RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/168999-25 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 21 juli 2026 in de strafzaak van: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats] , ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] in [plaats] , (hierna: de verdachte). 1 Zitting De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 25 juni 2026. Het onderzoek is (enkelvoudig) gesloten op 21 juli 2026. Op de zitting waren aanwezig: de verdachte; de advocaat van de verdachte: mr. D.C. Vlielander (hierna: de advocaat); de officier van justitie: mr. R.E. Craenen; de advocaat van de benadeelde partij [aangever] : mr. S. Vermeulen, die waarneemt voor mr. L. van Gaalen-Van Beuzekom. 2 Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat: feit 1: op 29 mei 2025 in Utrecht samen met anderen cryptovaluta ter waarde van ongeveer 30.000 dollar heeft afgeperst van [aangever] ; feit 2: op 29 mei 2025 in Utrecht samen met anderen heeft geprobeerd om cryptovaluta ter waarde van € 100.000,- af te persen van [aangever] ; De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis. 3 Bewijs 3.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte samen met anderen feit 1 en feit 2 heeft gepleegd. Ten aanzien van feit 1 vindt de officier van justitie dat de verdachte gedeeltelijk vrijgesproken moet worden van het vierde gedachtestreepje van de beschuldiging (het dreigen met een pistool), omdat daarvoor onvoldoende bewijs in het dossier zit. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3. 3.2. Standpunt van de verdediging De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte volledig vrij te spreken van de feiten 1 en 2. De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3. 3.3. Oordeel van de rechtbank 3.3.1 Inleiding De rechtbank stelt op basis van het dossier en wat er tijdens de zitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast, die op de zitting ook niet ter discussie hebben gestaan. Op 29 mei 2025 ging [aangever] (hierna: aangever) bowlen in Utrecht samen met [A] (hierna: [A] ) en de medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ). Toen zij rond 23:23 uur klaar waren en naar hun auto liepen, werd aangever plots door drie personen benaderd: de verdachte, medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en medeverdachte [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ). Op camerabeelden is te zien dat aangever wordt aangesproken door de verdachte, waarna de verdachte met aangever wegloopt in de richting van een afgelegen steeg op het bedrijventerrein naast de bowling. Niet veel later voegt ook [medeverdachte 2] zich bij hen. Met zijn drieën lopen zij steeds verder de steeg in. Ondertussen blijft [medeverdachte 3] staan bij [A] en [medeverdachte 1] , die nog bij de auto op de parkeerplaats staan. Na ongeveer 25 minuten loopt [medeverdachte 3] naar de verdachte en [medeverdachte 2] , waarna [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] [A] en [medeverdachte 1] ophalen en naar aangever en de verdachte lopen. Rond 23:56 uur vertrekken de verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] gezamenlijk en een paar minuten later vertrekken ook aangever en zijn gezelschap. Diezelfde nacht belt aangever de politie en start onderzoek 31STRIKE25. Vaststaat dat de verdachte deze avond contact heeft gehad met aangever en dat aangever ten tijde van dat contact cryptovaluta ter waarde van ongeveer 30.000 dollar heeft overgemaakt ten behoeve van de verdachte. Volgens aangever was dit onder dwang en bedreiging gebeurd zoals in de beschuldiging nader is omschreven (bijlage I), en is daarna door bedreiging geprobeerd om hem nog veel meer cryptovaluta over te laten maken. Volgens de verdachte klopt dat niet. Er zou een vrijwillige transactie hebben plaatsgevonden die vooraf was afgesproken. De verdachte zou ongeveer 30.000 euro contant geld met aangever hebben omgewisseld voor cryptovaluta zonder dat er sprake was van dwang of bedreiging met geweld. Hij zou aangever daarna ook niet hebben bedreigd voor (nog) meer geld. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of op 29 mei 2025 sprake is geweest van een (poging tot) afpersing van aangever of dat het hier gaat om een vrijwillige geldwisselafspraak. Als sprake is van (poging tot) afpersing moet daarna de vraag beantwoord worden of er sprake is van medeplegen. 3.3.2. Bewijsmiddelen feiten 1 en 2 De rechtbank oordeelt dat bewezen is dat de verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan afpersing van [aangever] (feit 1) en aan een poging tot afpersing van [aangever] (feit 2). De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan. De rechtbank legt hieronder uit waarom zij tot dit oordeel komt en gaat daarbij in op de verweren van de verdediging, voor zover die niet al worden weerlegd door de bewijsmiddelen. 