{"check":null,"uid":"e492c364c6fdf80c","title":"ECLI:NL:RBNNE:2026:3462 Rechtbank Noord-Nederland , 11-08-2026 / LEE 26/2105 Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht","title_generated":false,"country":"Нидерланды","organ":"Суды Нидерландов (Rechtspraak)","kind":"case","kind_name":"Судебная практика","lang":"nl","date":"2026-08-17","summary":"Заявитель просил обеспечительную меру против муниципалитета Леувардена, который 8 мая 2026 года удовлетворил его запрос по ст. 15 GDPR лишь частично, отказав в сведениях о деловых связях. Судья оставил заявление без рассмотрения как явно неприемлемое и решил дело без заседания на основании ст. 8:83(3) Awb: пошлина 200 евро не уплачена, заказное письмо от 18 июля 2026 года с двухнедельным сроком адресат не забрал, оно вернулось отправителю, уважительных причин просрочки не приведено. Существо отказа в доступе не проверялось; обжалование определения не допускается.","snippet":"","topics":["Персональные данные"],"status":"ok","error":"","text_len":3863,"versions":1,"url":"https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:3462","first_seen":"2026-08-19","last_checked":"2026-09-17 01:55","relevance":"hit","score":6,"query":"","source_key":"rechtspraak","verdict":{"relevance":"hit","score":6,"topics":["Персональные данные"],"need_body":3,"authorities":[{"kind":"акт","name":"GDPR","topic":"Персональные данные"},{"kind":"акт","name":"algemene verordening gegevensbescherming","topic":"Персональные данные"}],"evidence":[{"topic":"Персональные данные","term":"gdpr","weak":false,"pos":242,"ctx":"отив муниципалитета леувардена, который 8 мая 2026 года удовлетворил его запрос по ст. 15 gdpr лишь частично, отказав в сведениях о деловых связях. судья оставил заявление без рассмотр","zone":"название","weight":3},{"topic":"Персональные данные","term":"GDPR","weak":false,"pos":242,"ctx":"отив муниципалитета Леувардена, который 8 мая 2026 года удовлетворил его запрос по ст. 15 GDPR лишь частично, отказав в сведениях о деловых связях. Судья оставил заявление без рассмотр","zone":"акт","weight":3},{"topic":"Персональные данные","term":"algemene verordening gegevensbescherming","weak":false,"pos":1683,"ctx":"26 een inzageverzoek ontvangen van verzoeker dat is gedaan op grond van artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming.  1.3.  Bij besluit van 8 mei 2026 ( [kenmerknummer ] ) heeft het college aan verzoeker m","zone":"акт","weight":0}],"dropped":[{"topic":"Персональные данные","term":"persoonsgegevens","weak":false,"pos":1234,"ctx":"t het het verzoek gedeeltelijk is toegekend. verzoeker krijgt inzage in een deel van zijn persoonsgegevens die zijn verwerkt. inzage in gegevens over zakelijke relaties is geweigerd.  beoordeling","why":"одиночное упоминание (нужно 3)"}]},"last_changed":"2026-08-19","meta":{"ecli":"ECLI:NL:RBNNE:2026:3462","instantie":"Rechtbank Noord-Nederland","zaaknummer":"LEE 26/2105","type":"Uitspraak","inhoudsindicatie":"In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Onder “kennelijk” wordt verstaan dat er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is."},"source_url":"https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:3462","text":"RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: LEE 26/2105\n\nuitspraak van de voorzieningenrechter van 11 augustus 2026 in de zaak tussen\n\n[verzoeker uit woonplaats] , verzoeker\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\n1.1.\n\nOmdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Onder “kennelijk” wordt verstaan dat er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is.\n\n1.2.\n\nHet college heeft op 10 februari 2026 een inzageverzoek ontvangen van verzoeker dat is gedaan op grond van artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming.\n\n1.3.\n\nBij besluit van 8 mei 2026 ( [kenmerknummer ] ) heeft het college aan verzoeker medegedeeld dat het het verzoek gedeeltelijk is toegekend. Verzoeker krijgt inzage in een deel van zijn persoonsgegevens die zijn verwerkt. Inzage in gegevens over zakelijke relaties is geweigerd.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nToetsingskader\n\n2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen.\nIn een zaak als deze is het griffierecht € 200,–. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.\n\nHeeft verzoeker het griffierecht betaald?\n\n3. De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 18 juli 2026 verzoeker in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL over de zending [nummer ] (www.tracktrace.nl) is gebleken dat de brief aangetekend is verzonden naar het volgende adres:\n\n[adres]\n\nDat adres komt overeen met het adres dat door verzoeker is vermeld in zijn brief van 30 juni 2026.\n\n3.1.\n\nVoorts blijkt uit de informatie van PostNL dat op 21 juli 2026 de bezorging niet is gelukt en dat de zending naar een PostNL-punt is gegaan. Daar lag de zending op dezelfde datum klaar voor afhaling. Op 5 augustus 2026 is de zending retour afzender gezonden, omdat die niet is opgehaald.\n\n4. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker het griffierecht niet heeft betaald.\n\nIs het niet-betalen van het griffierecht verontschuldigbaar?\n\n4.1.\n\nVerzoeker heeft geen reden gegeven voor het niet-betalen van het griffierecht. Er is dus niet gebleken dat het uitblijven van betaling verontschuldigbaar is.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.H. ter Beek, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n. Dit is geregeld in artikel 8:82 van de Awb in samenhang met artikel 8:41 van de Awb.","changes":[]}