок: 1

- De beginselen van rechtmatigheid en voorspelbaarheid vereisen een duidelijke samenhang tussen de verschillende essentiële elementen van een gegevensverwerking.

- Het louter opsommen van de essentiële elementen van een gegevensverwerking in een normatief ontwerp (bijvoorbeeld in de vorm van lijsten in een hoofdstuk of artikel gewijd aan gegevensbescherming) is problematisch als deze elementen niet logisch met elkaar zijn verbonden. Dergelijke „verzamelhoofdstukken“ kunnen ten onrechte de indruk wekken dat de verwerkingsverantwoordelijke alle opgesomde gegevens voor elk van de beoogde doeleinden rechtmatig zou mogen verwerken.

Artikel 28 van het voorontwerp (artikel 9, lid 1, in het ontwerp) werpt precies dit probleem op. Het somt de essentiële elementen van de gegevensverwerkingen die door de AFD mogen worden uitgevoerd één voor één op, zonder dat deze essentiële elementen onderling met elkaar zijn verbonden, waardoor de indruk wordt gewekt dat alle opgesomde gegevens voor alle doeleinden mogen worden gebruikt.

15. Het voorontwerp zal daarom grondig worden herzien en zal een onderlinge koppeling van de essentiële elementen van elke gegevensverwerking bevatten, in  10 Deze beginselen zijn vastgelegd in artikel 8 van het EVRM en artikel 22 van de Grondwet.

правок: 1

11 De volgende elementen vormen in principe essentiële elementen: (1°) de categorieën van verwerkte gegevens; (2°)

de categorieën van betrokkenen; (3°) het doel of de doelen die met de gegevensverwerking worden nagestreefd; (4°) de categorie(ën) van derden die toegang hebben tot de gegevens en (5°) de maximale bewaartermijn van de gegevens. De Gegevensbeschermingsautoriteit voegt hieraan de identificatie van de verwerkingsverantwoordelijke toe, met name bij gegevensverwerkingen waarbij meerdere organisaties betrokken zijn.

Advies 128/2026 -7/20  overeenstemming met de brochure over de adviespraktijk van de SAA en de volgende specifieke opmerkingen:12 .

b) Doeleinden zoals voorzien in het voorontwerp (art. 28 van het voorontwerp / art. 9/1 §1 in het ontwerp)

16. Artikel 28, lid 2, van het voorontwerp (artikel 9/1, § 1, in het ontwerp) bepaalt dat de AFD persoonsgegevens verwerkt voor de volgende doeleinden:

правок: 1

- „1° ter vervulling van de in artikel 3 [van de AFD-wet] bedoelde taken13 ; - 2° ter naleving van de bindende bepalingen inzake financiële sancties zoals gedefinieerd in artikel 4, 6°, van de wet van 18 september 2017 betreffende de preventie van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en de beperking van het gebruik van contant geld; - 3° natuurlijke personen met wie zij een zakelijke of professionele relatie onderhoudt of voornemens is aan te gaan.”

17. Volgens artikel 3 van de AFD-wet „zorgt dit agentschap voor het operationele beheer van de federale overheidsschuld overeenkomstig de algemene richtlijnen van de minister. Dit beheer omvat zowel de financiële, economische als juridische aspecten van de schuld”. Daartoe somt artikel 3, § 1, van de AFD-wet een reeks taken op die door de AFD worden uitgevoerd.

правок: 1

18. Gevraagd naar de vraag in hoeverre elk van deze taken van de AFD toegang vereist tot alle persoonsgegevens bedoeld in artikel 9, §3 van het wetsontwerp (identificatie- en contactgegevens, financiële gegevens), en verzocht dit aan de hand van concrete voorbeelden te illustreren, heeft de aanvrager de antwoorden gegeven die in de bovenstaande tabel zijn weergegeven:

правок: 1

Het operationele beheer van de federale overheidsschuld en de taken van de AFD14

Aanvullende informatie die door de aanvrager is verstrekt tijdens de voorbereiding van het dossier

- „de minister van Financiën de financieringsstrategie voorstellen en de financiële transacties uitvoeren die verband houden met de uitgifte van alle soorten leningen volgens de daarvoor geldende uitgifteprocedures”;

„Elke financiële transactie heeft een tegenpartij. Deze tegenpartij moet tegen sanctielijsten kunnen worden gescreend. Indien de tegenpartij een natuurlijke persoon is (bijvoorbeeld bij een staatsobligatie), dan wordt de tegenpartij zelf gescreend, en daarvoor is het noodzakelijk om over zijn of haar persoonsgegevens te beschikken. Als de tegenpartij een rechtspersoon is (bijv. voor een OLO15 ), voert het Agentschap 

12Ter illustratie, met inachtneming van de redactionele vrijheid van de auteurs, zouden de essentiële elementen als volgt kunnen worden gerangschikt: [bepaalde categorieën persoonsgegevens] met betrekking tot [bepaalde betrokkenen] zullen worden verwerkt door [de verwerkingsverantwoordelijke] voor [beschrijving van de doeleinden/uit te voeren taken waarvoor de verwerking van deze gegevens noodzakelijk is]; deze gegevens worden bewaard [gedurende maximaal X jaar] vanaf [het begin van de bewaartermijn invullen], een termijn die gerechtvaardigd is door [de rechtvaardiging voor deze termijn invullen bijvoorbeeld de termijn waarbinnen een beslissing kan worden aangevochten]; deze gegevens zullen worden gedeeld met [voeg de ontvangers/derden in] voor/met het oog op [voeg de omstandigheden in waarin en de precieze redenen waarom ze aan deze derden zullen worden verstrekt, evenals het gebruik dat zij ervan zullen maken]. 13 De haakjes zijn door de Autoriteit toegevoegd ter wille van de leesbaarheid. 14 Zie art. 3, § 1 van de AFD-wet. 15 Lineaire obligaties (OLO’s) – door de Belgische Staat in euro uitgegeven obligaties met een vaste looptijd (langer dan 1 jaar) die recht geven op een vast (of in sommige gevallen variabel) jaarlijks inkomen, de zogenaamde coupon.

Advies 128/2026 -8/20  de screening uit van de rechtspersoon zelf, maar ook van bepaalde natuurlijke personen die aan de rechtspersoon verbonden zijn: de UBO’s van de rechtspersoon (= de meerderheidsaandeelhouders, de CEO16 , de topmanagers, …), maar ook de natuurlijke personen die de transactie daadwerkelijk hebben uitgevoerd (= de handelaren), wat de verwerking van hun persoonsgegevens vereist.” - „actief zijn op de derivatenmarkt“; „Elke derivatentransactie (swap, repo, enz.) heeft een tegenpartij“ „alle financiële transacties in verband met het schuldbeheer registreren om de dagelijkse kaspositie te bepalen, de krediet- en marktrisico’s te berekenen en statistieken en rapporten op te stellen”;

„Elke financiële transactie heeft een tegenpartij. Dezelfde opmerking als bij het eerste punt.”

„de minister van Financiën een strategie voor het schuldbeheer voorstellen, waarbij met name rekening wordt gehouden met de structuur van de schuldportefeuille en de beoordeling van de markten kredietrisico’s”;

„Het risico dat bijvoorbeeld een van de handelaren van een tegenpartij waarmee het Agentschap zaken doet, is veroordeeld voor terrorisme, maakt deel uit van het ‘tegenpartijrisico’, dat op zijn beurt weer deel uitmaakt van de marktrisico’s.” „contacten onderhouden met marktpartijen en nationale en internationale organisaties met betrekking tot het schuldbeheer“;

„Deze actoren (of de natuurlijke personen die met deze actoren verbonden zijn) moeten kunnen worden gescreend.”

„de begroting voor de overheidsschuld opstellen en het schuldbeheer aan de begroting aanpassen”;

„Geen concreet voorbeeld.”

„Zorgen voor de promotie van de financiering van de federale staatsschuld, zowel in België als in het buitenland”;

„Bij deze promotie ontmoet het Agentschap de natuurlijke personen met wie het zaken doet. Het zijn vaak dezezelfde natuurlijke personen die moeten worden gescreend wanneer zij transacties uitvoeren, bijvoorbeeld bij het inschrijven op een OLO in naam en voor rekening van hun financiële instelling.” „nieuwe financiële producten ontwikkelen“;

„Geen concreet voorbeeld.“ „het doen van voorstellen aan de minister van Financiën die het schuldbeheer kunnen bevorderen”;

„Geen concreet voorbeeld.”

„rapporten opstellen en informatie verstrekken op verzoek van de minister van Financiën of supranationale instellingen“;

„Geen concreet voorbeeld.“ „algemene informatie over de federale staatsschuld verspreiden“;

„Geen concreet voorbeeld.“

19. De Autoriteit benadrukt allereerst dat voor verschillende taken (opdrachten) van de AFD, zoals opgesomd in artikel 3, §1, eerste lid,van de AFD-wet, geen verwerking van de in het voorontwerp genoemde persoonsgegevens vereist is. Tenzij anders gemotiveerd, betreft dit:

правок: 1

het opstellen van de begroting voor de overheidsschuld en het afstemmen van het schuldbeheer op de begroting



16 Chief Executive Officer (CEO).

Advies 128/2026 -9/20  de ontwikkeling van nieuwe financiële producten; het formuleren van voorstellen aan de minister van Financiën met betrekking tot het schuldbeheer; het opstellen van verslagen en het verstrekken van informatie aan de minister van Financiën of aan supranationale instellingen; de verspreiding van algemene informatie over de staatsschuld van de federale staat.

20. Vervolgens kan de Autoriteit zich niet volledig aansluiten bij het antwoord van de verzoeker ter rechtvaardiging van de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de opdracht om „de financiering van de federale staatsschuld zowel in België als in het buitenland te bevorderen”.

правок: 1

De verzoeker heeft aangegeven dat: „het Agentschap de natuurlijke personen ontmoet met wie het zaken doet. Het zijn vaak dezezelfde natuurlijke personen die moeten worden gescreend wanneer zij transacties verrichten, bijvoorbeeld bij het inschrijven op een OLO17 in naam en voor rekening van hun financiële instelling” [onderstreept door de Autoriteit]. Een dergelijke rechtvaardiging is aanvaardbaar wanneer de door het AFD aangeboden producten rechtstreeks door particulieren worden onderschreven bij de afdeling Grootboek van het AFD. In de overige gevallen lijkt de verwerking ongerechtvaardigd en onevenredig, tenzij het tegendeel wordt aangetoond.

21. Bovendien is de Autoriteit evenmin overtuigd door de aangevoerde rechtvaardiging met betrekking tot de opdracht die bestaat uit „het voorstellen van een strategie voor het schuldbeheer aan de minister van Financiën, waarbij met name rekening wordt gehouden met de structuur van de schuldportefeuille en de beoordeling van de markt- en kredietrisico’s”. De verzoeker geeft aan dat: „het risico dat bijvoorbeeld een van de handelaren van een tegenpartij, waarmee het Agentschap zaken doet, is veroordeeld voor terrorisme, deel uitmaakt van het ‚counterparty risk‘, dat op zijn beurt weer deel uitmaakt van de marktrisico’s.“ De Autoriteit concludeert hieruit dat de verwerking van persoonsgegevens gerechtvaardigd kan zijn voor het beheer van markt- en kredietrisico’s, maar niet voor het uitwerken van een strategie voor het schuldbeheer als zodanig.

правок: 1

22. Gezien het bovenstaande verzoekt de Autoriteit de verzoeker om:

правок: 1

artikel 9/1, §1, 1° van het wetsontwerp te wijzigen om de verwijzing naar alle taken van de AFD, zoals opgenomen in artikel 3 van de AFD-wet, te schrappen en alleen die taken te vermelden waarvoor daadwerkelijk een of meer verwerkingen van persoonsgegevens nodig zijn.

elke taak of elk doel van de gegevensverwerking te koppelen aan de categorieën persoonsgegevens die strikt noodzakelijk zijn voor de uitvoering ervan, alsook aan de betrokken personen. Ter illustratie: het voorstellen van de  17 Een OLO (Lineaire Obligatie) is een financieel instrument dat door de Belgische Staat wordt gebruikt om op lange termijn geld te lenen.

Advies 128/2026 -10/20  financieringsstrategie of de strategie voor het schuldbeheer aan de minister van Financiën vereist niet de verwerking van alle (categorieën) persoonsgegevens (nummer van het Rijksregister, kopie van de identiteitskaart, enz.).

23. Vervolgens merkt de Autoriteit op dat de formulering van het verwerkingsdoel zoals bepaald in artikel 9/1, § 1, 3° van het ontwerp („natuurlijke personen met wie zij een zakelijke of professionele relatie onderhoudt of overweegt ”) om verschillende redenen problematisch is. Enerzijds beschrijft deze formulering een categorie van betrokkenen en geen verwerkingsdoel. Anderzijds vormt „contact opnemen met personen“ een middel en geen doel op zich: men neemt contact op met personen om een bepaald doel te bereiken.