3.3.3. Bewijsoverwegingen Ten aanzien van feit 1: afpersing of vrijwillige transactie? Aangever heeft meerdere verklaringen afgelegd over de (poging tot) afpersing, waarvan de eerste verklaring (de aangifte) nog diezelfde nacht is afgelegd. In dat kader stelt de rechtbank vast dat aangever uitgebreid en consistent heeft verklaard over wat er is gebeurd op 29 mei 2025, over de betrokken personen en over hun rol. Aangever kende de verdachte en zijn medeverdachten niet, met uitzondering van [medeverdachte 1] , met wie aangever bevriend was. Er is niet gebleken dat aangever een reden had om hen onterecht te beschuldigen van een ernstig misdrijf. De kern van zijn verklaring wordt daarnaast ondersteund door de bewijsmiddelen, zodat – anders dan door de advocaat is aangevoerd – de verklaring van aangever niet op zichzelf staat. Zo bevestigen onder andere de camerabeelden de door aangever geschetste gang van zaken, blijkt uit financieel onderzoek dat aangever daadwerkelijk een grote hoeveelheid cryptovaluta heeft overgemaakt en wordt er op de telefoon van de verdachte een afbeelding van een briefje aangetroffen met persoonlijke informatie over (familieleden van) aangever. Dit is precies de informatie waarvan aangever zegt dat deze gebruikt is om hem die avond af te persen. Gelet hierop heeft de rechtbank geen reden om aan de verklaringen van aangever te twijfelen. Zij vindt deze dan ook betrouwbaar. Het door de verdediging geschetste alternatieve scenario, dat er volgens afspraak en vrijwillig cash werd omgezet in crypto, vindt de rechtbank ongeloofwaardig. Als het een normale afspraak was, valt niet te begrijpen waarom aangever ’s avonds laat anderhalf uur werd opgewacht tot hij klaar was met bowlen en waarom hij werd afgezonderd van zijn gezelschap om in een afgelegen steeg allerlei cryptotransacties uit te voeren. Diezelfde nacht heeft aangever de politie gebeld om aangifte te doen van afpersing. Daar komt bij dat de verklaring van de verdachte wordt weerlegd door de bewijsmiddelen, het alternatieve scenario op geen enkele wijze is onderbouwd en de verklaring van de verdachte ook geen steun vindt in het dossier. Zo zijn er bijvoorbeeld geen gesprekken aangetroffen die wijzen op een vooraf gemaakte afspraak en is nergens uit gebleken dat de verdachte die avond een grote hoeveelheid contant geld bij zich had en heeft overhandigd aan aangever. Het dossier bevat tot slot juist contra-indicaties voor het scenario van de verdachte. Zo wordt bijvoorbeeld in de telefoon van de verdachte een chatgesprek aangetroffen tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] waarin een dag na de afpersing gesproken wordt over het ‘cashen’ van een deel van de cryptovaluta. Daarbij wordt het adres genoemd van een van de wallets waar de overgemaakte crypto van aangever op is gestort. Het omwisselen van cryptovaluta naar cash past niet bij de verklaring van aangever waarin hij de avond daarvoor de cash juist zou hebben omgeruild in cryptovaluta. Daarnaast vraagt de verdachte een dag na de afpersing in een chatgesprek aan ene [accountnaam 1] of niemand kan zien dat die munten zijn ‘geskoept’ ( de rechtbank begrijpt: straattaal voor ‘gestolen’) , gevolgd door het adres van een van de wallets waar de overgemaakte crypto van aangever op is gestort. De hele gang van zaken wijkt bovendien qua setting en werkwijze sterk af van een vrijwillige cash-crypto transactie zoals aangever wel eens deed en die ook wordt beschreven in het dossier. De rechtbank schuift de verklaring van de verdachte dan ook terzijde en komt op basis van de bewijsmiddelen tot een bewezenverklaring van feit 1 (de afpersing). Met de verdediging en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat de verdachte tijdens de afpersing aangever met een pistool heeft bedreigd. De rechtbank zal de verdachte daarom van dat deel van de beschuldiging vrijspreken. Ten aanzien van feit 2: bewezenverklaring poging tot afpersing De rechtbank vindt ook bewezen dat de verdachte (na de voltooide afpersing onder feit 1) heeft geprobeerd om nog meer cryptovaluta van aangever af te persen. Omdat aangever uiteindelijk geen aanvullende cryptovaluta heeft overgemaakt maar de politie heeft gebeld, is het bij een poging tot afpersing gebleven. Aangever heeft verklaard dat de verdachte, nadat hij onder druk een hoeveelheid cryptovaluta had overgemaakt, had gezegd dat dit niet genoeg was en hij nog voor een bedrag van minimaal € 100.000,- aan cryptovaluta wilde. Aangever kreeg een uur de tijd om dat te regelen. Deze verklaring vindt steun in de screenshots van een Telegram-gesprek met [accountnaam 2] , die op de telefoon van aangever zijn aangetroffen. In dit gesprek wordt vlak na de afpersing druk uitgeoefend op aangever om nog meer cryptovaluta over te maken. Het tijdsverloop dat blijkt uit de tijdsaanduiding bij de berichten, past bij de verklaring van aangever. De rechtbank verwerpt het verweer van de advocaat dat niet kan worden vastgesteld dat deze berichten door de verdachte zijn verstuurd. Uit de screenshots blijkt immers dat in hetzelfde Telegram-gesprek op 29 mei 2025 om 23.42 uur en 23.48 uur, en dus ten tijde van de onder feit 1 bewezen verklaarde afpersing, door [accountnaam 2] het walletadres is verzonden waarnaar aangever rond datzelfde tijdstip de cryptovaluta had overgemaakt. Aangever heeft verklaard dat het walletadres ter plekke naar hem werd verstuurd op Telegram vanuit de Trustwallet van de verdachte. