{"check":null,"uid":"dbea7c44abee5df5","title":"ECLI:NL:RVS:2026:5516 Raad van State , 16-09-2026 / 202503029/1/A3 Bestuursrecht","title_generated":false,"country":"Нидерланды","organ":"Суды Нидерландов (Rechtspraak)","kind":"case","kind_name":"Судебная практика","lang":"nl","date":"2026-09-16","summary":"Совет государства подтвердил решение нижестоящего суда, оставив без удовлетворения апелляцию на отказ UWV предоставить доступ к отчётам медицинского обследования. Суд установил, что отчёты отсутствовали в электронном архиве, но полное медицинское досье было выдано позже. Апелляция была подана с нарушением срока (18 мая вместо 14 мая 2024), а причины — отпуск, путаница со смежной процедурой и проблемы со здоровьем — не признаны уважительными по ст. 6:11 Awb. В возмещении судебных издержек отказано.","snippet":"","topics":["Персональные данные"],"status":"ok","error":"","text_len":7589,"versions":1,"url":"https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARVS%3A2026%3A5516","first_seen":"2026-09-17","last_checked":"2026-09-17 01:54","relevance":"hit","score":6,"query":"","source_key":"rechtspraak","verdict":{"relevance":"hit","score":6,"topics":["Персональные данные"],"need_body":3,"authorities":[],"evidence":[{"topic":"Персональные данные","term":"persoonsgegevens","weak":false,"pos":174,"ctx":"besluit van 6 februari 2024 heeft het uwv het verzoek van [appellante] om inzage in haar persoonsgegevens afgewezen.op 22 oktober 2023 heeft [appellante] het uwv om inzage verzocht in haar persoo","zone":"название","weight":3},{"topic":"Персональные данные","term":"persoonsgegevens","weak":false,"pos":274,"ctx":"gevens afgewezen.op 22 oktober 2023 heeft [appellante] het uwv om inzage verzocht in haar persoonsgegevens. het uwv heeft op 6 februari 2024 het verzoek afgewezen omdat de door haar opgevraagde ra","zone":"название","weight":3}],"dropped":[{"topic":"Персональные данные","term":"persoonsgegevens","weak":false,"pos":484,"ctx":"besluit van 6 februari 2024 heeft het uwv het verzoek van [appellante] om inzage in haar persoonsgegevens afgewezen.  bij besluit van 2 april 2024 heeft het uwv het door [appellante] daartegen ge","why":"одиночное упоминание (нужно 3)"},{"topic":"Персональные данные","term":"persoonsgegevens","weak":false,"pos":1125,"ctx":"n  inleiding  1. op 22 oktober 2023 heeft [appellante] het uwv om inzage verzocht in haar persoonsgegevens. het uwv heeft op 6 februari 2024 het verzoek afgewezen omdat de door haar opgevraagde ra","why":"одиночное упоминание (нужно 3)"}]},"last_changed":"2026-09-17","meta":{"ecli":"ECLI:NL:RVS:2026:5516","instantie":"Raad van State","zaaknummer":"202503029/1/A3","type":"Uitspraak","inhoudsindicatie":"Bij besluit van 6 februari 2024 heeft het UWV het verzoek van [appellante] om inzage in haar persoonsgegevens afgewezen.Op 22 oktober 2023 heeft [appellante] het UWV om inzage verzocht in haar persoonsgegevens. Het UWV heeft op 6 februari 2024 het verzoek afgewezen omdat de door haar opgevraagde rapportage(s) van medisch onderzoek niet zijn aangetroffen in het elektronisch archief. In andere stukken die het UWV wel in zijn bezit heeft wordt er weliswaar gerefereerd aan die rapportages, maar deze zijn door het UWV niet in haar dossier aangetroffen. In het besluit op bezwaar heeft het UWV de afwijzing van het inzageverzoek gehandhaafd. Het UWV heeft in de bezwaarprocedure wel het volledige medische en niet-medische dossier van [appellante] aan haar verstrekt."},"source_url":"https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARVS%3A2026%3A5516","text":"202503029/1/A3.\n\nDatum uitspraak: 16 september 2026\n\nAFDELING\n\nBESTUURSRECHTSPRAAK\n\nUitspraak op het hoger beroep van:\n\n[appellante], wonend in [woonplaats],\n\nappellante,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 6 mei 2025 in zaak nr. 24/3252 in het geding tussen:\n\n[appellante]\n\nen\n\nde raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 6 februari 2024 heeft het UWV het verzoek van [appellante] om inzage in haar persoonsgegevens afgewezen.\n\nBij besluit van 2 april 2024 heeft het UWV het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.\n\nBij uitspraak van 6 mei 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.\n\nTegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.\n\nHet UWV heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.\n\n[appellante] heeft nadere stukken ingediend.\n\nDe Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 23 juni 2026, waar [appellante] is verschenen.\n\nOverwegingen\n\nInleiding\n\n1. Op 22 oktober 2023 heeft [appellante] het UWV om inzage verzocht in haar persoonsgegevens. Het UWV heeft op 6 februari 2024 het verzoek afgewezen omdat de door haar opgevraagde rapportage(s) van medisch onderzoek niet zijn aangetroffen in het elektronisch archief. In andere stukken die het UWV wel in zijn bezit heeft wordt er weliswaar gerefereerd aan die rapportages, maar deze zijn door het UWV niet in haar dossier aangetroffen. In het besluit op bezwaar heeft het UWV de afwijzing van het inzageverzoek gehandhaafd. Het UWV heeft in de bezwaarprocedure wel het volledige medische en niet-medische dossier van [appellante] aan haar verstrekt.\n\nRelevante wetgeving\n\n2. De relevante wetgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van de uitspraak.\n\nUitspraak van de rechtbank\n\n3. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellante] het beroep niet tijdig heeft ingediend. De termijn voor het indienen van het beroep is op 14 mei 2024 geëindigd en de rechtbank heeft het digitale beroepsschrift op 18 mei 2024 ontvangen. [appellante] heeft als redenen gegeven voor het te late indienen van dat beroepschrift dat zij op vakantie was en dat er sprake was van samenhang met een lopende verzetszaak. De rechtbank heeft geoordeeld dat dit geen goede redenen zijn om te oordelen dat het beroepschrift verontschuldigbaar te laat is ingediend. De rechtbank overweegt hierbij dat afwezigheid in verband met vakantie op zichzelf geen reden is om het beroepschrift verontschuldigbaar te laat in te dienen en dat [appellante] na terugkomst van haar vakantie nog ruim drie weken had om het beroep in te stellen. Dat sprake is van samenhang met de verzetszaak berust daarnaast volgens de rechtbank op een verkeerde voorstelling van zaken en is daarom evenmin een goede reden om het beroep te laat in te stellen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [appellante] dan ook geen omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan het niet tijdig indienen van het beroepschrift niet aan haar kan worden toegerekend. De rechtbank heeft het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaard.\n\nHoger beroep\n\n4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de niet tijdige indiening van haar beroepschrift niet verontschuldigbaar heeft geacht en aan haar heeft toegerekend. Zij was in de veronderstelling dat zij al beroep had ingesteld. Er liep namelijk nog een andere procedure bij de rechtbank over hetzelfde onderwerp, namelijk het niet leveren van medische gegevens. Ze stelt daarom dat zij in de veronderstelling was dat ze met het starten van die procedure, een verzetprocedure, ook beroep had ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 2 april 2024. De termijnoverschrijding is volgens haar dus niet veroorzaakt uit nalatigheid maar uit verwarring over de samenhangende procedures. [appellante] heeft daarnaast op zitting gesteld dat zij in de betreffende periode om beroep in te stellen kampte met medische klachten die invloed hadden op haar cognitief functioneren waardoor zij, in combinatie met de verwarring over de procedures, het beroep te laat heeft ingediend. Om voornoemde redenen is de termijnoverschrijding volgens [appellante] verschoonbaar.\n\n4.1. Een termijnoverschrijding is verschoonbaar als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dit staat in artikel 6:11 van de Awb. Ten eerste is daarvoor vereist dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Ten tweede is vereist dat het bezwaarschrift of beroepschrift zo spoedig mogelijk is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd. Een termijnoverschrijding kan niet aan de indiener worden toegerekend als er bijzondere omstandigheden zijn bij de indiener, of als de termijnoverschrijding is veroorzaakt door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan. Er kunnen ook andere redenen zijn waardoor de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Daarbij wordt een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering gevolgd. Bijzondere omstandigheden bij de indiener kunnen persoonlijke omstandigheden of externe omstandigheden zijn. Als de indiener als gevolg van deze omstandigheden geen verwijt kan worden gemaakt van de termijnoverschrijding, kan de termijnoverschrijding niet aan de indiener worden toegerekend. Daarnaast is er ruimte om in gevallen waarin sprake is van een slechts geringe verwijtbaarheid met betrekking tot de termijnoverschrijding, deze niet aan de indiener toe te rekenen.\n\n4.2. In wat [appellante] in hoger beroep heeft gesteld en de stukken die zich in het dossier bevinden ziet de Afdeling geen reden om de overschrijding van de beroepstermijn verschoonbaar te achten. Het kan verwarrend zijn als er verschillende procedures tegelijk lopen, des te meer als een betrokkene met medische klachten kampt. In dit geval zijn er in het dossier echter onvoldoende concrete aanwijzingen om de termijnoverschrijding om die reden verschoonbaar te achten. Daarnaast is in de beslissing op het bezwaar opgenomen dat [appellante] uiterlijk zes weken na dagtekening van de brief een beroepschrift bij de rechtbank kan indienen. Vier weken na dit besluit is een uitspraak gedaan in een andere procedure, waartegen [appellante] op enig moment in verzet is gegaan. Hierin lag, zoals de rechtbank terecht heeft betrokken, de beslissing op bezwaar echter niet ter beoordeling voor. Voor zover [appellante] betoogt dat de termijnoverschrijding niet aan haar te wijten is omdat zij geen ervaring heeft met juridische procedures en niet wordt bijgestaan door een rechtsbijstandverlener, is dit geen bijzondere omstandigheid (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:564, onder 3.2).\n\n4.3. Het betoog slaagt niet.\n\nConclusie\n\n5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\n6. Het UWV hoeft geen proceskosten te vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nAldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.\n\nw.g. Drop\n\nlid van de enkelvoudige kamer\n\nw.g. Van de Sluis\n\ngriffier\n\nUitgesproken in het openbaar op 16 september 2026\n\n844-1199\n\nBIJLAGE - Relevante wetgeving\n\nAlgemene wet bestuursrecht\n\nArtikel 6:11\n\nTen aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.","changes":[]}