правок: 1

24. Toen hem hierover vragen werden gesteld, verklaarde de aanvrager het volgende:

правок: 1

- „Alle zakelijke of professionele relaties bedoeld in art. 9/1, § 1, 3°, in het ontwerp, houden verband met de opdrachten bedoeld in artikel 3 van de wet van 25 oktober 2016 tot oprichting van de AFD (hierna „AFD-wet” genoemd).“ 25. Gezien het voorgaande verzoekt de Autoriteit de aanvrager om een geldboete voor artikel 9/1, § 1, 3° van het voorontwerp (artikel 28, lid 2 van het voorontwerp) te wijzigen om het concrete doel te verduidelijken – bijvoorbeeld het verifiëren van de identiteit van personen met wie de AFD een zakelijke of professionele relatie onderhoudt of voornemens is te onderhouden in het kader van de in artikel 9/1, § 1, 1° van het ontwerp – en de risico’s te beoordelen die aan deze zakelijke of professionele relatie verbonden zijn.

c) Verdere verwerking van gegevens voor andere doeleinden

26. Artikel 9/1, § 1, lid 2, van het ontwerp (artikel 28 van het voorontwerp) bepaalt dat:

правок: 1

- „Het Agentschap kan elk persoonsgegeven dat rechtmatig is verzameld in het kader van de uitvoering van een van zijn taken, verder verwerken voor de uitvoering van zijn andere taken.”

27. Gevraagd naar de bedoeling achter de toevoeging van deze alinea, heeft de indiener aangegeven dat:

правок: 1

- „De AFD heeft tot op heden twee taken: (1) het beheer van de staatsschuld (art. 3, lid 1, AFD-wet) en (2) het beheer van de financiële activa van Hedera (art. 3, lid 2, AFD-wet). Het wetsontwerp beoogt de AFD een derde taak toe te kennen, namelijk het bijdragen aan de preventie van het witwassen van geld, de financiering van terrorisme en belastingfraude, steeds binnen de context en de grenzen van haar twee andere taken (art. 3, § 3, ontwerp, AFD-wet). - Wanneer de AFD persoonsgegevens verzamelt, doet zij dit ofwel in het kader van haar eerste taak, ofwel in het kader van haar tweede taak. Het is de bedoeling van dit lid om de AFD in staat te stellen de gegevens die in het kader van de eerste en de tweede taak zijn verzameld, te combineren, teneinde de voorgestelde derde taak te kunnen vervullen.”

- Hier volgt een concreet voorbeeld. Het Agentschap geeft niet alleen staatsobligaties uit. Het geeft ook EMTN’s uit (obligaties in vreemde valuta, bijvoorbeeld USD), die vervolgens worden geswapt van USD naar EUR. Deze swap is een contract dat wordt gesloten met een bancaire tegenpartij. De contacten tussen de AFD en de banktegenpartij verlopen in de praktijk via natuurlijke personen, dat wil zeggen handelaren die voor de tegenpartij werken. Het Agentschap sluit ook „repo“-contracten af, eveneens met banktegenpartijen. - In het geval dat het Agentschap ontdekt dat een van deze handelaren met wie het Agentschap „repo”-contracten heeft gesloten of wenst te sluiten voor het beheer van de financiële activa van Hedera (art. 3 §2 BDA-wet18 , = tweede taak) wordt veroordeeld wegens terrorisme, dan moet het Agentschap, in overeenstemming met de verwachtingen op het gebied van de preventie van witwassen, terrorismefinanciering of belastingfraude, de relatie met deze tegenpartij kunnen beëindigen, niet alleen op grond van art. 3 §2 (beheer van de activa van Hedera), maar ook op grond van art. 3, § 1 (beheer van de overheidsschuld), wat de verwerking van persoonsgegevens van deze handelaren (= natuurlijke personen) vóór en tijdens de zakelijke relatie vereist. Er moet rekening mee worden gehouden dat het voor beide activiteiten vaak om dezelfde tegenpartijen gaat. - Het is moeilijker om een voorbeeld te geven voor particulieren die op staatsobligaties inschrijven, aangezien zij uitsluitend onder de eerste taak vallen (art. 3, § 1 van de BDA-wet inzake het beheer van de overheidsschuld). Het zou daarentegen mogelijk kunnen zijn dat de handelaar uit het vorige voorbeeld, in het kader van het beheer van zijn privéfinanciën, op een staatsobligatie heeft ingeschreven.”

28. De Autoriteit ziet zich in deze context genoodzaakt de volgende opmerkingen te maken:

правок: 1

- Deze bepaling is verrassend. Enerzijds maakt het voorontwerp geen onderscheid tussen de verwerkte gegevens op basis van elk doel (zie hierboven, overweging nr. 14), zodat de huidige versie van de tekst suggereert dat alle gegevens bedoeld in artikel 28 van het voorontwerp (artikel 9/1, § 3 in het ontwerp) voor alle doeleinden zouden kunnen worden gebruikt. Anderzijds weerspiegelt de alinea, zoals deze is geformuleerd, niet de verstrekte aanvullende toelichting. Gezien deze toelichtingen begrijpt de Autoriteit dat de persoonsgegevens die rechtmatig zijn verzameld in het kader van de taken inzake schuldbeheer19 en het beheer van financiële activa20 , zullen worden hergebruikt om de AFD in staat te stellen haar taak ter voorkoming van witwassen, terrorismefinanciering en belastingfraude21 uit te voeren.

- Indien dit inderdaad de bedoeling is van de opsteller van het wetsontwerp, kan dit worden bereikt door ofwel deze alinea te herformuleren, ofwel door elke categorie gegevens correct te koppelen aan het overeenkomstige doel en deze alinea te schrappen. Er dient tevens op te worden gelet dat het woord „opdracht” wordt gebruikt in plaats van het woord „taak”, indien deze alinea wordt gehandhaafd en in het licht van het voorgaande wordt geherformuleerd.



18 AFD-wet. 19 Art. 3, § 1, eerste lid,van de AFD-wet. 20 Art. 3, § 2 van de AFD-wet. 21 Deze taak zal op termijn worden ingevoerd via dit voorontwerp dat ter advies is voorgelegd (art. 3, lid 3, van het wetsontwerp van de AFD) .

- Deze alinea in het ontwerp mag de AFD in geen geval toestaan persoonsgegevens te gebruiken voor een doel dat niet uitdrukkelijk is voorzien en toegestaan door een wettelijke norm.

- De aanvullende informatie die tijdens de voorbereiding is verstrekt, dient in de toelichting bij het artikel te worden opgenomen, met inbegrip van het voorbeeld.

d) Categorieën persoonsgegevens waarin het ontwerp voorziet

29. Artikel 28 van het voorontwerp (artikel 9/1, §3 in het ontwerp) bepaalt dat:

правок: 1

- „De volgende persoonsgegevens worden door het Agentschap verwerkt voor de in lid 1 bedoelde doeleinden: - 1° identificatie- en contactgegevens: de naam, de voornaam, de geboortedatum, de geboorteplaats, de nationaliteit, het geslacht, het nummer van het Rijksregister, het adres, het telefoonnummer, het e-mailadres, de handtekening en de kopie van de identiteitskaart van natuurlijke personen; - 2° financiële gegevens: het bankrekeningnummer, de naam van de rekeninghouder en de financiële transacties waarbij het Agentschap tegenpartij of tussenpersoon is.” [onderstreept door de Autoriteit]

30. Gevraagd naar het eventuele verschil tussen de persoonsgegevens die door de AFD worden verzameld in het kader van de uitgifte van staatsobligaties op naam (wanneer een particulier een inschrijvingsopdracht voor staatsobligaties indient via de dienst „Grand Livre” van de AFD)

правок: 1

en die met betrekking tot de uitgifte van gedematerialiseerde staatsobligaties (waarop via een financiële instelling wordt ingeschreven), heeft de verzoeker het volgende aangegeven:

- „De AFD verzamelt uitsluitend persoonsgegevens wanneer een particulier een inschrijvingsopdracht plaatst via de dienst „Grand Livre”. In dat geval gaat het om een staatsobligatie op naam in het register (= de „Grand Livre”). - Wanneer de particulier een inschrijvingsopdracht plaatst via een financiële instelling (primaire markt), verzamelt de AFD zelf geen persoonsgegevens. Het verzamelen van gegevens en de screening (sancties, witwassen, …) worden uitgevoerd door de financiële instelling, in overeenstemming met haar verplichtingen uit hoofde van de antiwitwaswetgeving. In deze gevallen gaat het om een gedematerialiseerde staatsobligatie, die wordt aangehouden op een effectenrekening bij een financiële instelling.” - „Wanneer staatsobligaties op naam worden gekocht of verkocht op de secundaire markt, moet de verkoper of koper contact opnemen met de afdeling Grootboek om de inschrijving op naam aan te passen. In deze gevallen verwerkt de AFD persoonsgegevens (wat handmatig gebeurt). - Wanneer gedematerialiseerde staatsobligaties op de secundaire markt worden gekocht of verkocht, verzamelt de AFD geen persoonsgegevens, aangezien deze aan- en verkopen door de financiële instellingen worden afgehandeld.”

31. De Autoriteit begrijpt dat de AFD ook gegevens zal verwerken met betrekking tot verdachte elementen en interne analyse (bijvoorbeeld rapporten van verscherpt onderzoek of analyseverslagen die het abnormale karakter van een transactie onderbouwen), evenals

правок: 1

Advies 128/2026 -13/20  gegevens in verband met aangiften (zoals informatie die wordt doorgegeven aan de CTIF of aan de belastingautoriteiten). De Autoriteit verzoekt de aanvrager om artikel 9/1, §3 van het ontwerp dienovereenkomstig aan te vullen en de aanvullende toelichtingen die in het commentaar bij het artikel zijn gegeven, daarin op te nemen.

e) Toegang tot gegevens – Categorieën van ontvangers

32. Wat betreft de toegang die aan derden wordt verleend tot bepaalde van de bovengenoemde persoonsgegevens, bepaalt artikel 28 van het voorontwerp (artikel 9/1, § 4, in het ontwerp) dat:

правок: 1

- „Het Agentschap kan, voor de in lid 1 bedoelde doeleinden, informatie uitwisselen met: de diensten van de FOD Financiën, andere federale overheidsdiensten (met inbegrip van de FOD Justitie in het kader van onderzoeken en gerechtelijke procedures), de administratieve diensten van de Staat, de FSMA, de Nationale Bank, de beheerder van de 679-rekeningen, de Cel voor de Verwerking van Financiële Informatie, de entiteiten die onderworpen zijn aan de wet van 18 september 2017 betreffende de preventie van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en de beperking van het gebruik van contant geld, en elke andere persoon die rechtmatig bevoegd is om deze gegevens van het Agentschap te ontvangen.”

33. De Autoriteit stelt vast dat het toepassingsgebied van dit artikel alle doeleinden van de verwerking omvat, terwijl uit de dossierbehandeling blijkt dat de gegevensuitwisseling betrekking heeft op de opdracht van het AFD inzake de preventie van witwassen, terrorismefinanciering en belastingfraude, steeds binnen de context en de grenzen van zijn twee andere opdrachten (het beheer van de overheidsschuld, het beheer van de financiële activa)22 . De tekst stelt de lezer niet in staat om de categorieën van de doorgegeven gegevens te identificeren, noch de precieze doeleinden die aan deze doorgifte verbonden zijn (de redenen waarom deze gegevens aan hen worden doorgegeven).

правок: 1

34. Toen hem werd gevraagd naar de wijze waarop de gegevens aan deze derden worden doorgegeven, heeft de verzoeker het volgende verduidelijkt:

правок: 1

- „De AFD zal, voor zover mogelijk, dezelfde voorwaarden voor het delen van informatie toepassen als de entiteiten die onder de antiwitwaswet vallen, wanneer zij informatie delen met de CTIF en de toezichthoudende autoriteiten. - Zo moeten verdachte gevallen van witwassen of terrorismefinanciering via het „GoAML“platform aan de CTIF worden gemeld.”



22 Volgens de ontvangen aanvullende informatie: „De artikelen 47 en 56 van de antiwitwaswet regelen de uitwisseling van informatie tussen (1) de entiteiten die onder de antiwitwaswet vallen, (2) de CTIF, (3) de toezichthoudende autoriteiten (art. 85 antiwitwaswet: de minister van Financiën, de Schatkist, de NBB, de FSMA, de FOD Economie, de FOD Binnenlandse Zaken (…)), in het kader van de strijd tegen het witwassen van geld en de financiering van terrorisme. Deze informatie-uitwisseling is essentieel om de strijd tegen het witwassen van geld en de financiering van terrorisme doeltreffend te kunnen voeren. Men moet weten dat de AFD (die toen nog „Fonds des Rentes“ heette) tot 2016 volledig deel uitmaakte van de Schatkist. Aangezien de AFD niet onder de antiwitwaswet valt, kan zij geen bijdrage leveren aan de preventie van witwassen, terrorismefinanciering en belastingfraude, noch informatie hierover delen. Het wetsontwerp heeft tot doel deze leemte op te vullen. Het precieze doel waarvoor de informatie in voorkomend geval zal worden uitgewisseld tussen de AFD en de CTIF, de FOD Financiën, de FOD Justitie, de NBB, de FSMA en de entiteiten die onderworpen zijn aan de wet van 18 september 2017 betreffende de preventie van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, is hetzelfde als het doel dat wordt beoogd in de artikelen 47 en 56 van de antiwitwaswet, namelijk de preventie van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme.”

- Zo beantwoorden de autoriteiten die onder de antiwitwaswet vallen verzoeken om informatie van de gerechtelijke autoriteiten (art. 4, 50° van de antiwitwaswet: het openbaar ministerie binnen de FOD Justitie, de onderzoeksrechters, de politie binnen de FOD Binnenlandse Zaken, …) en van de toezichthoudende autoriteiten (de Schatkist binnen de FOD Financiën, de NBB, FSMA, FOD Economie, FOD Binnenlandse Zaken, …) via beveiligde kanalen die volledige vertrouwelijkheid garanderen (zie art. 63 van de antiwitwaswet).”