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat zowel het wallet-adres als het account [accountnaam 2] aan de verdachte toebehoren en de berichten door de verdachte zijn verzonden. Medeplegen ten aanzien van feit 1 en feit 2 De rechtbank is van oordeel dat op basis van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend kan worden bewezen dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en medeverdachten bij de (poging tot) afpersing, waardoor sprake is van medeplegen. De verdachte en medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zijn samen met de auto vanuit Eindhoven naar Utrecht gereden, hebben aangever anderhalf uur opgewacht in de auto tot hij klaar was met bowlen, zijn samen op aangever afgelopen en zijn uiteindelijk samen weer weggereden. Ter plaatse was er sprake van een duidelijke onderlinge taakverdeling. De verdachten wisten, soms na alleen een handgebaar van een (mede)verdachte, wat zij moesten doen en waar zij moesten staan. Daaruit kan worden afgeleid dat er ook sprake was van een vooropgezet plan. De verdachte was degene die aangever aansprak, hem naar de steeg liet meelopen en de bedreigende uitlatingen deed. [medeverdachte 3] bleef ondertussen staan op de parkeerplaats bij [A] en [medeverdachte 1] (het gezelschap van aangever) en voorkwam dat zij hulp zouden kunnen inschakelen. Dat [medeverdachte 1] zelf ook verdachte is en dubbelspel speelde doet aan de intentie niet af. [medeverdachte 2] liep met aangever en de verdachte mee naar de steeg waar de afpersing plaatsvond en stond daar de hele tijd dicht bovenop. Wanneer de verdachte even wegliep, bleef [medeverdachte 2] dicht bij aangever staan, hield hij hem in de gaten en stond hij consequent tussen aangever en de ‘vluchtroute’ voor aangever (de route naar de parkeerplaats) in. Hoewel de verdachte de leidende rol had bij de (poging tot) afpersing, en alle handelingen die in de beschuldiging staan ook zien op gedragingen van de verdachte, hebben alle verdachten met hun gedragingen meer dan een significante bijdrage geleverd aan het vooropgezette plan om aangever af te persen. Zij hebben samen de dreigende situatie neergezet en in stand gehouden waaronder de (poging tot) afpersing kon plaatsvinden. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van de (poging tot) afpersing, concludeert de rechtbank dat de verdachte de feiten in nauwe en bewuste samenwerking met zijn medeverdachten heeft gepleegd. 3.4. Bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte: Feit 1 op 29 mei 2025 te Utrecht tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van cryptovaluta ter waarde van ongeveer 30.000 dollar, dat aan die [aangever] toebehoorde door - die [aangever] mee te laten lopen naar een steeg en een bedrijventerrein, - tegen [aangever] te zeggen: “ik moet je omleggen in de naam van je broer” en - aan die [aangever] blijk te geven van kennis over zijn privé-gegevens, zoals de namen en adresgegevens van die [aangever] en diens vriendin, en diens ouders en diens schoonouders en de adresgegevens van de vakantiewoning van die [aangever] in Mexico; - tegen die [aangever] te zeggen dat dat hij geld moest overmaken en de app Metamask en/of Telegram moest openen en (vervolgens) cryptovaluta moest overboeken; Feit 2 op 29 mei 2025 te Utrecht tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangever] te dwingen tot de afgifte van cryptovaluta ter waarde van ongeveer 100.000 euro, dat aan die [aangever] toebehoorde, - tegen die [aangever] heeft gezegd (nog) minimaal 100.000 euro te willen zien en dat die [aangever] een uur heeft om dit te regelen en - tegen die [aangever] heeft gezegd dat hij niet naar de politie mag gaan, er mensen bij zijn woning staan en dat hij wordt omgelegd als hij niet meewerkt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet. 4 Kwalificatie en strafbaarheid 4.1. Kwalificatie De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op: Feit 1: afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen; Feit 2: poging tot afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen. 4.2. Strafbaarheid feiten en verdachte De feiten en de verdachte zijn strafbaar. 5 Straf en maatregel 5.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, en verzoekt daarbij de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis. De officier van justitie eist daarnaast dat aan de verdachte een contactverbod als vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd voor de duur van vijf jaar, te vervangen door twee weken hechtenis voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet. De officier van justitie eist dat deze maatregel direct na de uitspraak ingaat (dadelijk uitvoerbaar is). 5.2. Standpunt van de verdediging De advocaat voert aan dat bij een bewezenverklaring de schorsing van de voorlopige hechtenis niet opgeheven moet worden, omdat er geen sprake is van recidivegevaar. Voor het overige voert de advocaat geen strafmaatverweer. 5.3. Oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee. Ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd De verdachte heeft zich samen met anderen op 29 mei 2025 schuldig gemaakt aan afpersing en een poging tot afpersing. De afpersing heeft ruim een half uur geduurd. De verdachte heeft aangever, die nietsvermoedend aan het bowlen was, samen met de medeverdachten opgewacht en mee laten lopen naar een afgelegen steeg op een bedrijventerrein. Daar heeft hij onder bedreiging met geweld aangever gedwongen tot afgifte van cryptovaluta. De bedreiging werd kracht bijgezet door onder andere persoonlijke gegevens over aangever en zijn familie te noemen, zoals namen en adressen. Ondertussen liep een van de medeverdachten steeds met de verdachte en aangever mee en bleef een andere medeverdachte bij het gezelschap van aangever staan bij de auto. Aangever heeft uit angst cryptovaluta ter waarde van ongeveer 30.000 dollar overgemaakt. Aangever moest daarvoor allerlei handelingen in zijn telefoon verrichten en op die manier zijn belagers actief meehelpen om zijn geld af te pakken. Daarna is onder bedreiging met geweld geprobeerd om aangever nog meer cryptovaluta ter waarde van € 100.000,- over te laten maken. Dat dit uiteindelijk niet gebeurd is, is niet aan de verdachte(n) te danken. De poging tot afpersing is gestopt doordat aangever, na aandringen van zijn naasten, zelf de politie heeft ingeschakeld. Dat was een moeilijke beslissing omdat het kon dat hij zichzelf en zijn naasten daarmee verder in gevaar bracht. Verdachten hebben aangever dus niet alleen veel geld afhandig gemaakt maar hem ook voor langere tijd onder grote psychische druk gezet. Uit de verklaringen van aangever en het verzoek tot schadevergoeding blijkt dat aangever doodsangsten heeft uitgestaan, zowel tijdens als na de afpersing. Hij was bang dat hem of zijn familieleden iets zou overkomen door alle privégegevens die bij de verdachten bekend waren. De verdachten zijn koel en berekenend te werk gegaan. Ze hebben alleen maar gedacht aan hun eigen voordeel en niet hoe dit voor aangever moet zijn geweest. De verdachte heeft tot op de zitting ontkend dat er sprake is geweest van (poging tot) afpersing. Dit terwijl uit het dossier naar voren komt dat de verdachte juist een leidende rol heeft gehad bij deze (poging tot) afpersing. De verdachte heeft dus geen openheid van zaken gegeven over wat zich heeft afgespeeld op 29 mei 2025 en heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte Uit het strafblad van de verdachte van 2 maart 2026 blijkt dat de verdachte meermalen is veroordeeld voor vermogensfeiten. De rechtbank neemt dit in strafverzwarende zin mee. Eerder opgelegde (langdurige) gevangenisstraffen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw soortgelijke strafbare feiten te plegen. Ook tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis in deze zaak is de verdachte opnieuw met politie en justitie in aanraking gekomen in verband met een verdenking van vermogensfeiten. In het reclasseringsadvies van 11 juni 2026 staat dat de verdachte een belast verleden kent waarbij hij op jonge leeftijd op zichzelf aangewezen was, een crimineel sociaal netwerk had en delicten pleegde. Daarbij was sprake van problematiek op verschillende leefgebieden waarbij zijn kwetsbaarheid op het gebied van zijn psychosociaal functioneren (onder andere psychosegevoeligheid) opvalt. Hoewel de verdachte in het verleden vaak in aanraking kwam met justitie, lijkt dit de laatste jaren verminderd te zijn. Na de laatste lange detentieperiode was er volgens de reclassering een verandering te zien ten opzichte van zijn pro criminele houding, die plaats maakte voor meer maatschappelijk geaccepteerde doelen. De verdachte zette zich in voor zijn behandel- en hulpverleningstrajecten en leek gemotiveerd voor gedragsverandering. Zijn jonge gezin leek hier voornamelijk de drijfveer voor. De reclassering schrijft verder dat er geen problemen op praktisch vlak zijn gesignaleerd bij de verdachte. Vanwege de proceshouding van de verdachte kan de reclassering geen inschatting maken van het recidiverisico en kan daarom ook niet inschatten of problemen op het gebied van psychosociaal functioneren mogelijk in verband staan met de gepleegde feiten. De reclassering adviseert gelet op dit alles dan ook een straf zonder bijzondere voorwaarden of interventie. Strafkader Bij de aard en ernst van deze feiten en het strafblad van de verdachte past een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank gekeken naar opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Dat de (poging tot) afpersing samen met anderen is gepleegd en de hoogte van het bedrag dat is afgeperst, en is geprobeerd af te persen, weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee. De leidende rol die de verdachte in het geheel heeft gehad, is ook reden om aan hem een zwaardere straf op te leggen dan aan zijn medeverdachten. Deze leidende rol speelde niet alleen ten aanzien van de uitvoering van de feiten, maar ook in de voorbereiding daarvan. De rechtbank ziet net als de reclassering in de proceshouding van de verdachte geen aanleiding voor een voorwaardelijk strafdeel met eventuele bijzondere voorwaarden. De verdachte heeft op zitting weliswaar aangegeven behoefte te hebben aan psychische hulp, maar doordat de verdachte geen openheid van zaken heeft gegeven kan niet vastgesteld worden of en in hoeverre psychische problematiek in verband staat met de gepleegde feiten. Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte, zoals geëist door de officier van justitie, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest. De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend. Vrijheidsbeperkende maatregel (38v Sr) De rechtbank ziet daarnaast aanleiding om aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen in de zin van artikel 38v Sr. De rechtbank zal voor het voorkomen van strafbare feiten bevelen dat de verdachte: - op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met [aangever] . De rechtbank legt deze vrijheidsbeperkende maatregel op voor de duur van 5 jaar. Gedurende die periode zal hier per overtreding 14 dagen hechtenis tegenover staan met een maximum van zes maanden. Gelet op de aard van de feiten en de ontkennende houding van de verdachte, moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte zich belastend zal gedragen tegenover [aangever] . Daarom zal de rechtbank bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is. De voorlopige hechtenis De verdachte heeft in deze strafzaak 108 dagen in voorlopige hechtenis doorgebracht. Deze voorlopige hechtenis is met ingang van 16 september 2025 onder voorwaarden door de rechtbank geschorst voor onbepaalde tijd. De rechtbank legt aan de verdachte een straf op die langer is dan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Dit betekent dat verdachte terug moet naar de gevangenis. Bij de beoordeling of de schorsing van zijn voorlopige hechtenis in dit geval moet worden opgeheven, zoals verzocht door de officier van justitie, moet de rechtbank de belangen van de samenleving en de verdachte afwegen en nagaan of deze opheffing geboden is. De enkele omstandigheid dat bij een veroordelend vonnis een gevangenisstraf is opgelegd van langere duur dan de al ondergane voorlopige hechtenis, is geen zelfstandige grond voor opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis. De rechtbank neemt als uitgangspunt dat een verdachte zijn proces in vrijheid mag afwachten, ook als hij in hoger beroep zou gaan. De rechtbank ziet op dit moment, gelet op de persoon van verdachte, geen aanleiding hiervan af te wijken. Hoewel de verdachte ten tijde van de schorsing in aanraking is gekomen met politie en justitie, namelijk in verband met een verdenking van ladingdiefstallen, is de rechtbank van oordeel dat het recidiverisico voldoende kan worden ondervangen met het huidige schorsingskader en de schorsingsvoorwaarden die die daarbij horen. De rechtbank wijst daarom de vordering van de officier van justitie tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis af, zodat de huidige schorsing (en schorsingskader) blijft doorlopen. 6 In beslag genomen voorwerpen 6.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de in beslag genomen munitie moet worden onttrokken aan het verkeer. 6.2. Standpunt van de verdediging De advocaat refereert zich met betrekking tot het beslag aan het oordeel van de rechtbank. 6.3. Oordeel van de rechtbank Onttrekken aan het verkeer De rechtbank zal de in beslag genomen voorwerpen, te weten twee stuks munitie, onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. 7 Vordering benadeelde partij 7.1. Vordering van de benadeelde partij [aangever] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 37.500,- voor feit 1 en 2, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 32.500,- voor vergoeding van materiële schade (feit 1) en € 5.000,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld) van feit 1 en 2. De materiële schade bestaat uit de totale waarde van de overgeboekte cryptovaluta, waarbij de bedragen door de benadeelde partij naar beneden zijn afgerond. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. 7.2. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering in zijn geheel kan worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 7.3. Standpunt van de verdediging De advocaat verzoekt primair de vordering niet-ontvankelijk te verklaren vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair moet de materiele schade niet-ontvankelijk verklaard worden, omdat er geen nadeel is. De overgemaakte cryptovaluta op een wallet is bevroren en kan dus weer terug naar de aangever. Daarnaast moet de immateriële schade gematigd worden tot een bedrag van maximaal € 1.000,-. 7.4. Oordeel van de rechtbank Materiele schade De vordering tot vergoeding materiële schade van € 32.500,- is voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. Dit betreft namelijk de cryptovaluta die door de aangever onder dwang zijn overgemaakt. De cryptovaluta zijn uit de macht van aangever. Hij kan hier dus niet meer over beschikken. Teruggave is afhankelijk van de medewerking van derde partijen. Dat de wallets waar de cryptovaluta door de verdachten naartoe zijn overgeboekt zijn bevroren, doet hier niet aan af. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe. Immateriële schade Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon. In dit geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake van zo’n uitzonderlijke situatie, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade. Er was sprake van een planmatige afpersing door meerdere daders, waarbij aangever naar een afgelegen steeg op een afgelegen bedrijventerrein is meegenomen en waar hij onder dreiging met geweld werd gedwongen om cryptovaluta over te boeken. Bij de bedreiging werd gedetailleerde (kennis over) privé gegevens over hem en zijn naasten gedeeld, waaronder adresgegevens. Zowel tijdens als na de afpersing heeft aangever doodsangsten uitgestaan Aangever is hierdoor noodgedwongen verhuisd omdat hij zich niet langer veilig voelde in zijn eigen huis. Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding kijkt de rechtbank onder meer naar de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding. De rechtbank kijkt naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging. De benadeelde partij heeft aangevoerd dat aansluiting gezocht zou moeten worden bij categorie 19.1 a) (met een bandbreedte tussen € 3.000,- en € 8.000,-). De rechtbank gaat uit van categorie 19.1 b) ( tot een bedrag van € 3.000,-) nu niet is bewezen dat er een vuurwapen is gebruikt door de daders, de afpersing niet langer dan een half uur heeft geduurd en de benadeelde partij niet fysiek is aangepakt. De rechtbank ziet in genoemde omstandigheden aanleiding om dit bedrag naar beneden bij te stellen. Nu de aard en omvang van het geestelijk letsel niet nader is onderbouwd zal de rechtbank niet méér toewijzen dan het bedrag dat op basis van wat de benadeelde partij is overkomen in ieder geval billijk wordt geacht. Dat bedrag stelt de rechtbank naar billijkheid vast op € 1.500,-. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij voor het meer gevorderde niet-ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen. Wettelijke rente De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 29 mei 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. Proceskosten Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding grotendeels wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil. Schadevergoedingsmaatregel De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 34.000,- aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2025 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald. Gijzeling Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 171 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen. Hoofdelijkheid Omdat de verdachte de strafbare feiten waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij of aan de Staat te betalen. 8 Toegepaste wetsartikelen De opgelegde straf en maatregel en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de wetsartikelen 36b, 36d, 36f, 38v, 38w, 45, 47, 57 en 317 van het Wetboek van Strafrecht. 9 De beslissing De rechtbank: bewezenverklaring verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4. is omschreven; verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij; strafbaarheid feiten - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1. is vermeld; strafbaarheid verdachte - verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde; straf - veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden ; - bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; 38v-maatregel legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van vijf (5) jaar ; beveelt dat de verdachte  op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met [aangever] , geboren op [geboortedatum] 1998; beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van twee weken (14 dagen) voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden ; beveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is. beslag (feit 1 en feit 2) - verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer: 1 stuk munitie (G3548259); 1 stuk munitie (G3548182); vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [aangever] wijst de vordering van [aangever] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 34.000,-, bestaande uit € 32.500,- aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade; veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [aangever] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2025 tot de dag van volledige betaling; verklaart [aangever] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [aangever] aan de Staat € 34.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 171 dagen gijzeling; bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed. Dit vonnis is gewezen door mr. O. Böhmer, voorzitter, mr. C.S.K. Fung Fen Chung en mr. S.E. Garvelink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S.M. van Duinkerken als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026. Bijlage I: De tenlastelegging Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 29 mei 2025 te Utrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van cryptovaluta ter waarde van ongeveer 30.000 dollar, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever] en/of een derde toebehoorde(n) door - die [aangever] mee te laten lopen naar een steeg en/of een bedrijventerrein, - tegen [aangever] te zeggen: “ik moet je omleggen in de naam van je broer”, althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of - aan die [aangever] blijk te geven van kennis over zijn privé-gegevens, zoals de namen en/of adresgegevens van die [aangever] en/of diens vriendin, en/of diens ouders en/of diens schoonouders en/of de adresgegevens van de vakantiewoning van die [aangever] in Mexico; - een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd, althans het lichaam van die [aangever] te zetten en/of te richten en/of - tegen die [aangever] te zeggen dat dat hij geld moest overmaken en/of de app Metamask en/of Telegram moest openen en/of (vervolgens) cryptovaluta moest overboeken, Feit 2 hij op of omstreeks 29 mei 2025 te Utrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever] te dwingen tot de afgifte van cryptovaluta ter waarde van ongeveer 100.000 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever] en/of een derde toebehoorde(n), - tegen die [aangever] heeft gezegd (nog) minimaal 100.000 euro te willen zien en/of dat die [aangever] een uur heeft om dit te regelen en/of - tegen die [aangever] heeft