35. De Autoriteit verzoekt de indiener om:

правок: 1

artikel 9/1, § 4, van het wetsontwerp te wijzigen om een expliciete verwijzing op te nemen naar de taak inzake de preventie van witwassen, terrorismefinanciering en belastingfraude zoals bepaald in artikel 3, § 3, van het wetsontwerp van de AFDwet (art. 27 van het voorontwerp);

in de toelichting bij het artikel te verwijzen naar de relevante wettelijke bepalingen die deze uitwisselingen regelen, teneinde de vereiste voorspelbaarheid van een wettelijke norm te waarborgen;

de uitdrukking „elke andere persoon die wettelijk bevoegd is om deze gegevens van het Agentschap te ontvangen“ verduidelijken. Indien de opsteller van het wetsontwerp doelt op een persoon die wettelijk bevoegd is om gegevens van de AFD te ontvangen, dient het woord „legitiem“ te worden vervangen door het woord „wettelijk“.

f) Beperking van de rechten van betrokkenen

36. Artikel 28 van het voorontwerp (art. 9/1, §5, in het ontwerp) heeft tot doel artikel 23 van de AVG ten uitvoer te leggen en de uitoefening van de rechten bedoeld in de artikelen 12, 13, 15, 16, 19, 21, 22 en 34 van de AVG te beperken. Het bepaalt dan ook:

правок: 1

- „Naast de uitzonderingen waarin is voorzien in artikel 14, lid 5, onder c) en d), artikel 17, lid 3, onder b), artikel 18, lid 2, en artikel 20, lid 3, van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG, met het oog op het waarborgen van de doelstellingen van artikel 23, lid 1, onder d), e) en h) van de bovengenoemde verordening te waarborgen, de uitoefening van de rechten bedoeld in de artikelen 12 (transparantie van informatie en mededelingen en wijze van uitoefening van de rechten van de betrokkene), 13 (te verstrekken informatie wanneer persoonsgegevens bij de betrokkene worden verzameld), 15 (recht op inzage), 16 (recht op rectificatie), 19 (meldingsplicht met betrekking tot de rectificatie of verwijdering van persoonsgegevens of de beperking van de verwerking), 21 (recht van bezwaar) en 34 (melding aan de betrokkene van een schending van persoonsgegevens) van deze verordening is volledig beperkt wat betreft de verwerkingen van persoonsgegevens bedoeld in artikel 4, lid 1, van dezelfde verordening, die voor de in lid 1 genoemde doeleinden door het Agentschap worden uitgevoerd in zijn hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke die een taak van algemeen belang vervult.”

37. In de toelichting wordt verduidelijkt dat:

правок: 1

- „Net als bij de entiteiten die onderworpen zijn aan de wet van 18 september 2017 betreffende de preventie van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en de beperking van het gebruik van contant geld, is het beperken van de bovengenoemde rechten essentieel om (1) het Agentschap in staat te stellen bij te dragen aan de preventie van het witwassen van geld, de financiering van terrorisme en belastingfraude, en (2) de preventie en opsporing van gevallen van witwassen of terrorismefinanciering, noch de onderzoeken ter zake in gevaar te brengen, en te voorkomen dat verzoeken om inlichtingen, analyses, onderzoeken of procedures van officiële of gerechtelijke aard, die voor deze doeleinden worden uitgevoerd, worden belemmerd.” [onderstreept door de Autoriteit]. 38. Gevraagd naar de tijdsduur van deze beperkingen, gaf de verzoeker het volgende antwoord:

- „Artikel 65 van de antiwitwaswet bevat geen termijn. Naar analogie bevat ook het voorgestelde artikel 9/1, § 4, geen termijn. [onderstreept door de Autoriteit] - Er moet echter worden vermeld dat de bewaartermijn waarnaar wordt verwezen in artikel 9/1, § 3, tweede alinea, van het wetsontwerp, „tien jaar vanaf het einde van de zakelijke relatie met de tegenpartij van het Agentschap of van de incidenteel verrichte transactie“ bedraagt. Dit om de bewaartermijn van de gegevens af te stemmen op de verjaringstermijn voor de strafvordering inzake witwassen, terrorismefinanciering en belastingfraude.”

39. De Autoriteit begrijpt dat de opsteller van het voorontwerp zich grotendeels heeft laten inspireren door artikel 65 van de AML-wet. Juist dit vormt het probleem: dit model is al het voorwerp geweest van ernstige kritiek, zowel van de Autoriteit23 als van de Raad van State24 . Een dergelijke algemene beperking leidt tot ondoorzichtigheid van de verwerking voor de betrokkenen en leidt de facto tot een algehele uitholling van de door de AVG gewaarborgde rechten.

правок: 1

40. In dit verband verwijst de Autoriteit de verzoeker naar de analyses die zijn uiteengezet in advies nr. 42/2026 van 12 maart 202625 (zie overwegingen 75 tot en met 78), alsook in advies nr.

правок: 1

41/2018 van 23 mei 201826 (zie overwegingen 12 tot en met 16), die beide betrekking hebben op bepalingen die vergelijkbaar zijn met die van het voorgestelde artikel 9/1, §5, in teksten met betrekking tot de financiële sector.

41. In het onderhavige geval voert artikel 9/1, §5, in ontwerpvorm, hoewel er sprake is van een

правок: 1

„beperking”, een algemene opheffing in van de door de AVG voorziene rechten, voor alle betrokkenen, voor alle gegevensverwerkingen die door de AFD worden uitgevoerd in het kader van haar drie taken: schuldbeheer, operationeel beheer van financiële activa en de preventie



23Advies nr. 17/2020 van 21 februari 2020, blz. 8-10, https://www.autoriteprotectiondonnees.be/publications/avis-n-17-2020.pdf; de Autoriteit staat vaak afwijzend tegenover soortgelijke uitzonderingsbepalingen met betrekking tot de rechten waarin de AVG voorziet: zie in dit verband ook advies nr. 34/2018 van 11 april 2018 (overwegingen 20 e.v.); advies nr. 80/2018 van 5 september 2018 (overweging 15 e.v.) ; advies nr. 84/2018 van 14 september 2018 (overweging 21 e.v.) en advies nr. 06/2019 van 16 januari 2019 (overweging 8 e.v.). 24 CE, Advies 63.470/2-4 van 7 juni 2018 over een voorontwerp dat is uitgegroeid tot de wet van 30 juli 2018 „houdende diverse financiële bepalingen”, Parlementsdocument Kamer, 2017-2018, nr. 54-3172/1, blz. 356-366. 25 https://www.autoriteprotectiondonnees.be/publications/avis-n0-42-2026.pdf 26 https://www.autoriteprotectiondonnees.be/publications/avis-n-41-2018.pdf

Advies 128/2026 -16/20  van witwassen, terrorismefinanciering en belastingfraude. De beperking van de AVG-rechten van een betrokkene moet echter een tijdelijke, noodzakelijke en evenredige uitzondering blijven.

42. Het spreekt voor zich dat een dergelijke maatregel volstrekt onevenredig zou zijn indien deze gericht zou zijn op personen die louter staatsobligaties hebben onderschreven en geen enkel risico vormen in het licht van de wetgeving inzake de preventie van witwassen, terrorismefinanciering of belastingfraude. Toch leidt de bepaling in haar huidige formulering juist tot dit e resultaat. Wat betreft de noodzaak om in een „tijdelijke uitzondering“ te voorzien, spreekt het eveneens voor zich dat zelfs wanneer een persoon het voorwerp uitmaakt van een onderzoek of een vermoeden inzake witwassen, terrorismefinanciering of belastingfraude, hij of zij na een bepaalde termijn (bijvoorbeeld na de seponering van het onderzoek, enz.) zou moeten kunnen genieten van de rechten die de AVG hem of haar garandeert. De Autoriteit moet hieruit concluderen dat het voorgestelde artikel 9/1, §5, niet voldoet aan de toets van artikel 23, lid 2, van de AVG. Verduidelijking en herformulering zijn noodzakelijk.

правок: 1

43. Om te voorkomen dat deze bepaling neerkomt op een algemene afschaffing van de uitoefening van rechten en om de evenredigheid ervan te waarborgen, verzoekt de

правок: 1

Autoriteit de indiener het ontwerp van artikel 9/1, §5, te wijzigen in het licht van de Richtsnoeren 10/2020 van de EDPB betreffende beperkingen op grond van artikel 23 van de AVG27 . Daartoe dient:

niet alle doeleinden op te nemen die zijn voorzien in het ontwerp van artikel 9/1, §1, maar de relevante doeleinden te vermelden, namelijk, volgens de toelichting, het voorkomen en opsporen van gevallen van witwassen of terrorismefinanciering (dus, indien dit daadwerkelijk de bedoeling van de indiener is, moet worden verwezen naar art. 3, § 3 van het wetsontwerp van de AFD)28 ; de categorieën gegevens waarop de beperking betrekking heeft nauwkeurig te omschrijven (daartoe zou de verzoeker een onderscheid kunnen maken tussen de gegevens die mogen worden verstrekt (bijvoorbeeld identificatie- en contactgegevens, algemene financiële gegevens, zoals het aantal aangekochte staatsobligaties, enz.) en de gegevens die niet mogen worden verstrekt (bijvoorbeeld de concrete aanwijzingen voor witwassen die aanleiding hebben gegeven tot een melding van een vermoeden bij de CTIF, de aan de CTIF doorgegeven gegevens, enz.); de duur van de ingevoerde beperking specificeren (door aan te geven tot wanneer de rechten van de artikelen 12 tot en met 22, 34 en 5 van de AVG worden beperkt (bijv. tot de afsluiting van een ongegrond onderzoek, tot het einde van een procedure));



27 https://www.edpb.europa.eu/system/files/2023-07/edpb_guidelines_202010_art23_adopted_afterpublicconsultation_fr.pdf 28 Volgens de toelichting: „(…), is het beperken van de bovengenoemde rechten essentieel om (1) het Agentschap in staat te stellen bij te dragen aan de preventie van witwassen, terrorismefinanciering en belastingfraude, en (2) de preventie en opsporing van gevallen van witwassen of terrorismefinanciering, noch de onderzoeken ter zake in gevaar te brengen, en te voorkomen dat verzoeken om inlichtingen, analyses, onderzoeken of procedures van officiële of gerechtelijke aard, die voor deze doeleinden worden uitgevoerd, worden belemmerd.”

voorzien in waarborgen om misbruik te voorkomen29 (zoals: informatie over de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de Autoriteit, menselijke controle van de resultaten, hiërarchische controle, het bestaan van interne of externe audits, enz.); het recht van betrokkenen om geïnformeerd te worden over de beperking van de uitoefening van de door de AVG toegekende rechten30 te herstellen; de algemene uitzondering op de specifieke informatieplicht van artikel 34 van de AVG (melding aan de betrokkene van een schending van persoonsgegevens) schrappen, bij gebrek aan rechtvaardiging31 . De Autoriteit behoudt zich haar oordeel voor wat betreft deze herschrijving.

B. Artikelen 30, 35 en 38 van het voorontwerp betreffende de omzetting van de CRD

VI-richtlijn

44. Hoofdstuk III, afdeling 11 van het voorontwerp brengt wijzigingen aan in de wet van 25 oktober

правок: 1

2016 betreffende de toegang tot de activiteit van het verlenen van beleggingsdiensten en betreffende het statuut en het toezicht op portefeuillebeheerders en beleggingsadviseurs (hierna „wet van 25 oktober 2016” genoemd). De adviesaanvraag heeft betrekking op de onderstaande artikelen:

- Artikel 30 van het voorontwerp (art. 23 in het wetsontwerp van 25 oktober 2016) zet de CRD VI-richtlijn om en vermeldt dat het ontbreken van een strafrechtelijke veroordeling of lopende vervolging wegens een strafbaar feit op zich niet voldoende is om te voldoen aan de eis van betrouwbaarheid, eerlijkheid en integriteit.

Artikel 35 van het voorontwerp (artikel 25 in het wetsontwerp van 25 oktober 2016)

zet de CRD VI-richtlijn om en voorziet in het opstellen, het bijhouden en bijwerken van individuele overzichten waarin de rollen en functies van de leden van het directiecomité en van de andere personen die betrokken zijn bij het daadwerkelijke bestuur, alsook van de personen die sleutelposities bekleden, worden gespecificeerd, evenals een functiekarte, met gedetailleerde informatie over onder meer de hiërarchische structuur en de verdeling van verantwoordelijkheden.

Artikel 38 van het voorontwerp (artikel 35 in het wetsontwerp van 25 oktober 2016)

zet de CRD VI-richtlijn om. Het bepaalt onder meer de rol van de FSMA bij het vaststellen van de wijze waarop zij op de hoogte wordt gesteld van voorafgaande voorstellen tot benoeming van leden van het bestuursorgaan, evenals de verplichting om de informatie over de geschiktheid van de leden van het directiecomité van de  29 De betrokkene bevindt zich in een situatie van totale informatieasymmetrie, vandaar het belang van deze waarborgen. De verzoeker moet rekening houden met de risico’s voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen om passende waarborgen vast te stellen. 30 De betrokkene moet worden geïnformeerd dat zijn of haar rechten tijdelijk worden beperkt, temeer gezien het toenemende gebruik van voorspellende technieken en AI-instrumenten. Hij of zij moet de mogelijkheid hebben om een toetsing aan te vragen en een onjuiste beoordeling te betwisten, zelfs zonder over concrete onderdelen van het onderzoek te beschikken. ϯϭHet lijkt vanzelfsprekend dat een persoon, zelfs wanneer hij of zij van fraude wordt verdacht, op de hoogte moet worden gesteld als zijn of haar persoonlijke identificatiegegevens zijn uitgelekt (bijvoorbeeld zijn of haar nummer van het Rijksregister).

Advies 128/2026 -18/20  onder haar toezicht staande entiteiten actueel te houden en haar onverwijld alle elementen mee te delen die de bij de benoeming verstrekte informatie wijzigen en die van invloed kunnen zijn op de professionele betrouwbaarheid of de voor de functie vereiste deskundigheid

45. Artikel 30 van het voorontwerp (art. 23 in het wetsontwerp van 25 oktober 2016) zet artikel 91, lid 1, van de CRD VI-richtlijn32 letterlijk om door in de nationale wetgeving expliciet het beginsel vast te leggen dat dehet ontbreken van een strafrechtelijke veroordeling of van lopende vervolging wegens een strafbaar feit op zich niet volstaat om te voldoen aan de eis van betrouwbaarheid, eerlijkheid en integriteit van de bestuursorganen van financiële instellingen die onderworpen zijn aan de „Fit and Proper”-beoordeling. Volgens de toelichting „sluit dit beginsel aan bij de langdurige praktijk van de FSMA, die – net als de Nationale Bank van België bij kredietinstellingen en beursvennootschappen – over een ruime beoordelingsmarge beschikt om na te gaan of aan deze eis wordt voldaan, zelfs bij het ontbreken van strafrechtelijke veroordelingen of lopende vervolging wegens een strafbaar feit.“

правок: 1

46. Een dergelijke zeer ruime bepaling is problematisch omdat ze de deur openzet voor subjectieve, en mogelijk zelfs discriminerende beoordelingen, en niet voldoet aan de eisen van voorspelbaarheid. Het is dan ook absoluut noodzakelijk dat de wet van 25 oktober 2016 de categorieën gegevens (zoals bepaalde uittreksels uit het strafregister, diploma’s, beroepservaring, enz.) specificeert die in aanmerking mogen worden genomen bij de beoordeling van de betrouwbaarheid, eerlijkheid en integriteit van de bestuurders33 van portefeuillebeheer- en beleggingsadviesmaatschappijen. De Autoriteit heeft in verschillende adviezen gewezen op het belang om de essentiële elementen van de gegevensverwerking in het kader van de „Fit and Proper“-beoordelingen wettelijk te regelen34 .

правок: 1



32 Artikel 91 „Bestuursorgaan en beoordeling van de geschiktheid“ van de CRD VI-richtlijn: „Het is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de instellingen, financiële holdingmaatschappijen en gemengde financiële holdingmaatschappijen die een vergunning hebben verkregen overeenkomstig artikel 21 bis, lid 1 (hierna „entiteiten” genoemd), om ervoor te zorgen dat de leden van het bestuursorgaan te allen tijde over voldoende betrouwbaarheid beschikken, dat zij blijk geven van eerlijkheid, integriteit en onafhankelijkheid van geest, dat zij over voldoende kennis, vaardigheden en ervaring beschikken om hun taken uit te oefenen en dat zij voldoen aan de criteria en vereisten zoals uiteengezet in de leden 2 tot en met 6 van dit artikel, behalve wat betreft tijdelijke bestuurders die door de bevoegde autoriteiten zijn benoemd op grond van artikel 29, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU en speciale bestuurders die door de afwikkelingsautoriteiten zijn benoemd op grond van artikel 35, lid 1, van die richtlijn. Het ontbreken van een strafrechtelijke veroordeling of van een lopende strafrechtelijke vervolging wegens een strafbaar feit is op zich niet voldoende om te voldoen aan de eis van betrouwbaarheid, eerlijkheid en integriteit.” 33 Art. 23, § 1,eerste lid, leden 1 en 2 van de wet van 25 oktober 2016 betreffende de toegang tot de activiteit van het verlenen van beleggingsdiensten en betreffende het statuut en het toezicht op portefeuillebeheer- en beleggingsadviesmaatschappijen: „De leden van het bestuursorgaan van portefeuillebeheer- en beleggingsadviesmaatschappijen, de personen die belast zijn met het feitelijke bestuur, in voorkomend geval de leden van het directiecomité, alsook de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties zijn uitsluitend natuurlijke personen. De in lid 1 bedoelde personen moeten te allen tijde beschikken over de nodige professionele betrouwbaarheid en de voor de uitoefening van hun functie vereiste deskundigheid, en daar voldoende tijd aan besteden.” 34 Zie de GBA, Advies nr. 42 van 12 maart 2026: https://www.autoriteprotectiondonnees.be/publications/avis-n0-42-2026.pdf

47. De artikelen 35 en 38 geven geen aanleiding tot opmerkingen vanuit het oogpunt van gegevensbescherming.

правок: 1

C. Artikel 52 van het voorontwerp betreffende de AML-wet

48. Artikel 52 van het voorontwerp voorziet in een aanvulling van artikel 28, § 2, van de AML-wet met de volgende zin:

правок: 1

- „Bovendien mogen deze entiteiten het op geldige wijze verkregen identificatienummer uit het Rijksregister, onder meer overeenkomstig lid 1, ook gebruiken al e identificatiemiddel voor het vergelijken van gegevensbestanden waarover zij beschikken of die zij ontvangen, uitsluitend met het oog op de controle of deze bestanden betrekking hebben op dezelfde natuurlijke persoon, in het kader van hun verplichtingen inzake identificatie en identiteitscontrole overeenkomstig de artikelen 21 tot en met 23.”

49. Dit is een maatregel die de nauwkeurigheid van de gegevens en de resultaten kan verbeteren.

правок: 1

Er zij aan herinnerd dat de onderworpen entiteiten reeds gemachtigd zijn om het identificatienummer van het Rijksregister te gebruiken om de identiteit van klanten, hun gevolmachtigden en de uiteindelijk begunstigden die natuurlijke personen zijn te verifiëren, alsook om hun identificatiegegevens bij te werken.

OM DEZE REDENEN, Wijst de Autoriteit op:

• het belang van het onderling koppelen van de essentiële elementen van de verwerking van persoonsgegevens (overwegingen 14, 15, 22 en 46); • is van mening dat met betrekking tot de artikelen 27 en 28 van het voorontwerp het volgende moet worden gedaan:

o te verduidelijken of de nieuwe verplichtingen die aan de AFD worden opgelegd al dan niet identiek zijn aan die welke gelden voor entiteiten die onder de AML-wet vallen (overweging 12); o artikel 27 van het voorontwerp (art. 3, §3 van de ontwerp-AFD-wet) aan te vullen om duidelijk aan te geven welke taken de AFD in het kader van deze nieuwe opdracht zal uitoefenen en de juridische status van de AFD na de inwerkingtreding ervan te verduidelijken, met name door aan te geven of deze geheel of gedeeltelijk een entiteit zal worden die onder de AML-wet valt (overweging 12); o artikel 9/1, §1, 1° van het wetsontwerp te wijzigen om de verwijzing naar alle opdrachten van de AFD die in artikel 3 van de AFD-wet zijn opgenomen, te schrappen en alleen de opdrachten/taken te vermelden die daadwerkelijk de verwerking van persoonsgegevens vereisen (overweging 22); o artikel 9/1, § 1, 3° van het wetsontwerp te wijzigen om het concreet nagestreefde doel te verduidelijken (overweging 25);

Advies 128/2026 -20/20  o artikel 9/1, § 1, tweede alinea, van het wetsontwerp te herformuleren of zelfs te schrappen, overeenkomstig overweging 28; o artikel 9/1, § 3, van het wetsontwerp aan te vullen en de aanvullende toelichting uit het commentaar bij het artikel op te nemen overeenkomstig overweging 31; o artikel 9/1, § 4, van het ontwerpwijziging om een expliciete verwijzing op te nemen naar de taak van het voorkomen van witwassen, terrorismefinanciering en belastingfraude (overweging 35); o de toelichting bij artikel 28 (het ontwerp van artikel 9/1, § 4) aan te vullen overeenkomstig overweging 35; o de formulering „elke andere persoon die rechtmatig bevoegd is om deze gegevens van het Agentschap te ontvangen” verduidelijken overeenkomstig overweging 35; o artikel 9/1, § 5, in het ontwerp betreffende de beperking van de rechten van de betrokkenen te wijzigen overeenkomstig overweging 43; • wat betreft artikel 30 van het voorontwerp, dient:

o de categorieën persoonsgegevens te specificeren die worden gebruikt voor de beoordeling van de geschiktheid („Fit and Proper”) van de bestuurders van portefeuillebeheer- en beleggingsadviesmaatschappijen (overweging 46)

Voor de Autorisatie- en Adviesdienst, Alexandra Jaspar, Directeur

L’Autorité ne publie en français et en néerlandais que les avis concernant les projets ou propositions de textes de rang de loi émanant de l’Autorité fédérale, de la Région de Bruxelles-Capitale ou de la Commission Communautaire Commune. La « Version originale » est la version qui a été validée.

Avis n° 128/2026 du 22 juin 2026

Objet : Avant-projet de loi portant dispositions financières diverses - Agence fédérale de la Dette (CO-A-2026-102)

Mots-clés : Agence fédérale de la Dette - prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme - fraude fiscale - traitement du numéro d'identification du registre national comme moyen d'identification pour le croisement de fichiers de données - évaluation d'aptitude professionnelle (Fit &

Proper) - FSMA -directive CRD VI

Version originale

Vu la loi du 3 décembre 2017 portant création de l'Autorité de protection des données, en particulier ses articles 23 et 26 (ci-après « LCA ») ;

Vu le règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (ci-après « RGPD ») ;

Vu la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel (ci-après « LTD ») ;

Vu la demande d’avis de Monsieur Jan Jambon, Premier ministre et ministre des Finances et des

Pensions, chargé de la Loterie Nationale et des Institutions culturelles fédérales, (ci-après « le demandeur »), reçue le 13 avril 2026;

Vu les informations complémentaires transmises le 26 mai 2026:

Le Service d’Autorisation et d’Avis de l’Autorité de protection des données (ci-après « l’Autorité »), émet, le 22 juin 2026, l'avis suivant :

Avis 128/2026 - 2/20

I.

OBJET ET CONTEXTE DE LA DEMANDE D’AVIS

1. Le demandeur a sollicité, le 13 avril 2026, l’avis de l’Autorité concernant l’ avant-projet de loi mentionné dans le titre du présent avis (ci-après « l’avant-projet »).

правок: 1

2. L’avant-projet transpose partiellement plusieurs directives européennes :

правок: 1

la directive européenne 2024/1619 du 31 mai 2024, dite « directive CRD VI»1, la directive européenne 2024/2994 concernant le traitement du risque de concentration2 , la directive européenne 2019/2034 du 27 novembre 2019 concernant la surveillance prudentielle des entreprises d’investissement3 .

3. Ces transpositions partielles apportent des modifications aux lois belges suivantes :

правок: 1

la loi du 25 octobre 2016 relative à l'accès à l'activité de prestation de services d'investissement et au statut et au contrôle des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement; les modifications visent le contrôle «  Fit & Proper » exercé par l’Autorité des marchés financiers (FSMA) dans le cadre de sa surveillance des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement et le statut des sociétés de gestion de portefeuille et de conseils en investissement ; la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers ; des modifications sont notamment apportées aux dispositions en matière de secret professionnel de la FSMA et pour faciliter et moderniser la procédure d’échange d’informations confidentielles entre la FSMA et les autorités judiciaires. 4. De plus, l’avant-projet apporte des changements ou des ajustements à :

la loi du 25 octobre 2016 portant création de l’Agence fédérale de la Dette (ci-après

“AFD”) afin d’élargir les missions de celle-ci, en y intégrant la contribution à la prévention du blanchiment de capitaux, du financement du terrorisme et de la fraude fiscale ; la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces (ci-après « loi AML») afin de prévoir explicitement le traitement du numéro d'identification du registre national comme moyen d'identification pour le croisement de fichiers de données conformément à l'article 21 à 23 de la loi anti-blanchiment. la loi du 21 novembre 2017 relative aux infrastructures des marchés d'instruments

1 Directive (UE) 2024/1619 du Parlement européen et du Conseil du 31 mai 2024 modifiant la directive 2013/36/UE en ce qui concerne les pouvoirs de surveillance, les sanctions, les succursales de pays tiers et les risques environnementaux, sociaux et de gouvernance ; la directive 2013/36/UE est communément désigné comme la directive « CRD » Capital Requirements Directive 2 Directive (UE) 2024/2994 du Parlement européen et du Conseil du 27 novembre 2024 modifiant les directives 2009/65/CE, 2013/36/UE et (UE) 2019/2034 en ce qui concerne le traitement du risque de concentration découlant d’expositions sur des contreparties centrales et du risque de contrepartie des transactions sur instruments dérivés faisant l’objet d’une compensation centrale. 3 Directive (UE) 2019/2034 du Parlement européen et du Conseil du 27 novembre 2019 concernant la surveillance prudentielle des entreprises d’investissement et modifiant les directives 2002/87/CE, 2009/65/CE, 2011/61/UE, 2013/36/UE, 2014/59/UE et 2014/65/UE.

Avis 128/2026 - 3/20 financiers et portant transposition de la Directive 2014/65/UE4 afin de supprimer l’obligation pour les opérateurs de marché de faire approuver préalablement par la FSMA les modifications à leurs règles de marché. de nombreux autres textes normatifs5.