gezegd dat hij niet naar de politie mag gaan, er mensen bij zijn woning staan en/of dat hij wordt omgelegd als hij niet meewerkt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Bijlage II: Bewijsmiddelen Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan. Een proces-verbaal van aangifte door [aangever] , voor zover inhoudende: Op 29 mei 2025 was ik in Utrecht met [medeverdachte 1] ( de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1] ) en [A] ( de rechtbank begrijpt: [A] ) om te bowlen. Toen ik om 23:22 uur naar de auto liep hoorde ik dat iemand mijn naam riep en zag ik drie personen. Ik hoorde dat NN1 ( de rechtbank begrijpt op basis van het dossier en de zitting: verdachte [verdachte] ) zei dat ik met hem mee moest lopen. Ik hoorde dat NN1 zei dat NN2 moest meelopen en NN3 bij mijn vrienden moest blijven staan. Ik zag dat NN2 meeliep met mij. Ik liep richting een steeg. Ik hoorde dat NN1 zei dat ik met hem dingen moest bespreken. Dit had te maken met mijn broer en dat dit [B] was. Ik liep samen met NN1 en NN2 het bedrijventerrein op. Ik hoorde dat NN1 zei: “ik moet je omleggen in de naam van je broer”. Ik hoorde dat NN1 zei dat hij heel veel informatie had over mijn privéleven: de namen, geboortedatums en adresgegevens van mijn ouders, voor- en achternaam van mijn vriendin, mijn adresgegevens in Nederland en de adresgegevens van mijn vakantiewoning in Mexico. Tijdens dit gesprek had hij een telefoon vast. Ik zag dat hij uit deze telefoon veel informatie aan het oplezen was. Gedurende dit gesprek liepen we steeds het bedrijventerrein op. NN1 en NN2 liepen gedurende deze tijd met mij mee. Ik hoorde dat NN1 zei dat hij geld wilde zien. Ik hoorde dat hij zei dat ik de app 'Metamask' moest openen. Ik zei tegen NN1 dat ik op het platform Telegram meer vermogen had dan dat ik had op de app Metamask. Ik startte de app Telegram op. Ik had op Telegram ongeveer voor 30.000 dollar aan waarde staan. Ik gaf mijn telefoon aan NN1. NNl moest adresgegevens hebben om het geld naar hem toe te sturen. Ik moest transacties opmaken en versturen naar de Trust wallet van NN1. NN1 had net Telegram aangemaakt. Ik hoorde dat NN1 zei dat dit niet genoeg was. Ik hoorde dat NN1 minimaal nog 100.000 euro wilde zien. Ik hoorde NN1 zeggen dat ik dit binnen een uur moest gaan regelen. Ik hoorde NN1 zeggen dat ik geen gekke dingen in me hoofd moest halen en dat ik geen politie moest bellen. Ik hoorde dat NN1 zei dat hij mensen bij mijn huis zou staan en dat hij mij zou omleggen als ik de politie erbij haal. Gedurende dit gesprek zei ik tegen NN2 dat als ik het geld zou overmaken dat zei mij alsnog om konden leggen. Ik hoorde NN2 zeggen dat ik gewoon moest doen wat ze vroegen. Ik hoorde dat NN2 zei dat als ik gewoon meewerkte dat mij niks zou overkomen. Ik hoorde dat NN1 tegen NN2 zei dat hij NN3 en [medeverdachte 1] en [A] moest halen. Ik hoorde dat NNl zei dat [medeverdachte 1] en [A] hun mobiele telefoons moest inleveren en dat NN1 NN2 en NN3 wegliepen met de telefoons. Ik ben na 5 minuten met [medeverdachte 1] en [A] naar onze voertuigen gelopen. Ik zag dat de telefoons van [medeverdachte 1] en [A] op [A] auto lagen. Een proces-verbaal van uitkijken van de camerabeelden, voor zover inhoudende: Naar aanleiding van de aangifte van [aangever] werden camerabeelden van de plaats delict gevorderd. Alle in dit proces-verbaal opgenomen beelden werden vastgelegd op 29 mei 2025. 23:23:35: ik zag dat drie personen het pand van [horeca gelegenheid] uit kwamen lopen. 23:23:30: ik zag dat [verdachte] uit zijn voertuig stapte en in een rechte lijn naar [aangever] liep. [aangever] loopt met [verdachte] mee. Terwijl [verdachte] loopt lijkt hij een handgebaar te maken in de richting van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] blijven bij [A] en [medeverdachte 1] staan. 23:24:40: ik zag dat [verdachte] een handgebaar maakte dat [aangever] tot meelopen aanzette. 23:25:45: ik zag dat [medeverdachte 2] een handgebaar maakte en dat [medeverdachte 3] vervolgens zijn kant op liep. Beiden liepen ze in de richting van [verdachte] en [aangever] . Tijdens het lopen zag ik dat [medeverdachte 2] zijn capuchon opzette. 23:25:37: Ik zag dat [medeverdachte 2] zich bij [aangever] en [verdachte] voegde. Ik zag dat [aangever] naar achteren bewoog terwijl [medeverdachte 2] en [verdachte] richting [aangever] liepen. Opmerking verbalisant: Ik merkte op dat, door de snelheid waarmee [medeverdachte 2] op [aangever] inliep, [aangever] niet veel keus leek te hebben dan mee te bewegen. 23:26:20: ik zag dat [medeverdachte 2] een gebaar maakte met zijn arm in de richting van [medeverdachte 3] . Hierna liep [medeverdachte 3] terug naar [A] en [medeverdachte 1] . 23:26:39: Ik zag dat [verdachte] , [aangever] en [medeverdachte 2] met zijn drieën liepen. 23:26:46: [aangever] stond in het midden tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] in. Duidelijk zichtbaar was dat [verdachte] en [medeverdachte 2] bijna tegen [aangever] aanstonden. 23:32:10: Ik zag dat [medeverdachte 2] , [verdachte] en [aangever] in beeld kwamen. Zichtbaar was dat [verdachte] in iedere hand één telefoon vasthield. Ik zag dat [aangever] ook een telefoon in zijn hand hield. 23:32:29: Ik zag dat [verdachte] wegliep en [aangever] bij [medeverdachte 2] stond. 