5. A l’occasion de l’introduction de sa demande d’avis, le demandeur a précisé les articles de l’avant-projet au sujet desquels l’avis de l’Autorité était demandé. Les dispositions concernées sont les suivantes :

правок: 1

articles 27 et 28 (chapitre III, section 10) qui modifient la loi du 25 octobre 2016 portant création de l'Agence fédérale de la Dette et suppression du Fonds des Rentes articles 30, 35 et 38 (Chapitre III, Section 11 ) qui modifient la loi du 25 octobre 2016 relative à l'accès à l'activité de prestation de services d'investissement et au statut et au contrôle des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement. article 52 ( Chapitre III, Section 12) qui modifient la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces

6. Le présent avis formule des commentaires sur les dispositions de l’avant-projet dans la mesure où elles appellent des remarques en matière de protection des données à caractère personnel, de légalité et de prévisibilité des normes.

правок: 1

II.

EXAMEN DU PROJET

A. Articles 27 et 28 de l’avant-projet relatifs à l’Agence fédérale de la Dette

4 Ce changement est fait « dans une optique de simplification règlementaire, afin de rapprocher la législation belge du régime légal et de la pratique applicables dans les autres juridictions où le groupe Euronext est actif. » : Voir, Exposé des motifs, commentaire de l’art. 53 de l’avant-projet. 5 Il s’agit généralement des ajustements : l’arrêté royal n° 71 du 30 novembre 1939 relatif au colportage des valeurs mobilières et au démarchage sur valeurs mobilières et sur marchandises et denrées (voir Chapitre III, Section 1 - Art. 4 de l’avant-projet ) ; la loi du 2 avril 1962 relative à la Société fédérale de Participations et d'Investissement et aux sociétés régionales d'investissement (voir Chapitre III, Section 2 - Art. 5 – 8 de l’avant-projet) ; la loi du 11 août 1987 relative à la garantie des ouvrages en métaux précieux (Chapitre III, Section 3 Art. 9 – 14 de l’avant-projet) la loi du 17 décembre 1998 créant un Fonds de protection des dépôts et des instruments financiers et réorganisant les systèmes de protection des dépôts et des instruments financiers (Chapitre III, Section 4 - Art. 15 de l’avant-projet) ; la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers (Chapitre III, Section 5- Art. 16 – 20 de l’avant-projet) ; la loi du 28 décembre 2011 relative au Fonds de résolution (Chapitre III, Section 6 - Art. 21 de l’avant-projet) ; la loi du 17 juillet 2013 relative à la protection contre le faux monnayage et au maintien de la qualité de la circulation fiduciaire (Chapitre III, Section 7 Art. 22 – 23 de l’avant-projet) ; la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances (Chapitre III, Section 8 - Art. 24 de l’avant-projet) ; la loi du 19 avril 2014 relative aux organismes de placement collectif et à leurs gestionnaires (Chapitre III, Section 9 Art. 25 – 26 de l’avant-projet) ; la loi du 21 novembre 2017 relative aux infrastructures des marchés d'instruments financiers et portant transposition de la Directive 2014/65/UE (Chapitre III, Section 13 - Art. 53 de l’avant-projet) ; la loi du 23 novembre 2023 relative au Fonds de garantie pour les services financiers (Chapitre III, Section 14 - Art. 54 – 55 de l’avant-projet).

Avis 128/2026 - 4/20

7. La Section 10 du Chapitre III de l’avant-projet apporte des modifications à la loi du 25 octobre

правок: 1

2016 portant création de l’Agence fédérale de la Dette et suppression6 du Fonds des Rentes (ciaprès « loi AFD ») et est organisée de la manière suivante:

- L’article 27 de l’avant-projet complète l’article 3 de la loi AFD et vise une extension des missions de l’AFD - L’article 28 de l’avant-projet insère un article 9/1 dans la loi AFD qui prévoit les éléments essentiels des traitements de données réalisés par l’AFD en vertu de cette loi7.

1. Extension des missions de l’AFD (art. 27 de l’avant-projet)

правок: 1

8. L’AFD a, à ce jour, deux missions : gérer la dette publique (art. 3, §1er de la loi AFD) et gérer des actifs financiers (art. 3 §2 de la loi AFD). L’article 27 de l’avant-projet (art. 3, §3 de la loi

правок: 1

AFD en projet) vise à attribuer une troisième mission à l’AFD, qui consiste à contribuer à la prévention du blanchiment de capitaux, du financement du terrorisme et de la fraude fiscale, toujours dans le contexte et les limites de ses deux autres missions. Il est rédigé comme suit :

- « § 3. Dans le cadre de sa mission, l'Agence contribue à la prévention du blanchiment de capitaux, du financement du terrorisme et de la fraude fiscale. ».

9. Le commentaire de l’article 27 de l’avant-projet fait apparaître que cette « modification législative vise à permettre à l’AFD de mener une politique plus proactive en matière de prévention du blanchiment d’argent, du financement du terrorisme et de la fraude fiscale, qui peut également inclure des contrôles préventifs. Pour rappel, l’Agence n’est pas une entité assujettie au sens de l’article 5 de la même loi.».

правок: 1

10. L’Autorité constate néanmoins que l’expression « contribuer à la prévention du blanchiment de capitaux, du financement du terrorisme et de la fraude fiscale » présente un tel degré de généralité qu’elle ne permet pas de comprendre si l’AFD doit respecter toute ou une partie des obligations imposées par la loi anti-blanchiment du 18 septembre 2017 (ci-après « loi AML »).

правок: 1

11. Interrogé sur le rôle concret de l’AFD et dans le cadre de cette nouvelle mission et notamment sur le fait de savoir si l’AFD doit respecter les obligations légales découlant de la loi AML, voire de la réglementation européenne MiFID, le demandeur a précisé que :

правок: 1

6 L'Agence fédérale de la Dette (AFD) est un organisme d’intérêt public de catégorie A. Elle est chargée depuis le 1er janvier 2017 de la gestion de la dette publique avec pour objectif principal de minimiser le coût financier de celle-ci en tenant compte des risques de marché et des risques opérationnels en ligne avec les objectifs généraux de la politique budgétaire et de la politique monétaire. Voir : https://www.debtagency.be/sites/default/files/content/download/files/brochure_particuliers.pdf. 7 Les éléments essentiels définis dans l’avant-projet sont: les finalités des traitements de données (art. 9/1 §1 en projet), le responsable du traitement (art. 9/1 §2 en projet) de ces traitements de données, les catégories de données à caractère personnel traitées (art. 9/1 §3 en projet), la durée de conservation de ces données (art. 9/1 §3 en projet), les destinataires de (certaines de) ces données ( art. 9/1 §4 en projet) et la limitation de (certains) droits conférés par le RGPD (art. 9/1 §5 en projet).

Avis 128/2026 - 5/20

- « L’AFD n’est pas soumise à la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme (ci-après « Loi anti-blanchiment»), alors que certaines de ses activités sont similaires aux activités des personnes soumises à la Loi anti-blanchiment. L’AFD émet notamment des bons d’État, qui sont souscrits directement par des particuliers auprès du service des Grands-Livres de l’AFD. L’objectif des articles en projet est de mieux encadrer la responsabilité de l’AFD et de screener ses contreparties au regard des listes de sanctions, des risques de blanchiment de capitaux, de financement du terrorisme et de fraude fiscale, et ainsi de contribuer à la prévention du contournement de sanctions, du blanchiment de capitaux, du financement du terrorisme et de la fraude fiscale. [souligné par l’Autorité] - Si l’AFD détecte des irrégularités (personne sur liste de sanctions, suspicion de blanchiment, de financement du terrorisme ou de fraude fiscale), elle refusera la transaction, gèlera les fonds (le cas échéant) et dénoncera le cas à la CTIF (sanctions, blanchiment, financement du terrorisme) ou à l’Administration générale de la Fiscalité (fraude fiscale), contribuant ainsi à la prévention du blanchiment de capitaux, du financement du terrorisme et de la fraude fiscale. ». - « L’AFD n’étant pas une entité assujettie, elle ne dispose pas à ce jour des compétences légales requises pour effectuer des contrôles «KYC»8. L’avant-projet de loi vise à attribuer cette compétence à l’AFD. Effectuer des contrôles « KYC » est un pilier essentiel dans la prévention du blanchiment de capitaux, du financement du terrorisme et de la fraude fiscale (voir les art. 19 à 36 de la Loi anti-blanchiment) ». - « L’AFD n’est pas non plus soumise à la règlementation MiFID.» 9.

12. Afin de renforcer la clarté du dispositif, il serait souhaitable de compléter le commentaire de l’article 27 de l’avant-projet par les éléments manquants, en renvoyant aux dispositions pertinentes de la loi AML. Il serait également opportun de:

правок: 1

préciser si les nouvelles obligations imposées à l’AFD sont ou non identiques à celles applicables aux entités assujettis à la loi AML ; et de compléter l’article 27 de l’avant-projet (art. 3, §3 de la loi AFD en projet) afin d’indiquer clairement les tâches que l’AFD exercera dans le cadre de cette nouvelle mission et de clarifier le statut juridique de l’AFD après l’entrée en vigueur de cette disposition, notamment en indiquant si celle-ci deviendra, totalement ou partiellement, une entité assujettie à la loi AML.

2. Eléments essentiels des traitements des données à caractère personnel (art. 28 de l’avant-projet) mis en œuvre dans le cadre de l’exercice de la nouvelle mission de l’AFD

правок: 1

8 KYC est l’abréviation utilisée pour “Know Your Customer” – une obligation légale imposée aux banques de vérifier l'identité de leurs clients et d’évaluer les risques de blanchiment d'argent ou de financement du terrorisme qu’ils présentent. Elle s'applique dès l'ouverture d'un compte (onboarding) et tout au long de la relation commerciale. 9 Selon les informations complémentaires fournies par le demandeur. Voir Markets in Financial Instruments Directive (MiFID), art. 2.1 h) : « La présente directive ne s’applique pas: aux membres du SEBC [système européen de banques centrales], aux autres organismes nationaux à vocation similaire dans l’Union, aux autres organismes publics chargés de la gestion de la dette publique ou intervenant dans cette gestion dans l’Union (…) ».

Avis 128/2026 - 6/20 a) Remarques préliminaires

13. Rappel des principes de légalité et de prévisibilité. Conformément aux principes de prévisibilité et de légalité10, la norme qui fonde le traitement de données à caractère personnel doit avoir certaines qualités: elle doit être du rang de loi (loi, décret ou ordonnance) et elle doit fixer de manière prévisible les éléments essentiels du traitement11 pour qu’à sa lecture les personnes concernées puissent entrevoir clairement les traitements qui sont faits de leurs données. Ceci n’implique pas nécessairement qu’ils doivent toujours être énumérés en tant que tels. Le contenu du projet normatif et son contexte sont déterminants en la matière: la lecture du dispositif du texte normatif doit permettre la délimitation sans ambiguïté des éléments essentiels de chaque traitement de données envisagé.

правок: 1

14. Dans ce contexte, l’Autorité formule les remarques préalables suivantes :

правок: 1

- Les principes de légalité et de prévisibilité exigent une articulation claire entre les différents éléments essentiels d’un traitement de données.

- L’énumération simple des éléments essentiels d’un traitement de données dans un projet normatif (par exemple sous forme de listes incluses dans un chapitre ou un article dédié à la protection des données) est problématique si ces éléments ne sont pas logiquement articulés (donc reliés) entre eux. De tels chapitres «fourre-tout» peuvent donner à tort l'impression que le responsable du traitement pourrait légitimement traiter l'ensemble des données énumérées pour chacune des finalités visées.

L’article 28 de l’avant-projet (article 9/1 en projet) pose précisément ce problème. Il énumère, l’un après l’autre, les éléments essentiels des traitements de données qui pourront être effectués par l’AFD sans que ces éléments essentiels ne soient reliés entre eux, laissant ainsi croire que toutes les données énumérées peuvent être utilisées pour toutes les finalités.

15. L’avant-projet sera donc fondamentalement revu et contiendra une articulation des éléments essentiels de chaque traitement de données entre eux, conformément à la brochure relative à la pratique d’avis du SAA et des observations particulières suivantes12.

правок: 1

10 Ces principes sont consacrés par les articles 8 de la CEDH et 22 de la Constitution.

11 Les éléments suivants constituent en principe, des éléments essentiels : (1°) les catégories de données traitées; (2°)

les catégories de personnes concernées; (3°) la/les finalité(s) poursuivie(s) par le(s) traitement(s) de données; (4°) la/les catégorie(s) de tiers ayant accès aux données et (5°) le délai maximal de conservation des données. L’Autorité de protection des données ajoute l’identification du responsable du traitement, surtout concernant des traitements de données dans lesquels plusieurs organisations interviennent. 12A titre d’illustration, en respectant la liberté rédactionnelle des auteurs, les éléments essentiels pourraient être liés ainsi: [telles catégories de données à caractère personnel] relatives à [telles personnes concernées] seront traitées par [le responsable du traitement] pour [décrire les finalités/ tâches à accomplir qui nécessitent de traiter ces données] ; ces données seront conservées [pendant un maximum de X années] à compter de [insérer le point de départ de la durée de conservation], délai qui se justifie par [insérer la justification de ce délai – par exemple, le délai endéans lequel une décision peut être contestée] ; ces données seront partagées avec [insérer les destinataires/ tiers] pour/aux fins de [insérer les circonstances dans lesquelles et les raisons

Avis 128/2026 - 7/20 b) Finalités prévues par l’avant-projet (art. 28 de l’avant-projet / art. 9/1 §1 en projet)

16. L’article 28, alinéa 2 de l’avant-projet (article 9/1 §1 en projet) dispose que l’AFD traite des données à caractère personnel aux fins suivantes:

правок: 1

- « 1° en vue d’accomplir les tâches visées à l’article 3 [de la loi AFD]13; - 2° en vue de respecter les dispositions contraignantes relatives aux embargos financiers telle que définie à l’article 4, 6°, de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces ; - 3° des personnes physiques avec lesquelles elle entretient ou envisage une relation d’affaire ou professionnelle. ».