23:41:55: Ik zag dat [verdachte] naast [aangever] stond. [aangever] had een telefoon in zijn hand. 23:42:20: Ik zag dat zowel [verdachte] als [medeverdachte 2] mee keken op de telefoon die [aangever] in zijn handen had. 23:42:53: [medeverdachte 2] ging bijna tegen [aangever] aanstaan. 23:50:59: Ik zag dat [verdachte] liep in de richting van [A] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] . 23:51:05: ik zag dat [verdachte] even bleef staan. Opmerking verbalisant: Mogelijk dat hij iets roept/zegt of een gebaar maakt. Want terwijl hij daar stond, zag ik op Ch2 dat [medeverdachte 3] begon te lopen in zijn richting. 23:51:56: Ik zag dat [verdachte] en [medeverdachte 3] in de richting van [aangever] en [medeverdachte 2] liepen. 23:52:43: Ik zag dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] beiden sychroon gebarende signalen maken met hun armen. Ook liepen ze in de richting van [A] en [medeverdachte 1] . 23:55:51: Ik zag dat [A] en [medeverdachte 1] naar [aangever] liepen. 23:56:02: Ik zag dat [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] naar [aangever] , [A] en [medeverdachte 1] toeliepen. 23:56:10: ik zag dat zowel [A] als [medeverdachte 1] iets aan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] gaven. 23:56:57: ik zag dat [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 2] naar het voertuig van [verdachte] liepen en iets op het dak van de auto van [A] leggen. 23:59:18: [aangever] , [A] en [medeverdachte 1] liepen richting hun voertuigen. Proces-verbaal van de transactie-hashes en adressen van de crypto overboekingen van de afpersing door aangever, voor zover inhoudende: Uit analyse van de transacties bleek dat er op 29 mei 2025 tussen 23:43 en 23:47 (UTC+2) in totaal 10,4 Ether, ter waarde van $27.505,44 USD, werd overgemaakt van vijf adressen naar het adres van de afperser: [adrescode 1] op de Ethereum-blockchain. Ook werd er op 29 mei 2025 tussen 23:49 uur en 23:50 uur (UTC+2) in totaal 17 Binance Coin (BNB), ter waarde van $11.540,25 (USD) overgemaakt naar het adres van de afperser: [adrescode 1] op de Binance Smart Chain blockchain. In totaal werd er op 29 mei 2025 tussen 23:43 uur en 23:50 uur (UTC+2) in acht transacties voor $39.045,69 (USD) aan crypto currency overgemaakt naar het adres [adrescode 1] . Een proces-verbaal van screenshots Telegram-chats op de telefoon van aangever, voor zover inhoudende: Tijdens de afpersing had de afperser het wallet-adres waarnaar hij de gelden moest overmaken per Telegram-bericht gestuurd. Van deze berichten maakte [aangever] screenshots. Ik werkte de berichten in de screenshots uit in tabel 1. Ik zag dat de tijdstippen van de berichten aansloten bij de verklaring van [aangever] . Ik zag het gedeelde wallet-adres overeenkwam met het wallet-adres dat gebruikt werd door de afperser. Ik zag dat [aangever] in zijn berichten alleen zei ermee bezig te zijn en dat [accountnaam 2] doorlopend druk uitoefende omdat er schijnbaar niets gebeurde. Datum en tijd Gebruiker Bericht 29 mei 2025 23:42 uur [accountnaam 2] [adrescode 1] 29 mei 2025 23:48 uur [accountnaam 2] [adrescode 1] 30 mei 2025 00:12 uur [accountnaam 2] Waar blijf die bro 30 mei 2025 00:17 uur [accountnaam 3] Ben er mee Bezig Stuur je solana wallet 30 mei 2025 00:20 uur [accountnaam 2] [adrescode 2] SNEL BRO 30 mei 2025 00:23 uur [accountnaam 3] Bro ik ben er mee bezig 30 mei 2025 00:23 uur [accountnaam 2] Tempo 30 mei 2025 00:27 uur [accountnaam 2] Bro Schiet op Ik zie niks 30 mei 2025 00:31 uur [accountnaam 2] Bro ik geef je letterlijk 3 min Je speelt kk spelletjes 30 mei 2025 00:33 uur [accountnaam 2] Bro je maakt grapjes Begin te sturem want ik zie niks 30 mei 2025 00:36 uur [accountnaam 2] Je moet echt beginnen nu 30 mei 2025 00:36 uur [accountnaam 3] Doe ik 30 mei 2025 00:36 uur [accountnaam 2] Nu Een proces-verbaal van onderzoek aan de telefoon van de verdachte, voor zover inhoudende: Ik trof op de iphone 12 mini, die bij [verdachte] werd aangetroffen tijdens zijn aanhouding, een afbeelding van een briefje aan en zag dat bovenaan het briefje de naam van aangever stond. Ik zag dat er op het briefje verschillende namen van familieleden van [aangever] stonden, namelijk: naam van de vader, broer, vader vriendin, broer vriendin, moeder vriendin, stiefzus vriendin en de naam van de vriendin van [aangever] . Ook zag ik dat het adres van de ouders van [aangever] , schoonouders van [aangever] en het woonadres van [aangever] op het briefje stonden. Een proces-verbaal van de verklaring van de verdachte bij de rechter-commissaris op 4 juni 2025, voor zover inhoudende: Bent u op 29 mei 2025 in Utrecht in de buurt van de bowlingbaan geweest die avond? Ja, zeker. Heeft u ook gesproken met meneer [aangever] ? Ja. Bedreigende situaties die gepaard gaan met diefstal (art. 312 Sr) en/of afpersing (art. 317 Sr). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2025177246, doorgenummerd pagina 1 tot en met 757. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Alle opgenomen bewijsmiddelen zijn zakelijk weergegeven. Pagina 52. Pagina 53. Pagina 54. Pagina 135. Pagina 143. Pagina 144. Pagina 144. Pagina 147. Pagina 148. Pagina 149. Pagina 150. Pagina 152. Pagina 153. Pagina 155. Pagina 156. Pagina 160. Pagina 161. Pagina 162. Pagina 166. Pagina 167. Pagina 296. Pagina 297. Pagina 208. Pagina 209. Pagina 240. Pagina 123.