17. Aux termes de l’article 3 de la loi AFD, cette agence « assure la gestion opérationnelle de la dette publique fédérale conformément aux directives générales données par le ministre. Cette gestion couvre tant les aspects financiers, économiques que juridiques de la dette ». A cette fin, l’article

правок: 1

3, § 1er de la loi AFD, liste une série de tâches accomplies par l’AFD.

18. Interrogé quant à la question de savoir dans quelle mesure chacune de ces missions requiert, dans le chef de l’AFD, l’accès à toutes les données à caractère personnel visées à l’article 9, §3 en projet (données d’identification et de contact, données financières), et invité à l’illustrer au moyen d’exemples concrets, le demandeur a fourni les réponses reprises dans le tableau cidessus :

правок: 1

La gestion opérationnelle de la dette publique fédérale et les tâches de l’AFD14

Informations complémentaires fournies par le demandeur lors de la mise en état du dossier

-« proposer au ministre des Finances la stratégie de financement et exécuter les opérations financières liées à l'émission de tout type d'emprunts selon les procédures d'émission appropriées à cet effet »;

« Toute opération financière a une contrepartie. Cette contrepartie doit pouvoir être screenée contre les listes de sanctions. Si la contrepartie est une personne physique (p. ex. pour un bon d’État), alors la contrepartie elle-même est screenée, et pour ce faire, il est nécessaire de disposer de ses données à caractère personnel. Si la contrepartie est une personne morale (p. ex. pour une OLO15), l’Agence effectue le screening de la personne morale elle-même, mais aussi de certaines personnes physiques qui sont liées à la personne morale : les UBO’s de la personne morale (= les actionnaires majoritaires, le CEO16, les hauts dirigeants, …), mais aussi les personnes physiques qui ont effectivement effectué la précises pour lesquelles elles seront communiquées à ces tiers et l’utilisation qu’ils en feront]. 13 Les parenthèses sont ajoutées par l’Autorité pour une meilleure lisibilité. 14 Voir Art. 3, § 1er de la loi AFD. 15 Obligations linéaires (OLO) - des emprunts émis en euro par l’État belge pour une durée déterminée (supérieure à 1 an) et donnant droit à un revenu annuel fixe (ou variable dans certains cas) appelé le coupon. 16 Chief Exécutive Officer (CEO).

Avis 128/2026 - 8/20 transaction (= les traders), ce qui nécessite le traitement de leurs données à caractère personnel. » - « intervenir sur le marché des produits dérivés »;

« Chaque transaction de produit dérivé (swap, repo, etc.) a une contrepartie » « enregistrer toutes les opérations financières liées à la gestion de la dette afin de déterminer la position de trésorerie journalière, de calculer les risques de crédit et de marché et d'établir des statistiques et des rapports »;

« Chaque opération financière a une contrepartie. Même remarque qu’au premier point. »

« proposer au ministre des Finances une stratégie pour la gestion de la dette tenant compte notamment de la structure du portefeuille de dette et de l'évaluation des risques de marché et de crédit »;

« Le risque que, par exemple, l’un des traders d’une contrepartie, avec lequel l’Agence traite, ait été condamné pour terrorisme, fait partie du « counterparty risk », qui fait à son tour partie des risques de marché. » « entretenir des contacts avec les acteurs du marché et les organismes nationaux et internationaux pour ce qui concerne la gestion de la dette »;

« Ces acteurs (ou les personnes physiques liées à ces acteurs) doivent pouvoir être screenés.»

« établir le budget de la dette publique et adapter la gestion de la dette au budget »;

« Pas d’exemple concret. »

« assurer la promotion du financement de la dette de l'Etat fédéral tant en Belgique qu'à l'étranger »;

« Lors de cette promotion, l’Agence rencontre les personnes physiques avec lesquelles elle traite. Ce sont souvent ces mêmes personnes physiques qui doivent être screenées lorsqu’elles effectuent des transactions, p. ex. souscrire à une OLO au nom et pour le compte de leur institution financière. » « développer de nouveaux produits financiers »;

« Pas d’exemple concret. »

« formuler au ministre des Finances toutes propositions à même de favoriser la gestion de la dette »;

« Pas d’exemple concret. »

« établir des rapports et fournir des informations à la demande du ministre des Finances ou des institutions supranationales »;

« Pas d’exemple concret. »

« diffuser des informations générales concernant la dette de l'Etat fédéral » ;

« Pas d’exemple concret. »

19. L’Autorité souligne d’abord que plusieurs tâches (missions) de l’AFD énumérées à l’article

правок: 1

3, §1er de la loi AFD ne requièrent pas le traitement des données à caractère personnel énumérées dans l’avant-projet. Sauf justification contraire, cela concerne:

l’établissement du budget de la dette publique et adapter la gestion de la dette au budget le développement de nouveaux produits financiers ; la formulation de propositions au ministre des Finances relatives à la gestion de la dette; l’établissement de rapports et la fourniture d’informations au ministre des Finances ou aux institutions supranationales ; la diffusion d’informations générales concernant la dette de l’État fédéral.

Avis 128/2026 - 9/20

20. Ensuite, l’Autorité ne peut adhérer entièrement à la réponse fournie par le demandeur pour justifier le traitement de données à caractère personnel dans le cadre de la mission consistant à

правок: 1

« assurer la promotion du financement de la dette de l'Etat fédéral tant en Belgique qu'à l'étranger ». Le demandeur a indiqué que: « l’Agence rencontre les personnes physiques avec lesquelles elle traite. Ce sont souvent ces mêmes personnes physiques qui doivent être screenées lorsqu’elles effectuent des transactions, p. ex. souscrire à une OLO17 au nom et pour le compte de leur institution financière » [souligné par l’Autorité]. Une telle justification est recevable lorsque les produits offerts par l’AFD sont souscrits directement par des particuliers auprès du service des Grands-Livres de l’AFD. Dans les autres cas, le traitement apparaît injustifié et disproportionné, sauf démonstration contraire.

21. Par ailleurs, l’Autorité n’est pas davantage convaincue par la justification apportée concernant la mission consistant à « proposer au ministre des Finances une stratégie pour la gestion de la dette, tenant compte notamment de la structure du portefeuille de dette et de l'évaluation des risques de marché et de crédit ». Le demandeur indique que : « le risque que, par exemple, l’un des traders d’une contrepartie, avec lequel l’Agence traite, ait été condamné pour terrorisme, fait partie du « counterparty risk », qui fait à son tour partie des risques de marché. ». L’Autorité en déduit que le traitement des données à caractère personnel peut se justifier pour la gestion des risques de marché et de crédit, mais non pas pour l’élaboration d’une stratégie pour la gestion de la dette en tant que telle.

правок: 1

22. Compte tenu de ce qui précède, l’Autorité invite le demandeur à :

правок: 1

amender l’article 9/1, §1, 1° en projet afin de supprimer la référence à l’ensemble des missions de l’AFD reprises à l’article 3 de la loi AFD et, à ne mentionner que les missions/tâches qui nécessitant effectivement un ou des traitement(s) de données à caractère personnel.

relier chaque mission ou finalité de traitement de données aux catégories de données à caractère personnel strictement nécessaires à son accomplissement, ainsi qu’aux personnes concernées. Pour illustration, proposer au ministre des Finances la stratégie de financement ou la stratégie pour la gestion de la dette ne nécessite pas le traitement de toutes les (catégories) de données à caractère personnel (numéro de registre national, copie de la carte d’identité, etc.).

23. Ensuite, l’Autorité fait remarquer que la formulation de la finalité prévue à article 9/1 §1,

правок: 1

3° en projet (« des personnes physiques avec lesquelles elle entretient ou envisage une

17 Une OLO (Obligation Linéaire / Lineaire Obligatie) est un instrument financier utilisé par l'État belge pour emprunter de l'argent sur le long terme.

Avis 128/2026 - 10/20 relation d’affaire ou professionnelle. ») est problématique pour plusieurs raisons. D’une part, cette formulation décrit une catégorie de personnes concernées et non une finalité. D’autre part,

« contacter des personnes » constitue un moyen et non une finalité en soi : on contacte des personnes pour atteindre un objectif déterminé.

24. Interrogé à ce sujet, le demandeur a déclaré ce qui suit :

правок: 1

- « Toutes les relations d’affaires ou professionnelles visées à l’art. 9/1, §1er, 3°, en projet sont en lien avec les missions visées à l’article 3 de la Loi du 25 octobre 2016 portant création de l’AFD (ci-après « loi AFD »). »

25. Compte tenu de ce qui précède, l’Autorité invite le demandeur à amender l’article 9/1

правок: 1

§1, 3° en projet (article 28, alinéa 2 de l’avant-projet) afin de préciser la finalité concrète poursuivie – par exemple, vérifier l'identité des personnes avec lesquelles l’AFD entretient ou envisage d’entretenir une relation d’affaires ou professionnelle dans le cadre des finalités prévues à l’article 9/1 §1, 1° en projet et évaluer les risques associés à cette relation d'affaires ou professionnelle.

c) Traitement ultérieur des données pour d’autres finalités

26. L’article 9/1, §1, alinéa 2, en projet (article 28 de l’avant-projet) prévoit que :

правок: 1

- « L’Agence peut traiter ultérieurement chaque donnée à caractère personnel qui a été collectée légitimement dans le cadre de l’exécution d’une de ses tâches, pour l’exécution de ses autres tâches. ».

27. Interrogé sur l’intention poursuivi par l’ajout de cet alinéa, le demandeur a indiqué que :

правок: 1

- « L’AFD a, à ce jour, deux tâches : (1) gérer la dette publique (art. 3, §1er Loi AFD) et (2) gérer les actifs financiers de Hedera (art. 3 §2 Loi AFD). Le projet de loi vise à attribuer une troisième tâche à l’AFD, qui consiste à contribuer à la prévention du blanchiment de capitaux, du financement du terrorisme et de la fraude fiscale, toujours dans le contexte et les limites de ses deux autres tâches (art. 3, §3, en projet, Loi AFD). - Quand l’AFD collecte des données à caractère personnel, elle les collecte soit dans le contexte de sa première tâche, soit dans le contexte de sa deuxième tâche. L’intention de cet alinéa est de permettre à l’AFD de combiner les données collectées dans le cadre de la première et de la deuxième tâche, afin de pouvoir accomplir la troisième tâche en projet. » - Voici un exemple concret. L’Agence n’émet pas uniquement des bons d’État. Elle émet aussi des EMTN (obligations en devises étrangères, par exemple USD), qui sont ensuite swapées de USD à EUR. Ce swap est un contrat, qui est conclu avec une contrepartie bancaire. Les contacts entre l’AFD et la contrepartie bancaire se font, en pratique, avec des personnes physiques, c’est-à-dire des traders qui travaillent pour la contrepartie. L’Agence conclut aussi des contrats « repo », également avec des contreparties bancaires. - Dans l’hypothèse où l’Agence découvre qu’un de ces traders avec lequel l’Agence a conclu / souhaite conclure des contrats « repo » pour la gestion des actifs financiers d’Hedera (art.

Avis 128/2026 - 11/20

3 §2 Loi BDA18, = deuxième tâche) est sanctionné pour terrorisme, alors elle doit, conformément aux attentes en termes de la prévention du blanchiment de capitaux, du financement du terrorisme ou de la fraude fiscale, pouvoir mettre fin à la relation avec cette contrepartie, non seulement pour l’art. 3 §2 (gestion des actifs d’Hedera), mais aussi pour l’art. 3 §1 (gestion de la dette publique), ce qui nécessite le traitement de données à caractère personnel de ces traders (=personnes physiques) avant et durant la relation d’affaires. Il faut savoir que ce sont souvent les mêmes contreparties pour les deux activités. - Il est plus difficile de donner un exemple pour les particuliers qui souscrivent aux bons d’État, vu qu’ils sont uniquement concernés par la première tâche (l’art. 3 §1 Loi BDA gestion de la dette publique). Il pourrait par contre être possible que le trader du précédent exemple, ait dans le contexte de la gestion de ses finances privées, souscrit à un bon d’État. ».

28. L’Autorité se doit , dans ce contexte, de formuler les remarques suivantes:

правок: 1

- Cette disposition est surprenante. D’une part, l’avant‑projet ne distingue pas les données traitées en fonction de chaque finalité (voir supra, considérant n° 14), de sorte que la version actuelle du texte laisse entendre que toutes les données visées à l’article

28 de l’avant-projet (article 9/1, §3 en projet) pourraient être utilisées pour toutes les finalités. D’autre part, l’alinéa, tel qu’il est rédigé, ne reflète pas les explications complémentaires fournies. Au vu de celles‑ci, l’Autorité comprend que les données à caractère personnel collectées légitimement dans le cadre des missions de gestion de la dette19 et de gestion des actifs financiers20 seront réutilisées pour permettre à l’AFD d’exécuter sa mission de prévention du blanchiment de capitaux, du financement du terrorisme et de la fraude fiscale21.

- Si telle est bien l’intention de l’auteur du projet, elle peut être atteinte soit en reformulant cet alinéa, soit en reliant correctement chaque catégorie de données à la finalité correspondante et en supprimant cet alinéa. Il convient également de veiller à utiliser le mot « mission» à la place du mot « tâche» si cet alinéa est gardé et reformulé à la lumière de ce qui précède.

- Cet alinéa en projet ne peut, en aucun cas, permettre à l’AFD d’utiliser des données à caractère personnel pour une finalité qui ne serait pas explicitement prévue et autorisée par une norme de rang de loi.

- Les informations complémentaires fournies lors de la mise en état devraient figurer dans le commentaire de l’article, y compris l’exemple.

d) Catégories de données à caractère personnel prévues par le projet

29. L’article 28 de l’avant-projet (article 9/1, §3 en projet) dispose que :

правок: 1

18 Loi AFD. 19 Art 3, §1er de la loi AFD. 20 Art 3, § 2 de la loi AFD. 21 Mission qui sera introduite, à terme, par le présent avant-projet soumis pour avis (Art. 3 §3 en projet de la loi AFD) .

Avis 128/2026 - 12/20

- « Les données à caractère personnel suivantes sont traitées par l’Agence, pour les finalités visées au paragraphe 1er : - 1° des données d’identification et de contact : le nom, le prénom, la date de naissance, le lieu de naissance, la nationalité, le sexe, le numéro de registre national, l’adresse, le numéro de téléphone, l’adresse e-mail, la signature et la copie de la carte d'identité de personnes physiques ; - 2° des données financières : le numéro de compte bancaire, le nom du titulaire du compte et les transactions financières où l’Agence est contrepartie ou intermédiaire. » [souligné par l’Autorité]

30. Interrogé sur la différence éventuelle entre les données à caractère personnel collectées par l’AFD dans le cadre de l’émission des bons d’Etat en inscription nominative (lorsqu’un particulier passe un ordre de souscription aux bons d’État via le service « Grand Livre » de l’AFD) et celles relatives à l’émission de bons d’Etat dématérialisés (souscrits via une institution financière), le demandeur a indiqué que :

правок: 1

- « L’AFD collecte uniquement des données à caractère personnel lorsqu’un particulier passe un ordre de souscription via le service des Grands-Livres. Il s’agit, dans ce cas, d’un bon d’État en inscription nominative dans le registre ( = les Grands-Livres). - Lorsque le particulier passe un ordre de souscription via une institution financière (marché primaire), l’AFD ne collecte pas elle-même de données à caractère personnel. La collecte de données et le screening (sanctions, blanchiment, …) sont faits par l’institution financière, conformément à ses obligations prévues par la loi anti-blanchiment. Il s’agit, dans ces cas, d’un bon d’État dématérialisé, détenu sur un compte-titres auprès d’une institution financière. ». - « Lorsque des bons d’État en inscription nominative sont achetés/vendus sur le marché secondaire, le vendeur/acheteur doit contacter le service des Grands-Livres, afin d’adapter l’inscription nominative. Dans ces cas, l’AFD traite des données à caractère personnel (ce qui se fait de façon manuelle). - Lorsque des bons d’État dématérialisés sont achetés/vendus sur le marché secondaire, alors l’AFD ne collecte pas de données à caractère personnel, vu que ces achats/ventes sont gérés par les institutions financières. »

31. L’Autorité comprend que l’AFD traitera également les données relatives aux éléments de soupçon et à l’analyse interne (par exemple, les rapports d’examen renforcé ou les notes d’analyse justifiant le caractère anormal d’une opération), ainsi que les données liées aux déclarations (telles que les informations transmises à la CTIF ou aux autorités fiscales).

правок: 1

L’Autorité invite le demandeur à compléter l’article 9/1, §3 en projet en conséquence et à intégrer les explications complémentaires fournies dans le commentaire de l’article.

e) Accès aux données – Catégories de destinataires

32. S’agissant de l’accès donné à des tiers à certaines des données à caractère personnel précitées, l’article 28 de l’avant-projet (article 9/1, § 4, en projet) prévoit que :

правок: 1

Avis 128/2026 - 13/20

- « L’Agence peut, pour les finalités visées au paragraphe 1er, échanger des informations avec: les services du SPF Finances, d’autres services publics fédéraux (y compris le SPF Justice dans le cadre d’enquêtes et de procédures judiciaires), les services administratifs de l’État, la FSMA, la Banque Nationale, l'opérateur des comptes 679, la Cellule de Traitement des Informations Financière, les entités soumises à la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces, et chaque autre personne qui est légitimement habilitée à recevoir ces données de la part de l’Agence. ».

33. L’Autorité constate que le périmètre de cet article couvre toutes les finalités des traitements, alors que la mise en état du dossier fait ressortir que les échanges de données concernent la mission de l’AFD relative à la prévention du blanchiment de capitaux, du financement du terrorisme et de la fraude fiscale, toujours dans le contexte et les limites de ses deux autres missions (gérer la dette publique, gérer les actifs financiers)22. Le texte ne permet pas au lecteur d’identifier les catégories de données transmises, ni les finalités précises associées à cette transmission (les raisons pour lesquelles ces données leur sont transmises).

правок: 1

34. Interrogé sur les modalités de transmission des données à ces tiers, le demandeur a précisé que :

правок: 1

- « L’AFD appliquera, dans la mesure du possible, les mêmes modalités pour le partage des informations, que les entités assujetties à la Loi anti-blanchiment appliquent, lorsqu’elles partagent des informations avec la CTIF et les autorités de contrôle. - Par exemple, les cas suspects de blanchiment de capitaux ou de financement du terrorisme doivent être dénoncés à la CTIF par le biais de leur plateforme « GoAML ». - Par exemple, les autorités assujetties à la Loi anti-blanchiment répondent aux demandes d’informations des autorités judiciaires (art. 4, 50° Loi anti-blanchiment : le ministère public au sein du SPF Justice, les juges d’instruction, la police au sein du SPF Intérieur, …) et des autorités de contrôle (administration de la Trésorerie au sein du SPF Finances, NBB, FSMA, SPF Économie, SPF Intérieur, …) par l’intermédiaire de canaux sécurisés garantissant une totale confidentialité (voir l’art. 63 Loi anti-blanchiment). »

35. L’Autorité invite le demandeur à :

правок: 1

22 Selon les informations complémentaires reçues : « Les articles 47 et 56 de la Loi anti-blanchiment régissent le partage des informations entre (1) les entités assujetties à la Loi anti-blanchiment, (2) la CTIF, (3) les autorités de contrôle (art. 85 Loi antiblanchiment : le ministre des Finances, l’administration de la Trésorerie, la NBB, la FSMA, le SPF Économie, le SPF Intérieur (…)), dans le contexte de la lutte contre le blanchiment de capitaux et le financement du terrorisme. Ce partage d’informations est essentiel afin de pouvoir mener la lutte contre le blanchiment de capitaux et le financement du terrorisme de manière effective. Il faut savoir que jusqu’en 2016, l’AFD (qui était alors appelée « Fonds des Rentes ») faisait intégralement partie de l’administration de la Trésorerie. Vu que l’AFD n’est pas soumise à la Loi anti-blanchiment, elle n’est pas en mesure de contribuer à la prévention du blanchiment de capitaux, du financement du terrorisme et de la fraude fiscale, ni de partager des informations à cet égard. Le projet de loi vise à combler cette lacune. La finalité exacte, pour laquelle les informations seront échangées, le cas échéant, entre l’AFD et la CTIF, le SPF Finances, le SPF Justice, la BNB, la FSMA et les entités soumises à la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme, est la même finalité que celle visée aux articles 47 et 56 de la Loi anti-blanchiment, c’est-à-dire la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme. ».

Avis 128/2026 - 14/20 amender l’article 9/1, § 4, en projet afin d’insérer un renvoi explicite vers la mission de prévention du blanchiment de capitaux, du financement du terrorisme et de la fraude fiscale telle que prévue à l’article 3, §3, en projet de la loi AFD (art. 27 de l’avantprojet) ;

faire un renvoi dans le commentaire de l’article vers les dispositions législatives pertinentes organisant ces échanges afin d’assurer la prévisibilité requise d’une norme législative.

clarifier l’expression « chaque autre personne qui est légitimement habilitée à recevoir ces données de la part de l’Agence. ». Si l’auteur du projet vise une personne légalement habilitée à recevoir des données de la part de l’AFD, il convient de remplacer le mot « légitimement » par le mot « légalement ».

f) Limitation des droits des personnes concernées

36. L’article 28 de l’avant-projet (art. 9/1, §5, en projet) vise à mettre en application l’article 23 du RGPD et à limiter l’exercice des droits visés aux articles 12, 13, 15, 16, 19, 21, 22 et 34 du RGPD.

правок: 1

Il prévoit ainsi :

- «Outre les exceptions prévues aux articles 14, paragraphe 5, points c) et d), 17, paragraphe 3, point b), 18, paragraphe 2, et 20, paragraphe 3, du Règlement 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la Directive 95/46/CE, en vue de garantir les objectifs de l'article 23, paragraphe 1er, points d), e) et h), du règlement précité, l'exercice des droits visés aux articles 12 (transparence des informations et des communications et modalités de l'exercice des droits de la personne concernée), 13 (informations à fournir lorsque les données à caractère personnel sont collectées auprès de la personne concernée), 15 (droit d'accès), 16 (droit de rectification), 19 (obligation de notification en ce qui concerne la rectification ou l'effacement de données à caractère personnel ou la limitation du traitement), 21 (droit d'opposition) et 34 (communication à la personne concernée d'une violation de données à caractère personnel) de ce règlement est limité entièrement s'agissant des traitements de données à caractère personnel visées à l'article 4, 1), du même règlement, qui sont effectués, pour les finalités visées aux paragraphe 1er, par l’Agence en sa qualité de responsable du traitement exerçant une mission d'intérêt public.». 37. L’exposé des motifs précise que :

- « A l’instar des entités assujetties à la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces, limiter les droits précités est essentiel afin de (1) permettre à l’Agence de contribuer à la prévention du blanchiment de capitaux, du financement du terrorisme et de la fraude fiscale, et (2) de ne pas compromettre la prévention et la détection des cas de blanchiment de capitaux ou de financement du terrorisme ni les enquêtes en la matière, et d'éviter de faire obstacle aux demandes de renseignements, analyses, enquêtes ou procédures à caractère officiel ou judiciaire, menées à ces fins.» [souligne par l’Autorité].

Avis 128/2026 - 15/20

38. Interrogé quant à la limitation dans le temps de ces restrictions, le demandeur a fourni la réponse suivante :

правок: 1

- « L’art. 65 de la Loi anti-blanchiment ne contient pas de délai. Par analogie, l’art. 9/1,

§ 4, en projet, ne contient pas de délai non plus. [souligné par l’Autorité]

- Il convient cependant de mentionner que le délai de conservation mentionné à l’art. 9/1 §3, deuxième alinéa, en projet, est de « dix ans à dater de la fin de la relation d'affaires avec la contrepartie de l’Agence ou de l'opération effectuée à titre occasionnel ». Ceci afin d’aligner la durée de conservation des données avec le délai de prescription de l’action publique pour les délits de blanchiment de capitaux, de financement du terrorisme et de fraude fiscale. »

39. L’Autorité comprend que l’auteur de l’avant‑projet s’est largement inspiré de l’article 65 de la loi

правок: 1

AML. C’est précisément ce qui pose problème : ce modèle a déjà fait l’objet de critiques importantes, tant de la part de l’Autorité23 que du Conseil d’État24. Une telle limitation généralisée entraîne une opacité du traitement pour les personnes concernées et conduit, de facto, à une suppression globale des droits garantis par le RGPD.

40. Dans ce contexte, l’Autorité renvoie le demandeur aux analyses développées dans l’avis n°

правок: 1

42/2026 du 12 mars 202625 (voir les considérants n° 75 à 78), ainsi que dans l’avis n° 41/2018 du 23 mai 201826 (voir les considérants 12 à 16), lesquels portent tous deux sur des dispositions similaires à celles prévues l’article 9/1, §5, en projet, dans des textes relatifs au secteur financier.

41. Dans le cas présent, bien qu’il se réfère à une « limitation », l’article 9/1, §5, en projet instaure une suppression générale des droits prévus par le RGPD, pour l’ensemble des personnes concernées, pour tous les traitements de données effectués par l’AFD dans le cadre de ses trois missions : gestion de la dette, gestion opérationnelle d’actifs financiers et prévention du blanchiment de capitaux, du financement du terrorisme et de la fraude fiscale. Or, la limitation des droits RGPD d’une personne concernée doit demeurer une exception temporaire, nécessaire et proportionnée.

правок: 1

42. Il va de soi qu’une telle mesure serait totalement disproportionnée si elle visait des personnes ayant simplement souscrit des bons d’État et ne présentant aucun risque au regard de la législation relative à la prévention du blanchiment de capitaux, du financement du terrorisme ou de la fraude fiscale. Pourtant, dans sa rédaction actuelle, la disposition conduit précisément à ce

правок: 1

23Avis n° 17/2020 du 21 février 2020, pp. 8-10, https://www.autoriteprotectiondonnees.be/publications/avis-n-17-2020.pdf ; l’Autorité est souvent défavorable concernant des dispositions d’exceptions analogues portant sur les droits prévus par le RGPD : voir en ce sens Voir également l'avis n° 34/2018 du 11 avril 2018 (considérants 20 e.s.) ; l'avis n° 80/2018 du 5 septembre 2018 (considérant 15 e.s.) ;l'avis n° 84/2018 du 14 septembre 2018 (considérant 21 e.s.) et l'avis n° 06/2019 du 16 janvier 2019 (considérant 8 e.s.). 24 CE, Avis 63.470/2-4 donné le 7 juin 2018 sur un avant-projet devenu la loi du 30 juillet 2018 « portant des dispositions financières diverses », Doc. parl. Chambre, 2017-2018, n° 54-3172/1, pp. 356-366. 25 https://www.autoriteprotectiondonnees.be/publications/avis-n0-42-2026.pdf 26 https://www.autoriteprotectiondonnees.be/publications/avis-n-41-2018.pdf

Avis 128/2026 - 16/20 résultat. Quant à la nécessité de prévoir une « exception temporaire », il va également de soi que même lorsqu’une personne fait l’objet d’une enquête ou d’un soupçon en matière de blanchiment d’argent/ de financement du terrorisme ou de fraude fiscale, elle devrait, après un certain délai (par exemple après le classement de l’enquête, etc. ) pouvoir bénéficier des droits que le RGPD lui garantit. L'Autorité doit en conclure que l’article 9/1, §5, en projet ne passe pas le test de l'article 23.2 du RGPD. Des précisions et une reformulation s'imposent.

43. Pour éviter que cette disposition ne revienne à supprimer de manière générale l’exercice des droits et pour en garantir la proportionnalité, l’Autorité invite le demandeur à amender l’article 9/1, §5, en projet, à la lumière des Lignes directrices

правок: 1

10/2020 concernant les limitations au titre de l’article 23 du RGPD de l’EDPB27. A cette fin, il convient de :

ne pas reprendre l’ensemble des finalités prévues par l’article 9/1, §1 en projet, mais de viser les finalités pertinentes, à savoir, selon l’exposé des motifs, la prévention et la détection des cas de blanchiment de capitaux ou de financement du terrorisme (donc, si telle est réellement l’intention du demandeur, il faut viser l’art. 3 § 3 en projet de la loi AFD)28 ; définir précisément les catégories de données concernées par la limitation ( à cette fin, le demandeur pourrait faire une distinction entre les données communicables (par exemple, les données d’identification et de contact, les données financières générales, telles que le nombre de bons d’État achetés, etc.) et les données non communicables (par exemple, les indicateurs concrets de blanchiment ayant motivé une déclaration de soupçon à la CTIF, les données transmises à la CTIF, etc.) ; préciser la durée de la limitation introduite (en indiquant jusqu’à quand les droits des articles 12 à 22, 34 et 5 du RGPD sont restreints (ex. jusqu’à la clôture d’une enquête infondée, jusqu’à la fin d’une procédure) ; prévoir les garanties destinées à prévenir les abus29 (telles que : l’information sur la possibilité d’introduire une plainte auprès de l’Autorité, le contrôle humain des résultats, le contrôle hiérarchique, l’existence d’audit interne ou externe, etc.) ; rétablir le droit des personnes concernées d'être informées de la limitation de l’exercice des droits conférés par le RGPD30;

27 https://www.edpb.europa.eu/system/files/2023-07/edpb_guidelines_202010_art23_adopted_afterpublicconsultation_fr.pdf 28 Selon l’exposé des motifs : « (…), limiter les droits précités est essentiel afin de (1) permettre à l’Agence de contribuer à la prévention du blanchiment de capitaux, du financement du terrorisme et de la fraude fiscale, et (2) de ne pas compromettre la prévention et la détection des cas de blanchiment de capitaux ou de financement du terrorisme ni les enquêtes en la matière, et d'éviter de faire obstacle aux demandes de renseignements, analyses, enquêtes ou procédures à caractère officiel ou judiciaire, menées à ces fins. ». 29 La personne concernée se trouve dans une situation d’asymétrie d’information totale, d’où l’importance de ces garanties. Le demandeur doit prendre en compte les risques pour les droits et libertés des personnes concernées afin d’adopter les garanties appropriées. 30 La personne concernée doit être informée que ses droits sont temporairement limités, d’autant plus au regard de l’usage croissant de techniques prédictives et d’outils d’IA. Elle doit pouvoir demander un contrôle, contester une évaluation erronée, même sans être en possession des éléments concrets de l’enquête.

Avis 128/2026 - 17/20 supprimer, à défaut de justification, l’exception générale à l'obligation particulière d'information de l'article 34 du RGPD (communication à la personne concernée d'une violation de données à caractère personnel)31. L’Autorité réserve son analyse quant à ce travail de réécriture.

B. Articles 30, 35 et 38 de l’avant-projet concernant la transposition de la directive

CRD VI

44. Le Chapitre III, Section 11 de l’avant-projet apporte des modifications à la loi du 25 octobre

правок: 1

2016 relative à l'accès à l'activité de prestation de services d'investissement et au statut et au contrôle des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement (ci-après « loi du 25 octobre 2016 »). La demande d’avis porte sur les articles ci-dessous :

- L’article 30 de l’avant-projet (art. 23 en projet de la loi du 25 octobre 2016) transpose la directive CRD VI et mentionne que l'absence de condamnation pénale ou de poursuites en cours pour une infraction pénale n'est pas en soi suffisante pour satisfaire à l'exigence d'honorabilité, d'honnêteté et d'intégrité.

- L’article 35 de l’avant-projet (article 25 en projet de la loi du 25 octobre 2016) transpose la directive CRD VI et prévoit l’établissement, la conservation et la mise à jour de relevés individuels précisant les rôles et les fonctions des membres du comité de direction et des autres personnes participant à la direction effective et des titulaires de postes clés ainsi qu'une cartographie des fonctions, incluant des informations détaillées notamment sur la structure hiérarchique et sur le partage des responsabilités.

- L’article 38 de l’avant-projet (article 35 en projet de la loi du 25 octobre 2016) transpose la directive CRD VI. Il prévoit, entre autres, le rôle de la FSMA dans la détermination des modalités selon lesquelles elle est informée des propositions préalables de nomination des membres de l’organe d’administration, ainsi que l’obligation de maintenir à jour les informations sur l’aptitude des membres du comité de direction des entités soumises à son contrôle et de lui communiquer sans délai tout élément modifiant les informations fournies lors de la nomination et susceptible d’affecter l'honorabilité professionnelle ou l'expertise requise pour la fonction

45. L’Article 30 de l’avant-projet (art. 23 en projet de la loi du 25 octobre 2016) transpose littéralement l’article 91, paragraphe 1er de la directive CRD VI32 en prévoyant explicitement

правок: 1

31 Il semble de l’ordre de l’évidence que même soupçonnée de fraude, une personne doit être informée si ses données personnelles d’identification ont fuité (par exemple son numéro de registre national). 32 Art 91 « Organe de direction et évaluation de l’aptitude » de la directive CRD VI : « Il incombe au premier chef aux établissements, aux compagnies financières holding et aux compagnies financières holding mixtes qui ont obtenu une approbation conformément à l’article 21 bis, paragraphe 1 (ci-après dénommés “entités”), de veiller à ce que les membres de l’organe de Avis 128/2026 - 18/20 dans la législation nationale le principe selon lequel l'absence de condamnation pénale ou de poursuites en cours pour une infraction pénale n'est pas en soi suffisante pour satisfaire à l'exigence d'honorabilité, d'honnêteté et d'intégrité des organes de direction des établissements financiers soumis à l’évaluation de l’aptitude et de l’honorabilité (« Fit and Proper »). Selon l’exposé des motifs, ce principe « correspond à la pratique de longue date de la FSMA qui dispose, au même titre que la Banque nationale de Belgique dans les établissements de crédit et dans les sociétés de bourse, d’une large marge d’appréciation pour évaluer le respect de cette exigence, et ce même en l’absence de condamnations pénales ou de poursuites en cours pour une infraction pénale. ».

46. Une telle disposition très large est problématique car elle ouvre la porte à des appréciations subjectives, voire potentiellement discriminatoires et ne respecte pas les exigences de prévisibilité. Il est dès lors indispensable que la loi du 25 octobre 2016 précise les catégories de données (comme certains extraits du casier judiciaire, les diplômes, l’expérience professionnelle, etc.), qui pourront être prises en compte pour évaluer l’honorabilité, l’honnêteté et l’intégrité des dirigeants33 des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement. L’Autorité a rappelé dans plusieurs avis l’importance d’encadrer dans la loi les éléments essentiels des traitements des données réalisés dans le cadre des évaluations « Fit and Proper »34.

правок: 1

47. Les articles 35 et 38 n’appellent pas d’observation du point de vue de la protection des données.

правок: 1

C. Article 52 de l’avant-projet relatif à la loi AML

48. L’article 52 de l’avant-projet prévoit de compléter l’article 28, § 2, de la loi AML par la phrase suivante :

правок: 1

- « En outre, ces entités peuvent également traiter le numéro d’identification du Registre national valablement obtenu, en ce compris conformément au paragraphe 1er, comme direction disposent à tout moment d’une honorabilité suffisante, à ce qu’ils fassent preuve d’une honnêteté, d’une intégrité et d’une indépendance d’esprit, à ce qu’ils aient suffisamment de connaissances, de compétences et d’expérience pour exercer leurs fonctions et à ce qu’ils remplissent les critères et exigences énoncés aux paragraphes 2 à 6 du présent article, sauf en ce qui concerne les administrateurs temporaires nommés par les autorités compétentes au titre de l’article 29, paragraphe 1, de la directive 2014/59/UE et les administrateurs spéciaux nommés par les autorités de résolution en vertu de l’article 35, paragraphe 1, de ladite directive. L’absence de condamnation pénale ou de poursuites en cours pour une infraction pénale n’est pas en soi suffisante pour satisfaire à l’exigence d’honorabilité, d’honnêteté et d’intégrité. » 33 Art 23, §1er, alinéas 1 et 2 de la loi du 25 octobre 2016 relative à l'accès à l'activité de prestation de services d'investissement et au statut et au contrôle des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement : « Les membres de l'organe d'administration des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement, les personnes chargées de la direction effective, le cas échéant les membres du comité de direction, ainsi que les responsables des fonctions de contrôle indépendantes sont exclusivement des personnes physiques. Les personnes visées à l'alinéa 1er doivent disposer en permanence de l'honorabilité professionnelle nécessaire et de l'expertise adéquate à l'exercice de leur fonction, et y consacrer un temps suffisant ». 34 Voir APD, Avis n° 42 du 12 mars 2026 : https://www.autoriteprotectiondonnees.be/publications/avis-n0-42-2026.pdf

Avis 128/2026 - 19/20 moyen d’identification pour le croisement de fichiers de données dont elles disposent ou qu’elles reçoivent, exclusivement dans le but de vérifier si ces fichiers se rapportent à la même personne physique, dans le cadre de leurs obligations d’identification et de vérification de l’identité conformément aux articles 21 à 23.».

49. Il s’agit d’une mesure susceptible d’améliorer l’exactitude des données et des résultats. Il convient de rappeler que les entités assujetties sont déjà autorisées à utiliser le numéro d’identification du Registre national pour vérifier l’identité des clients, de leurs mandataires et des bénéficiaires effectifs personnes physiques, ainsi que pour mettre à jour leurs données d’identification.

правок: 1

PAR CES MOTIFS, L’AUTORITÉ rappelle

• l’importance de relier les éléments essentiels des traitements de données à caractère personnel entre eux (considérants 14,15, 22,46) ; • estime que concernant les articles 27 et 28 de l’avant-projet, il y a lieu de :

o préciser si les nouvelles obligations imposées à l’AFD sont ou non identiques à celles applicables aux entités assujetties à la loi AML (considérant 12) ; o compléter l’article 27 de l’avant-projet (art. 3, §3 de la loi AFD en projet) afin d’indiquer clairement les tâches que l’AFD exercera dans le cadre de cette nouvelle mission et clarifier le statut juridique de l’AFD après son entrée en en vigueur, notamment en indiquant si celle-ci deviendra, totalement ou partiellement, une entité assujettie à la loi AML (considérant 12) ; o amender l’article 9/1, §1, 1° en projet afin de supprimer la référence à l’ensemble des missions de l’AFD reprises à l’article 3 de la loi AFD et à ne mentionner que les missions/tâches qui nécessitant effectivement un traitement de données à caractère personnel (considérant 22) ; o amender l’article 9/1 §1, 3° en projet afin de préciser la finalité concrète poursuivie (considérant 25) ; o reformuler, voire supprimer l’article 9/1, §1er, alinéa 2, en projet conformément au considérant 28 ; o compléter l’article 9/1, §3, en projet et intégrer les explications complémentaires fournies dans le commentaire de l’article conformément au considérant 31 ; o amender l’article 9/1, § 4, en projet afin d’insérer un renvoi explicite vers la mission de prévention du blanchiment de capitaux, du financement du terrorisme et de la fraude fiscale (considérant 35) ; o compléter le commentaire de l’article 28 (l’article 9/1, § 4, en projet) conformément au considérant 35 ; o clarifier l’expression « chaque autre personne qui est légitimement habilitée à recevoir ces données de la part de l’Agence. » conformément au considérant 35 ; o amender l’article 9/1,§5, en projet relatif à la limitation des droits des personnes concernées conformément au considérant 43 ;

Avis 128/2026 - 20/20

• concernant l’article 30 de l’avant-projet, il convient de :

o préciser les catégories de données à caractère personnel utilisées pour l’évaluation de l’aptitude (« Fit and Proper ») des dirigeants des sociétés de gestion de portefeuille et de conseil en investissement (considérant 46)

Pour le Service d’Autorisation et d’Avis, Alexandra Jaspar, Directrice

Centrale drukkerij - Imprimerie centrale